Pas werd mij gevraagd welke betekenis het heeft dat wij in het Nieuwe Testament de ene keer ‘Jezus Christus’ en de andere keer ‘Christus Jezus’ lezen. Voor ik de vraag beantwoord merk ik op dat wie vertalingen met elkaar vergelijkt, er achter komt dat vertalingen van elkaar verschillen in het aantal vermeldingen van ‘Jezus Christus’ respectievelijk ‘Christus Jezus’. Nieuwere vertalingen volgen de zogenaamde Nestle-Aland editie van het Nieuw Testament. In vergelijking met de Statenvertaling is dan het aantal vermeldingen van de volgorde ‘Christus Jezus aanmerkelijk hoger.
Wie echter de King James Version raadpleegt, die wij als de Engelse parallel van de Statenvertaling kunnen zien, constateert dat daar juist het aantal vermeldingen van ‘Christus Jezus/Christ Jesus’ aanmerkelijk lager is dan in de Statenvertaling. Tegenover 70 vermeldingen in de Statenvertaling staan er 58 in de King James Version. Omgekeerd is het aantal vermeldingen van ‘Jezus Christus/Jesus Christ’ in de King James Version hoger dan in de Statenvertaling.
Zowel de Statenvertalers als de vertalers van de King James Version volgden de zogenaamde Textus Receptus. Echter, van de Textus Receptus zijn meerdere edities verschenen. Onder andere op het punt van de volgorde van de namen ‘Jezus’ en ‘Christus’ verschillen ook de edities van de Textus Receptus van elkaar.
We mogen weten dat wij het Woord van God in betrouwbare vorm hebben ontvangen, maar in vrijwel alle handschriften zitten wel overschrijffouten. Door handschriften met elkaar te vergelijken stel je de tekst vast zoals de oorspronkelijke schrijver hem schreef, maar dan is bijvoorbeeld niet altijd gemakkelijk uit te maken of er oorspronkelijk ‘Jezus Christus’ stond dan wel ‘Christus Jezus’. We voelen hopelijk allemaal aan dat zoiets op geen enkele wijze afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de Bijbel en al helemaal de zaligheid niet raakt.
De verschillen tussen de King James Version en de Statenvertaling op het punt van volgorde van de namen van de Middelaar heeft voor een deel te maken met het gebruik van verschillende edities van de Textus Receptus. Echter, zo komen we niet tot een verschil van twaalf.
Het verschil in het aantal vermeldingen moet dan ook ten dele te maken hebben met drukfouten hetzij in de huidige editie van de Statenvertaling hetzij in die van de King James Version of in alle twee. Omdat de GBS haar editie op punten als deze nauwkeurig met de Ravestein-editie van 1657 heeft vergeleken, neem ik aan dat er hier tussen deze edities van de Statenvertaling geen verschillen zijn.
Daarnaast is het mogelijk dat drukkers hier de handschriften van de vertalers niet goed hebben gezet. Zo zijn ook in de editie van Ravestein van 1657 enkele woorden niet tussen haakjes gezet waarbij dat volgens de vertalers van de Statenvertaling wel had moeten gebeuren. In de editie van de GBS gaat het dan om cursief gedrukte woorden.
Dan gaat het om woorden die niet in de brontaal voorkomen, maar door de vertalers ter wille van de duidelijkheid zijn toegevoegd. Tot driemaal toe zag ik tot nu toe in de editie van de GBS een woord niet cursief gedrukt staan dat wel cursief gedrukt behoort te worden en in twee gevallen had dat volgens de aantekeningen van de vertalers wel moeten gebeuren.
Het feit dat de handschriften – ook die ten grondslag lagen aan de Statenvertaling – op dit punt niet eensluidend waren, moet ons tot de conclusie leiden dat wij hoe dan ook niet een te grote betekenis moeten toekennen aan het feit of nu eerst de ambtsnaam dan wel de persoonsnaam van de Zaligmaker wordt genoemd. Dan is het niet zo dat hier de Statenvertaling beter is dan de King James Version of omgekeerd. Daarbij komt dat woordvolgorde lang niet altijd een inhoudelijke betekenis heeft.
Voor alle talen geldt dat men hier varieert zonder inhoudelijke redenen. Soms is het om eentonigheid te doorbreken. Dat is een verklaring die ook van het verschijnsel van verschil in volgorde van namen van de Middelaar in eerste instantie kan worden gegeven.
Christus is de ambtsnaam van de Middelaar. Hij is de Gezalfde; gezalfd tot profeet, priester en koning. Onder de oude bedeling zijn er meerdere gezalfde profeten, priesters en koningen geweest. Maar gaat het over de Gezalfde, de Christus of de Messias, dan geldt dat dit er maar één is. Onder de oude bedeling zag men uit naar zijn komst. Men verwachtte de verlossing en de Verlosser.
Ook al zien we nog uit naar de volkomen verlossing, de Verlosser is gekomen. De nieuwtestamentische kerk mag ook Zijn persoonsnaam of eigennaam kennen. Die naam is Jezus: ‘de HEERE redt’ of ‘Zaligmaker’. Welke handschriften men ook volgt, in alle handschriften komt de volgorde Jezus Christus het meest voor en gaat hier nog aan vooraf de aanduiding ‘Heere’ dan vinden we altijd ‘de Heere Jezus Christus’.
Als wij toch betekenis toekennen aan de volgorde, dan mogen we wellicht – zij het met enige voorzichtigheid – de conclusie trekken dat het grote voorrecht dat de nieuwtestamentische kerk de Middelaar bij Zijn persoonsnaam mag kennen, verklaart dat vaak met de persoonsnaam van de Middelaar wordt begonnen. Meer dan eens wordt die dan nog voorafgegaan door ‘Heere’: ‘de Heere Jezus Christus’.
Opvallend is dat wij vooral in brief aan de Hebreeën meer dan eens de naam ‘Jezus’ vinden zonder ‘Christus’ ervoor of erachter en ook zonder ‘Heere’. Hier is de verklaring zondermeer de verwondering over het feit dat de persoonsnaam van de Middelaar ons bekend is en dat gelovigen de Koning der Kerk met Zijn persoonsnaam mogen aanspreken.
Voor onszelf is tenslotte de vraag of wij de Middelaar persoonlijk kennen. Dan laten wij ons door Hem onderwijzen als Profeet, steunen we op het offer dat Hij bracht als Hogepriester en is Zijn voorbede ons houvast, dan troost het ons dat Hij ons als Koning beschermt en begeren wij van onze kant in Zijn kracht tegen de zonde en de duivel te strijden.
Wat een onuitsprekelijk wonder is het dat de nieuwtestamentische kerk mag zeggen dat Jezus haar hart heeft ingenomen en dat daarom de naam van Jezus haar zoet is. Daarom dichtte de Werkendamse predikant Johannes Groenewegen in zijn gezang ‘Zoete banden die mij binden, Aan des Heeren lieve volk’:
Ach hoe kan ’t mijn hart vervoeren,
Als dat volk aan mij verhaalt
Waar gevallen zijn hun snoeren,
En haar harte onbepaald,
Aan den Heere is verbonden,
Hoe z’ omhelsden ’t Godes Lam,
Tot verzoening van de zonden,
Hoe haar Jezus ’t harte nam.
Het is niet juist als wij de persoonsnaam van de Zaligmaker niet of nauwelijks gebruiken. Dat duidt – als er sprake van geloof mag zijn – toch op een ernstig gebrek in het geestelijke leven. De kerk des HEEREN mag onder de nieuwe bedeling belijden:
O Jezus, hoe vertrouwd en zoet
klinkt mij Uw Naam in ’t oor,
Uw Naam die mij geloven doet:
Gij gaat mij reddend voor.
*
Uw Naam die onze wonden heelt
en ons met manna spijst
die onze dood en zonde deelt
en onze vrees verdrijft.
*
O Naam, mijn Rots, waarop ik bouw,
mijn Schuilplaats en mijn Schild,
mijn Schrijn, die Gods oneind’ge trouw
steeds vult, genadig mild.
*
Mijn Herder en mijn Held, mijn Vriend,
mijn Koning en Profeet,
mijn Priester Die mijn schuld ontbindt,
mijn Weg waarop ik treed.
*
Nog is mijn dienst van elke dag
vol falen en tekort,
tot, als ’k U eens aanschouwen mag,
mijn lied eerst loflied wordt.
*
O Jezus, hoe vertrouwd en zoet
klinkt mij Uw Naam in ’t oor,
als ik van alles scheiden moet
gaat nog die Naam mij voor.