Een nieuw jaar is begonnen. De Heere gaat verder met de uitvoering van Zijn raad. Het grote doel van de wereldgeschiedenis is de inzameling van allen die God liefheeft met Zijn eeuwige liefde. Augustinus heeft daarover geschreven in zijn werk De stad Gods. Een boek dat wij onder andere als een commen-taar op zowel de moederbelofte op de als op de inhoud van het boek Openbaring kunnen zien.
Het plan van God kan door geen macht ter wereld worden verhinderd. Dat mag ons bij alles wat ons neerdrukt, moed geven. Duidelijk is dat onze samenleving geen christelijke samenleving meer is. De kerk is in een minderheidspositie terecht gekomen. De Heere vraagt in wisselende omstandigheden dat wij de Naam des Heeren belijden, niet alleen in woorden, maar ook in handel en wandel. Veel mensen weten totaal niets meer van Gods Woord.
Er heerst in onze samenleving een geweldige leegte. De meesten proberen die leegte met een puur materialistische levenswijze te vullen. Anderen zoeken naar de zin van hun bestaan. De vele onzeker-heden in onze samenleving dragen bij aan de vraag naar zin van ons leven en wat de toekomst ons zal brengen. Dat is voor ons die het christelijke geloof belijden een zaak waar we mensen op aan kunnen spreken.
Dan mogen we erop wijzen dat de diepste zin van ons bestaan daarin ligt dat wij God kennen en liefhebben. De eerste vraag van de Korte Catechismus van Westminster luidt: Wat is het hoogste doel van de mens? Daarop wordt het volgende antwoord gegeven: ‘God verheerlijken en zich voor eeuwig in Hem verheugen.’
De toegang tot God wordt voor ons gevallen mensenkinderen ontsloten door de Heere Jezus Christus. Mijn diepste wens is dat in ons midden het getal van hen vermeerdert die mogen weten dat het God behaagd heeft Zijn Zoon in hen te openbaren. Hoe kunnen we voor anderen een gids zijn, als we zelf de weg des levens niet bewandelen?! Dat laatste is juist zo de moeite waard.
Wie heeft lust den HEER’ te vrezen,
’t Allerhoogst en eeuwig goed?
God zal Zelf zijn leidsman wezen,
leren, hoe hij wand’len moet.
‘t Goed dat nimmermeer vergaat,
zal hij ongestoord verwerven,
en zijn Godgeheiligd zaad,
zal ’t gezegend aardrijk erven