Wat alle kinderen van God aan elkaar verbindt, is dat zij Christus liefhebben, omdat Hij hen eerst heeft liefgehad. Een christen mag en kan de vraag die de Heere Jezus aan Petrus stelde: ‘Hebt gij mij lief’ op dezelfde wijze als Petrus beantwoorden: ‘Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb’ (Joh. 21:17.
Petrus en ook de andere discipelen hebben de Heere Jezus gezien. Zij hebben meer in Hem gezien dan vele van hun Joodse tijdgenoten. Meerderen zagen aan Hem niet echt iets bijzonders. Anderen waren van mening dat Jezus een profeet was, maar dat was dan ook echt het maximum. Farizeeërs en Schriftgeleerden ergerden zich aan Hem.
Johannes schrijft van de Heere Jezus in zijn evangelie: ‘en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid’ (Joh. 1:14). Wij kunnen de Heere Jezus niet letterlijk zien. Als we over geloven als zien of aanschouwen spreken, doen we dat omdat wij deze woorden figuurlijk opvatten.
In het Bijbelse getuigenis wordt ons Jezus uitgeschilderd en voor ogen geschilderd. De evangeliën schetsen ons als verslagen van ooggetuigen een portret van Hem als Zaligmaker van zonden. In de vier evangeliën valt dan alle nadruk op de kruisdood van Christus gevolgd door Zijn opstanding. De evangeliën – en dat geldt voor de hele Bijbel – zijn bedoeld ons te bewegen tot het geloof in Christus en ons daarbij te bewaren.
Als het Woord van God ons hart heeft geraakt, kunnen we niet zeggen dat wij Christus hebben gezien, maar wel dat wij Hem liefhebben en dat het geloof ons met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde vervult. Ik denk in dit verband aan een voorbeeld dat ds. A. de Waard meer dan eens in zijn preken gebruikte.
De Waard diende de Gereformeerde Samenkomt van Alblasserdam, de gemeente waarin ik opgroeide, van 1967 tot 1976 en die nu deel uitmaakt van de Hersteld Hervormde Kerk. Bij hem volgde ik, totdat in 1974 in Utrecht theologie ging studeren, catechisatielessen en terwijl hij het avondmaal bediende, mocht ik voor het eerst ten avondmaal gaan. Toen was de Gereformeerde Samenkomst inmiddels vacant en was De Waard in Hendrik-Ido-Ambacht predikant geworden.
Dan nu voorbeeld waar het omgaat. Een jongentje van een jaar of zeven acht was aan het vliegeren op een mooie zomerdag. Er stond genoeg wind maar de zon scheen ook, zodat het niet meeviel naar de vlieger te kijken. Een man kwam langs fietsen, stapte af en zei om hem op een niet verkeerde manier wat te plagen: ‘je ben je vlieger kwijt, want ik kan hem niet zien.’ Daarop antwoordde het jongentje: ‘meneer, ik kan hem ook niet zien, maar ik ben hem echt niet kwijt, want ik voel hem trekken.’
De Waard gaf zo aan dat door genade het hart van een kind van God naar boven wordt getrokken. Dan kon hij ook wijzen op het gezang van Van Lodenstein; ‘’t Oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet, ’t ware leven, lieven, loven is slechts waar men Jezus ziet.’ Indringend kon De Waard dan de vraag stellen of wij Jezus al voelden trekken en spoorde hij ons aan om Hem te zoeken. Dan kwam ook naar voren dat als wij Hem voelen trekken, Hij ons getrokken heeft.
Eenmaal zullen allen die hier op aarde getrokken zijn uit de duisternis tot Gods wonderbare licht de Zaligmaker Die hen vrijkocht met Zijn bloed, zien zoals Hij is. Dat zal zijn met de ogen van een verheerlijkt lichaam in het nieuwe Jeruzalem. Ik eindig deze bijdrage met het slot uit de tweede preek die De Waard hield op de dankdag van 1983:
‘Eenmaal komt de tijd, niet door ons bepaald, maar de door die grote Heerser bepaalde tijd, wanneer Hij zal zeggen: Het is nu genoeg, kom nu maar bij Mij. Nu los ik u af van uw post. Nu los ik u af van uw pelgrimsreis. Nu zijn de tien dagen van verdrukking voorbij. Nu hoeft u nooit meer te zondigen. Nu hoeft u nooit meer een ongelovige te zijn (De Waard zinspeelt hier op de strijd en aanvechtingen van Gods kinderen; PdV). Nu hoeft u nooit meer rond te zwerven door deze woestijn. Nu hoeft u hier nooit, nóóit meer Zijn vriendelijk aangezicht te ontberen. Dan zullen we daar zijn waar het eeuwig dankdag is.’