In de serie ‘New Studies of Biblical Theology’ schreef Andrew G. Shead, die als hoofd van de afdeling Oude Testament aan het Moore College in Sydney is verbonden over de betekenis van de uitdrukking ‘Woord van God’ in de woorden van Jeremia. Niet alleen bij Jeremia maar ook bij andere Schriftprofeten komen we de uitdrukking tegen ‘en het Woord des HEEREN geschiedde tot’. Shead heeft een onderzoek gedaan om de vraag te beantwoorden of wij het hele boek Jeremia Woord van God kunnen typeren of dat dit alleen geldt voor de profetieën in directe zin.
Als het gaat om het boek Jeremia laat dit boek in tegenstelling tot de boeken van de andere Schriftprofeten ons iets weten over de ontstaansgeschiedenis ervan. We weten dat Baruch de profetieën uit de mond van Jeremia opschreef en dat maakt het wel heel waarschijnlijk dat hij deze ook heeft geordend. Daarnaast is kenmerkend voor het boek Jeremia dat ons ook het een en ander over de lotgevallen van de profeet wordt meegedeeld.
Oudtestamentici weten dat de Hebreeuwse tekst in de vorm van de masoretische tekst meer dan eens verschilt van de tekst van de Septuaginta. Heel duidelijk is, dat voor een deel de verklaring is, dat de vertalers van de Septuaginta soms kennelijk een Hebreeuwse tekst hebben gebruikt die van de (proto-)masoretische tekst verschilde. Bij geen boek uit het Oude Testament is dan het verschil zo groot als bij Jeremia. De masoretische tekst is aanzienlijk langer dan die van de Septuaginta en bij de Septuaginta staan de profetieën tegen de volkeren niet aan het einde, maar evenals het geval is bij de masoretische tekst van Jesaja en Ezechiël meer in het midden.
Shead wijst erop, dat onder de in Qumran gevonden fragmenten en delen van Bijbelrollen als het gaat om Jeremia zowel de langere als de kortere tekst vertegenwoordigd is. De (proto-)masoretische tekst van Jeremia is duidelijk een latere uitbreiding van het teksttype achter de Septuaginta. De focus van de (proto-)masoretische tekst ligt meer op Babel.
De (proto-)masoretische tekst is niet alleen uitgebreider dan die van de Septuaginta maar ook, zo merkt Shead terecht op, strakker geordend. De (proto-)masoretische tekst voegt ook in Jeremia 1:1 en 51:64 de zinssnede toe ‘de woorden van Jeremia’. Duidelijk is dat de tekst van Jeremia door de redacteur dan wel redacteuren welbewust is geordend, ook al heeft dit oudtestamentische Bijbelboek geen strakke structuur.
De eerste lezersgroep van de uiteindelijke vorm van het boek Jeremia waren niet de ballingen in Egypte maar die in Babel. Shead wijst erop dat meerdere oudtestamentici, Seraja, de broer van Baruch, die in Jeremia 51:59 wordt genoemd, als redacteur daarvan zien. Shead sluit niet uit maar acht het niet onmogelijk dat Baruch zowel de Hebreeuwse tekstvorm achter de Septuaginta als de (proto-)masoretische tekstvorm heeft geredigeerd.
Zelf merk ik nog op dat volgens de Joodse overlevering Jeremia in Babel is overleden. Als dat waar is, kan hij deze redactie gezien hebben. In onderscheid met meerdere oudtestamentici die aan de tekstvorm van de Septuaginta een relatieve prioriteit toekennen, doet Shead dat niet. De tekstvorm van de (proto-)masoretische tekst hoort naar zijn overtuiging het uitgangspunt te zijn.
Shead legt er de vinger op dat in Jeremia ‘woord’ in het enkelvoud bijna uitsluitend het woord van God is dat door de profeet wordt gehoord. Met het op schrift stellen van de profetieën kan het geschrevene als Woorden van God worden getypeerd, zo stelt de auteur.
Als het gaat om de ordening van het boek Jeremia legt Shead een hoofdcesuur na hoofdstuk 24. Een belangrijk argument is dat in Jeremia 25:3 wordt teruggegrepen op Jeremia 1:12. Alleen in deze twee teksten wordt over het dertiende regeringsjaar van Josia gesproken. Ik merk op dat Jeremia 25 feitelijk een overgangshoofdstuk is dat zowel bij het voorafgaande als bij het vervolg kan worden gerekend. Bij de hoofdstukken 25-52 brengt Shead verder de volgende hoofdverdeling aan: 25-34, 35-44, 45-52.
In Jeremia vinden we niet alleen de neerslag van de profetieën die hij van de HEERE ontving, maar ook hoe hij daarop reageerde. Dan wordt er gesproken over de belijdenissen van Jeremia. Daarnaast wordt er zoals al aangegeven, uitvoerig over Jeremia verteld. Het boek Jeremia bevat ook geschiedschrijving. Dat gebeurt overigens uitsluitend in het tweede hoofddeel, terwijl wij de belijdenissen van Jeremia uitsluitend in het eerste hoofddeel vinden.
De bekende oudtestamenticus Gerhard von Rad stelt dat Jeremia in zijn belijdenissen niet als profeet spreekt. Daarin zou hij geen ontvanger van openbaring zijn, al zijn we wel ingebed in dat kader. Ik val Shead bij in zijn kritiek op Von Rad. Jeremia geeft niet alleen Woorden van God door die hij ontvangt, maar hij belichaamd ook het Woord van God.
Shead ontkent dat de geschiedenissen die in Jeremia worden weergegeven, een machtsstrijd weerspiegelen tussen degenen die na de wegvoering achterbleven in Juda en de ballingen in Babel. Deze visie wordt door meerdere oudtestamentici gehuldigd. Shead stelt daarentegen dat de spanningen in de geschiedschrijving in Jeremia binnen één theologisch kader kunnen worden geplaatst.
Jeremia heeft in de naam van de HEERE geproclameerd dat Babel wordt gebruikt om Juda te tuchtigen en daarom Juda niet alleen tot bekering opriep, maar ook tot gehoorzaamheid aan de koning van Babel. Echter, hij heeft ook geprofeteerd, dat de drinkbeker van de toorn van de HEERE die eerst toegereikt is aan de andere volkeren, ook aan Babel zal worden toegereikt. In Jeremia 25:25 en 51:14 wordt voor Babel de codenaam Sesach gebruikt volgens de zogenaamde atbash-methode. Dan wordt de aleph een tau en de bēth een sjin/sin enz.
Heel belangrijk is de conclusie van Shead als het gaat over het literaire genre waarin profetieën in het Oude Testament worden weergegeven. Tot Jeremia kwam het Woord van God in de vorm van dichterlijke profetieën, toelichtingen in dichtvorm op symbolische handelingen van de profeet en preken in prozavorm. Echter alles wat door en over de profeet wordt meegedeeld maakt duidelijk dat ook daarin uiteindelijk de HEERE Zelf aan het woord is. Daarop voortbouwend mogen we zeggen dat ook de historische boeken van het Oude Testament en de wijsheidsliteratuur een profetisch karakter hebben.
In het slothoofdstuk kritiseert Shead dan ook de visie van Karl Barth dat profeten slechts getuigen van de openbaring en God hun menselijke woorden in Zijn dienst neemt. Daarmee vervaagt het onderscheid tussen de Schrift en de prediking gebaseerd op de Schrift. Daarmee wordt geen recht gedaan aan de Schrift zelf.
Juist het boek Jeremia laat in haar ontstaansgeschiedenis en inhoud zien dat het Woord van God in de vorm van de woorden van de profeet tot ons komt en dan mag geen enkel woord van of over de profeet worden uitgesloten. Ik val daarin Shead van harte bij.
Andrew G. Shead, A Mouth Full of Fire: The Word of God in the words of Jeremiah, NSBT 29 (Nottingham/Downers Grove: Apollos/IVP-USA, 2012), paperback 321 pp., €21,70 (ISBN 9781844745968)