In Christus gedoopt (1)

Introductie

Bij de studie theologie denk je na over de inhoud van de Bijbelse boodschap. Als het goed is, is elke christen een theoloog die mag weten waar zijn geloof op is gebaseerd, wat de bron is, en die verantwoording kan afleggen van de hoop die in hem is. Die bezinning geldt ook de sacramenten. Een belangrijke vraag is dan: hoe verhoudt zich het ontvangen van de sacramenten tot het delen in Christus en welke plaats hebben roeping en wedergeboorte en geloof en bekering hierin.

Dr. W. van Vlastuin, de rector van het Hersteld Hervormd Seminarie en daar 16 jaar lang mijn collega geweest, schreef een omvangrijk boek over het klassieke doopformulier. Daarbij bespreekt hij alleen het formulier om de kinderen van gelovigen te dopen. Uit het woord vooraf blijkt dat zijn geestelijke gang toch weer anders was dan de mijne.

Van Vlastuin geeft aan dat hij vele jaren de doop alleen maar zag als een soort geïntensiveerd aanbod van genade en het feit dat de doop een sacrament is aanvankelijk geen echte plaats had in zijn denken en zijn prediking. Hij maakt ook duidelijk dat er bij hem in de jaren van zijn predikantschap ontwikkelingen en verschuivingen hebben plaatsgevonden. Ontwikkelingen en verschuivingen die nog doorgegaan zijn sinds hij aan het Hersteld Hervormd Seminarie is verbonden.

Wie de boeken leest die Van Vlastuin schreef als student en jong predikant, en die naast zijn jongste boek legt, kan met eigen ogen de grote verschillen ertussen constateren. Van Vlastuin geeft aan dat hij niet meer vanuit de mens denkt de wedergeboren mens, de bekeerde mens of de gelovende mens maar vanuit Gods belofte, die in de doop aan ons is verzegeld. Daarmee zegt God tegen ons dat wij Christus toebehoren en Zijn kind zijn. God staat met ons in een verbonds- en liefdesrelatie en alleen ons ongeloof kan die relatie teniet doen.

Er is geen sprake van tweeërlei kinderen van het verbond in zijn optiek en de woorden van onze Heere Jezus tot Nicodemus: ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien’ hoeven in de verbondsgemeente niet te klinken. Ik merk vast op dat hier een tegenstelling gemaakt wordt tussen Gods belofte en het deelkrijgen eraan die vreemd is aan de Schrift.

In de Schrift gaat het allereerst over God en over Christus, maar de Schrift maakt ons ook duidelijk wie het zijn die God toebehoren en wie het zijn die Christus navolgen. Dan moeten we horen over wedergeboorte, bekering en geloof en dat zij er mensen die wedergeboren zijn en die dat niet zijn, die zich bekeerd hebben en nog dagelijks bekeren en die dat niet doen, mensen die in geloof geleerd hebben de toevlucht te nemen tot Christus en die dat nalaten. Waar dat wordt verzwegen, worden mensen echt op een dwaalspoor gezet.

In de vier evangeliën krijgen we niet alleen vier aanvullende portretten van de Heere Jezus, maar worden ons ook Zijn volgelingen getekend. Meer dan eens in hun falen en zwakheid maar ook in hun geloof en hun liefde tot de Zaligmaker. De vraag is of wij ons herkennen in de portretten van deze volgelingen van Christus. In de schaapskooi van Christus zijn niet alleen schapen maar ook bokken. Bij de gemeente van Christus behoren niet alleen wijze maar ook deze dwaze maagden.

In de gemeente, zoals Van Vlastuin die tekent, lijkt dat niet het geval te zijn of is het hooguit een randmogelijkheid. Het lijkt een gemeente te zijn van louter schapen en enkel wijze maagden, iemand die zichzelf als een dwaze maagd leert kennen, wordt in dit boek niet de weg gewezen. Evenmin leert dit boek ons hoe wij hen de weg moeten wijzen die hetzij in leer hetzij in leven heel duidelijk betonen geen schaap maar een bok te zijn. Daar ligt mijn fundamentele bezwaar. Wat helpt het ons als in middelmatige of bijzaken een helder geluid wort gegeven, maar dat de bazuin geen helder geluid geeft als het komt bij de kern van het Evangelie en dan denk ik aan de noodzaak en inhoud van persoonlijke verzoening met God door Christus’ bloed en wedergeboorte tot een levende hoop door Zijn Geest.

*

Geen boek om een gesprek aan te gaan met baptisten of een boek dat handvatten biedt om ongedoopten aan te spreken

Wie naar een exegetische onderbouwing van de rechtmatigheid van het dopen van kinderen van christenouders zoekt, zal een ander boek moeten pakken dan In Christus gedoopt. Een discussie met baptisten – ook met gereformeerde baptisten als Spurgeon – ontbreekt. Dat is jammer, want in de praktijk van het kerkelijke leven wint het baptisme veld en dan trouwens veelal niet in de vorm die Spurgeon voorstond.

Dan denk ik alleen al aan het feit dat menigeen meent dat hij of zij op volwassen leeftijd opnieuw de doop moet ontvangen, maar zich dan niet voegt bij de gemeente waar hij opnieuw werd gedoopt en men zich soms zelfs buiten alle kerkelijke kaders opnieuw laat dopen. Deze zaken zijn voor Spurgeon en voor elke echte baptist volstrekt ondenkbaar. Dat geldt al helemaal als hij ook met Spurgeon de gereformeerde genadeleer belijdt.

Ook stelt Van Vlastuin het doopformulier voor volwassenen niet aan de orde. Dit vind ik eerlijk gezegd een ernstig manco. Juist omdat wij inmiddels leven in een samenleving waar menigeen ongedoopt is. In die zin gaat het boek wel heel weinig in op de context waarin de kerk zich nu bevindt. Hoe spreken wij ongedoopte mensen aan? Wat vragen wij hen als het gaat om leer en levenswandel als zij gedoopt willen worden? Ik denk daarnaast ook aan mensen die van de kerk zijn weggegroeid en wel heel kennelijk hun doop ontheiligen.

Dat is geen theoretische vraag. In bijzondere diensten zijn er meer dan eens mensen onder het gehoor van wie dat geldt. Dan denk ik onder andere aan trouwdiensten maar meer nog aan rouwdiensten. Jammer vind ik dat Van Vlastuin in zijn jongste boek helemaal geen handvatten biedt hoe deze mensen moeten worden aangesproken. Ik schrijf dit niet voor niets. Ik heb rouwsamenkomsten meegemaakt waarin hooguit in wensende zin een oproep tot bekering klonk en daarbij nog een jargon werd gebruikt dat alleen door iemand die bij een bepaalde subcultuur hoort wordt begrepen.

Echter, nog meer maakte ik persoonlijk mee, dat terwijl een zeer substantieel deel van de aanwezigen in een rouwdienst de kerk nog nooit of al vele jaren niet aan de binnenkant had gezien, het gehoor werd aangesproken als waren zij allen mensen die delen in Gods genade in Christus. Waren voor de voorganger deze mensen lucht, zag hij ze niet staan of mogen ook zij ervan uitgaan dat zij ten slotte ook mogen delen in Gods genade? Dat werd mij dan niet duidelijk en ik neem aan de mensen om wie het ging evenmin.

Ik mis ook hoe je met ongedoopten in eigen gemeente omgaat. Van Vlastuin lijkt er voetstoots vanuit te gaan dat je die niet tegenkomt. In elk van de gemeenten die ik diende kwam ik die tegen. Ik noem een aantal categorieën: ongedoopte pleegkinderen van wie ouders niet wilden dat zij werden gedoopt, mensen die opgegroeid waren in een thuislezersmilieu en daarom ongedoopt waren en ook mensen die zich vanuit de wereld bij de gemeente voegden.

In de laatste gemeente die ik diende, had ik te maken met mensen van de tweede maar ook van de derde categorie. Als ik het boek van Van Vlastuin lees, biedt het voor mij in die situaties geen enkel handvat. Hij spreekt zo massief over de doop dat ik niet zou weten hoe je het Evangelie aan ongedoopten in je gemeente moet verkondigen en hen zowel op Gods beloften kunt aanspreken als tot hen de oproep tot geloof kunt verkondigen. Trouwens, ik zou als ik dit boek lees ook niet weten, wat ik moet zeggen tegen een gemeentelid die mij zegt: ‘Maar dominee, ik sta nog echt buiten, al kom ik naar de kerk en al ben ik gedoopt.’

Trouwens wie als kind is gedoopt en via de weg de belijdenis toegang vraagt tot het avondmaal, moet toch zichzelf vanwege zijn zonden mishagen, dagelijks de toevlucht nemen tot Christus bloed en begeren voor Hem te leven. Dan kunnen we toch niet zeggen dat dit bij alleen rond de achttien of twintig jaar inmiddels het geval is. Meer dan eens laat de levenswandel al zeer te wensen over. Dan zijn er ook die menen in te gaan en niet kunnen ingaan. Hoe kan hen het kerkelijk recht tot het avondmaal worden verleend, als zij nog kennelijk betonen dat betekenis van de doop geen praktijk is in het leven?! Het zijn allemaal zaken die Van Vlastuin niet aan de orde stelt. Hij lijkt in een heel andere kerkelijke werkelijkheid te leven dan die ik om heen zie.

 *

Waarom een uitgebreide bespreking van dit boek van belang is

Nu moeten we een boek over het doopformulier en dan niet dat voor volwassenen maar dat voor kinderen allereerst beoordelen op wat er in staat en niet op wat er niet in staat, al had je er graag iets over gelezen. Zo hoop ik dan in het vervolg het boek In Christus gedoopt aan de orde te stellen en een analyse ervan te geven. Dan zal wel naar voren komen dat vanuit het doopformulier, ook als met Van Vlastuin benadrukt wordt dat de doop de belofte en niet de wedergeboorte verzegeld, heel andere lijnen getrokken kunnen worden dan Van Vlastuin doet. Ik denk aan twee christelijke gereformeerde hoogleraren van een vroegere generatie, namelijk P.J.M. de Bruin en L.H. van der Meiden. Beiden hebben over het doopformulier dan wel de kinderdoop geschreven. Ik noem als het gaat om hervormd-gereformeerde predikers: C.B. Holland en G. Boer.

Een uitgebreide bespreking van In Christus gedoopt is van levensbelang voor de gemeenten en dan denk ik niet aan een bepaald kerkverband maar breder. Op welke wijze maken we aan onze kleine kinderen duidelijk waarom zij gedoopt zijn? Hoe spreken we met hen die hun doop niet verstaan maar ontheiligen? Hoe handelen we met hen die belijden dat zij hun doop hebben leren verstaan en daarom vragen of zij het (kerkelijke) recht om tot het avondmaal toe te treden mogen ontvangen? Waar moet dan een predikant en moet een kerkenraad naar vragen? Wat zijn de criteria om iemand tot het avondmaal toe te laten en welke zaken moeten als het gaat om zelfonderzoek onder de aandacht worden gebracht?

*

Een levend of dood lid van Christus’ kerk

Telkens weer onderstreept Van Vlastuin – en dat is op zich juist – dat de doop niet de wedergeboorte of het geloof verzegelt maar de belofte van het Evangelie. Zo ontvouwt hij de zegeningen die de Vader, de Zoon en de Heilige Geest ons als de drie-enige God in de doop verzegelt. Daarin worden op zich ware dingen gezegd. Echter, ik mis de notie dat als de sleutel van de prediking op de juiste wijze functioneert, niet alleen alle gelovigen verkondigd wordt dat hun zonden hun vergeven zijn maar ook dat de ongelovigen en allen die zich niet van harte bekeren betuigd wordt dat de toorn van God op hen rust zolang zij zich niet bekeren (vgl. Heidelbergse Catechismus vraag en antwoord 84). In In Christus gedoopt komt niet uit de verf dat allereerst de verkondiging van het Evangelie de sleutel is voor de ingang in Gods koninkrijk en niet het deelgenootschap aan de doop.

Nergens wordt in In Christus gedoopt antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus aan de orde gesteld. De eerste vraag die altijd weer moet worden gesteld: Heb je Christus als Zaligmaker van zondaren en wat heb je in Hem gevonden? Is Hij alles voor je geworden? Hoe vond je verzoening met God? Heel verdrietig en aangrijpend is dat iemand dan alleen maar verwijst naar zijn doop zoals een Jood er naar verwijst dat hij besneden is op de achtste dag. De grote vraag is toch of het hart besneden is en of wij die van huis uit kinderen des toorns waren, wedergeboren werden tot een levende hoop. Daarin geeft In Christus gedoopt allesbehalve een helder geluid.

De notie van de mogelijkheid om verloren te gaan ontbreekt niet geheel in In Christus gedoopt, maar wordt enkel vanuit de mens die al een geloofsrelatie met God heeft en zich in een staat van genade of van aanneming tot kinderen bevindt belicht. Eenzelfde kanttekening plaats ik bij de notie van tweeërlei kinderen van het verbond. Deze notie komt niet echt uit de verf. Van Vlastuin sluit niet uit dat er verbondskinderen verloren gaan, maar wat niet naar voren komt is de wetenschap dat wij wel in de kerk en toch niet van de kerk kunnen zijn, zoals wordt verwoord in artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

We moeten ervan uitgaan, zo lees ik Van Vlastuin, dat wij allen in de kerk en in Christus zijn en zeker nooit anderen er op aanspreken dat dit wel eens niet het geval kon zijn en men – naar te vrezen valt slechts van de kerk is. Zeker is dat wij niet over het hart van anderen mogen oordelen, maar uit leer en leven kan toch al blijken dat iemand de kracht van Gods verbond nog niet kent. Dan zijn we toch geroepen anderen te waarschuwen en in ieder geval moeten wij onszelf onderzoeken. Dan mogen we niet uitsluiten dat dit zelfonderzoek negatief uitvalt. Ik denk hier aan Herman Bavinck (1854-1921) die het in zijn Gereformeerde Dogmatiek zo verwoordde: wel in het verbond maar niet van het verbond. De naam Bavinck kom ik trouwens in In Christus gedoopt nergens tegen. Wie Bavincks voorrede leesst in de heruitgave van de werken van de Schotse predikers Ralph en Ebenezer Erskine vindt daar een heel ander klimaat dan In Christus gedoopt. De zorgen die Bavinck daar verwoordt raken feitelijk ook het geestelijk klimaat dat In Christus gedoopt ademt.

Als het gaat om de doop van kinderen mag de relatie met het avondmaal niet ontbreken. Ouders die vanuit een persoonlijke band met Christus hun kinderen laten dopen, zullen er toch ook naar uitzien dat hun kinderen als zij de jaren van onderscheid hebben bereikt – om die ouderwetse uitdrukking te gebruiken – de dood des Heeren gaan verkondigen. Wat geven zij dan met het oog daarop hun kinderen mee? Hoe kunnen ouders aan hen merken dat zij niet alleen in de kerk maar ook van de kerk zijn? Hoe moeten ouders voor hun kinderen bidden? Het zijn allemaal vragen waarop In Christus gedoopt geen antwoord geeft, omdat het onderscheid ‘in het verbond’ en ‘van het verbond’ ontbreekt.

Anders gezegd: in In Christus gedoopt heeft het onderscheid tussen belofte en vervulling of toe-eigening van de belofte geen plaats. Daarom leest Van Vlastuin het doopformulier met een bril op die geen recht doet aan de inhoud ervan. Voor wie een boekje wil lezen dat daaraan wel recht doet, noem ik de brochure van prof. P.J.M. de Bruin (zie de bijdrage van 8 december 2025: Prof. P.J.M. de Bruin over het doopformulier).

Elke gedoopte lijkt in volle zin een liefdesrelatie met God te hebben. Dan komt wel de vraag naar voren: is er dan een afval van de heiligen? Of positief geformuleerd: hoe spreken we over de volharding der heiligen? Het lijkt mij niet toevallig dat Van Vlastuin feitelijk in verlegenheid komt als het over de volharding der heiligen gaat. Met het feit dat de doop ons verzegelt dat wij eenmaal onbevlekt en onberispelijk onder de gemeente van de uitverkorenen zullen gesteld worden weet hij niet goed raad. Vanuit zijn zienswijze moet je feitelijk óf tot een afval van heiligen concluderen óf ervan uitgaan dat elke gedoopte zalig wordt omdat Gods keuze ten slotte groter is dan onze trouw.

In dit verband denk ik aan antwoord 53 van de Heidelbergse Catechismus waar de leerling betuigt dat Gods Geest eeuwig bij hem blijft en aan antwoord 54 dat hij mag weten dat hij van Gods kerk een levend lidmaat is en eeuwig zal blijven. Van Vlastuin kan daar geen recht aan doen omdat het onderscheid tussen levende en dode leden van de kerk bij hem niet functioneert. Hij spreekt over een spanning die wij moeten laten bestaan en het besef dat wij niet te goed zijn om geestelijk schipbreuk te leiden.

Dat laatste is waar, maar een levend lidmaat van Christus’ gemeente mag weten dat God hem daar voor zal bewaren en dat laatste lees ik nu niet in In Christus gedoopt. Daar houdt verband mee dat de troost van de verkiezing niet belicht wordt. Terecht stelt Van Vlastuin dat de leer van de verkiezing zo kan worden verwoord en zo’n plaats kan worden gegeven dat het de boodschap van het Evangelie verdonkert.

Als hij, als het om het geloof in de verkiezing gaat, niet verder komt dat de verkiezing mij wakker schudt als ik veel te gemakkelijk over de zaligheid denk, is dat slechts één aspect. Wie dit noemt moet er dan ook met Kohlbrugge aan toevoegen dat het dan zaak is ons op genade en ongenade in de handen van onze soevereine God te werpen, met de bede: ‘Be­keer mij, zo zal ik bekeerd zijn.’ Vooral moet met Kohlbrugge betuigd worden dat in onze persoonlijke verkiezing wij een vaste en eeuwige troost hebben onder allerlei kruis, droefheid, vervolging en bestrijding.

Ik denk ook aan de Dordtse Leerregels V, 9. Daar lezen we: ‘Van deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid, en van de volharding der ware gelovigen in het geloof, kunnen de gelovigen zelf verzekerd zijn, en zij zijn het ook naar de mate des geloofs, waarmede zij zeker geloven, dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden, en het eeuwige leven.’ Dat Van Vlastuin zo niet over de troost van de verkiezing en volharding van de heiligen schrijft heeft alles te maken dat het onderscheid tussen ware en onware leden van de kerk of levenden en doden bij hem geen plaats heeft. De wijze waarop hij verkiezing en volharding der heiligen belicht is voor mij niet nieuw. Zo hoorde ik het in mijn jeugd uit de mond van familieleden die behoorden tot de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Maar dit geluid is bepaald geen oud-hervormd geluid zoals dat onder andere door ds. L. Vroegindeweij wordt verwoord in de drie delen van zijn: De troost der verkiezing.

*

Zijn ongeloof en onbekeerlijkheid onmogelijke mogelijkheden?

Ik kan het ook anders vragen: is het gevaar niet heel groot dat voor hen die gedoopt zijn c.q. de sacramenten gebruiken verloren gaan feitelijk een onmogelijke mogelijkheid wordt? Met zoveel woorden gebruikte Van Vlastuin zelf deze uitdrukking in een podcast van het ND. En in zijn boek schrijft hij over onbekeerlijkheid binnen het verbond als een onmogelijke mogelijkheid. Dit is wel een aanvechtbare wijze van formuleren. Lezen het Oude Testament dan was het veelal niet meer dan een rest die werkelijk uit Gods verbond leefde.

Eerlijk gezegd kom ik de uitdrukking onmogelijke mogelijkheid wel bij Karl Barth tegen, maar bij geen enkele klassiek gereformeerde theoloog heb ik hem ooit gelezen. Ik weet wel dat Van Vlastuin de afgelopen jaren bij meerdere gelegenheden weliswaar wat kanttekeningen plaatste bij de publicaties van Barthiaans-gezinde theologen maar daarboven van zijn geestelijke verbondenheid sprak. Zij waren voor hem zonder reserve broeders in Christus.

Van Vlastuin heeft kritiek op Abraham Kuyper. In de volgende bijdrage ga ik daar nader op in. Maar zijn kritiek dat Kuypers leer van de vooronderstelde wedergeboorte tot verbondsoptimisme en verbondsautomatisme zou leiden kan ik vanuit zijn perspectief volstrekt niet plaatsen. Niet omdat het niet waar is maar omdat voor de zienswijze van Van Vlastuin zelf dat veel en veel meer geldt dan voor die van Kuyper. Vergeleken met wat Van Vlastuin voorstaat, kan Kuyper eerder verbondspessimisme worden verweten.

In tegenstelling tot wat Van Vlastuin beweert, wist Kuyper nog altijd van het onderscheid tussen historisch en zaligmakend geloof. Dan hoef je maar te denken aan passages uit het eerste deel van zijn werk Drie kleine vossen. (zie https://drpdevries.com/2025/12/12/gedachten-over-de-prediking-en-het-geestelijke-leven-2/). Bij mij komt dan ook de vraag boven in hoeverre Van Vlastuin Kuyper zelf heeft gelezen of kent hij hem alleen maar uit de tweede hand?

De puriteinen en de mannen van de Nadere Reformatie (waarbij de een ook weer een ander accent had dan de ander) legden meer nadruk op zelfonderzoek en spraken nadrukkelijker onbekeerden in hun preken aan dan Kuyper. Ook Kuyper vraagt nog altijd veel meer aandacht voor het onderscheid tussen kennis van het verstand en kennis van het hart dan Van Vlastuin zelf.

Van Vlastuin heeft terecht kritiek op Kuyper die meent dat de wedergeboorte een werk is van Gods Geest los van het Woord. Echter, ook Kuyper kon schrijven: ‘Het „kinderen, hoort, wat God aan mijne ziel gedaan heeft”, behoudt zijn onveranderlijk recht. Alleen, dat bevindelijke kan noch mag ooit voor den voorwerpelijken dienst van het Woord in de plaats komen. En ook, nooit mag het Woord naar die bevinding, maar altoos moet de bevinding naar het Woord van God beoordeeld worden.’

Voor mij is Kuyper geen theoloog die ik als gids aanbeveel, maar ik heb wel grote moeite met kritiek op Kuyper als men zelf nog veel minder dan Kuyper rekening houdt met de mogelijkheid dat ook verbondskinderen verloren kunnen gaan.Uitdrukkingen dat ongeloof en onbekeerlijkheid binnen het verbond onmogelijke mogelijkheden zijn, zijn al helemaal echt ondenkbaar op de lippen van Kuyper. Dat geldt van een uitspraak van een vrouw van haar kind dat met de kerk had gebroken en die door Van Vlastuin positief in de podcast van het ND werd aangehaald: ‘De keuze van mijn kind heeft niet het laatste woord, Gods trouw is groter.’ Ook deze uitspraak past wel op de lippen van een theoloog die zich verwant voelt aan Barth maar niet op de lippen van Kuyper.

Kuypers zoon Frederik brak met de kerk. Kuyper bad voor deze zoon pleitend op Gods verbond. Hoe hij in deze zaken stond blijkt uit een passage uit een brief aan zijn geestelijke vriend Idenburg: ‘O, ’t zou mij toch zo heerlijk zijn, als ik vóór mijn sterven van hem horen mocht: vader, ik keer tot Jezus terug. Maar tot dusver van zoiets nog geen woord. Ik blijf bidden.’ Kuyper wist als God aan Zijn verbond gedenkt keert een mens met schuldbelijdenis naar God terug en de uitspraak dat Gods trouw groter is dan onze keuze, is een tegenstelling die daaraan geen recht doet.

Ongeloof en onbekeerlijkheid zijn allesbehalve onmogelijke mogelijkheden. Dat blijkt wel uit de indringende waarschuwingen zoals we die vinden bij de oudtestamentische profeten, uit de prediking van Johannes de Doper en van de Heere Jezus Zelf toen Hij op aarde was. Hoe kan Van Vlastuin met deze benadering recht doen aan Paulus in 1 Korinthe 10?

Alhoewel het hele volk in Mozes was gedoopt en hetzelfde geestelijke voedsel aten en dezelfde geestelijke drank dronken had God aan het merendeel van hen geen welgevallen. Voor Paulus is het bepaald geen onmogelijke mogelijkheid dat het merendeel van hen die de sacramenten ontvangen geen deel heeft aan Christus. Wie de brieven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië leest weet dat een gemeente naar het oordeel van de liefde niet alleen uit louter levende leden kan bestaan maar ook uit louter dode leden.

Ongeloof en onbekeerlijkheid zijn allesbehalve onmogelijke mogelijkheden. We moeten wel krachtig betuigen dat het geen legitieme mogelijkheden maar uitingen van verzet tegen Gods genade zijn. Op het Evangelie past slechts het antwoord van geloof en bekering. Maar dan geldt wel dat wij ons alleen bekeren als God ons hart besnijdt, als Hij het stenen hart uit ons wegneemt en ons een vlesen hart geeft, als Hij Zijn wet in ons binnenste schrijft. Omdat het verbond aan de Sinaï niet de kracht gaf om tot eer van God te gaan leven, beloofde God een nieuw verbond waarbij Hijzelf Zijn wet in ons hart schrijft.

Alleen als God Zelf aan ons geeft wat Hij ons beveelt, gaan wij van harte doen wat Hij van ons vraagt. Heel mooi vinden we dat verwoord in het boekje van prof. L. H. van der Meiden Het nieuwe verbond. Dat boekje is de uitwerking van zijn afscheidsrede van de Theologische Hogeschool van de Christelijke Gereformeerde Kerken (nu de TUA). We moeten niet alleen met water zijn gedoopt maar ook met de Heilige Geest. De Heere Jezus Zelf leerde ons ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien’ (Joh. 3:3).

*

Volgens de hoogkerkelijke sacramentalistische theologen waren ook de reformatoren al te veel kinderen van de moderne tijd

Van Vlastuin legt er in zijn bespreking van het doopformulier telkens de nadruk op dat wij in de (laat)moderne tijd leven. Daarmee lopen wij het gevaar het doopformulier onjuist te verstaan. Ik val hem daarin niet geheel, maar wel voor een deel bij. Ik denk slechts aan de regel boven het doopformulier. Als daar over gelovigen wordt gesproken van wie de kinderen gedoopt mogen worden, gaat het niet om de subjectieve oprechtheid van het geloof van ouders, maar om het feit dat zij het christelijke geloof belijden en geen heidenen, Joden of moslims zijn.

Ik denk ook aan het onderscheid dat er wel gemaakt wordt tussen het belijden van het geloof of van de leer. Dat is een onderscheid dat ook in de vroegmoderne tijd nog niet werd gemaakt. Dat blijkt in het doopformulier al uit de vragen die aan ouders worden gesteld. Het onderscheid tussen het belijden van het geloof of van de leer is in ieder geval volledig vreemd aan de dooppraktijk van de Vroege Kerk en dan denk ik aan de dooppraktijk met betrekking tot volwassenen geschreven.

Echter, bewust heb ik over de ‘(laat)moderne tijd’ geschreven met ‘laat tussen haken en niet zoals Van Vlastuin doet ‘moderne tijd’. Immers de moderne tijd begon al in de vijftiende eeuw aan te breken. De hervormers leefden in de vroegmoderne tijd. Als Van Vlastuin het woord ‘modern’ gebruikt, laat hij die in de zeventiende eeuw aanvangen en rekent hij de hervormers niet bij de moderne tijd, maar cultuurhistorisch behoren zij toch echt bij de vroegmoderne tijd. Wie enigszins thuis is in de theologische wereld weet dat juist van rooms-katholieke zijde kan worden gezegd dat de hervormers kinderen waren van de moderne tijd en dat dit blijkt uit het feit dat de kerk en de sacramenten bij hen niet de plaats hebben die zij behoren te hebben.

Voor de anglicaan John Henry Newman (1801-1890) die aanvankelijk probeerde de geloofsdocumenten van de Kerk van Engeland (Anglicaanse Kerk) zo sacramentalistisch mogelijk uit te leggen, was dit een reden om ten slotte over te stappen naar de Rooms-Katholieke Kerk. Newman groeide op in het klimaat van de vroomheid van de ‘Evangelical Revival’ van de achttiende eeuw. Sterke nadruk viel op de noodzaak van persoonlijk geloof en persoonlijke bekering die vruchten zijn van de wederbarende werking van Gods Geest. Op vijftienjarige leeftijd had Newman een bekeringservaring door het lezen van een boek van de anglicaanse evangelical William Romaine. Later zag hij deze ervaring in een ander licht.

Niet alleen teksten waarin de rechtvaardiging door het geloof wordt verwoord, maar ook teksten als ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien’ (Joh. 3:3) en ‘Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden)’ (Efeze 2:4-5) werden door de vertegenwoordigers van het Evangelical Revival met regelmaat bepreekt.

Wat Newman miste in de vroomheid van de ‘Evangelical Revival’ waarin hij was opgegroeid, is dat de sacramenten voertuigen van genade zijn en iedereen die ze gebruikt op het bezit van deze genade, moet worden aangesproken. Van een onderscheid tussen naamchristenen en ware christenen wilde hij niet weten, omdat hij dat al een blijk van subjectivisme vond. Maar goed is te weten dat voor Newman uiteindelijk niet alleen de vroomheid van de ‘Evangelical Revival’ maar ook die van het protestantisme, in welke vorm, dan ook, te subjectief was.

Objectieve vastheid vond hij bij Rome vanwege haar kerk- en sacramentsleer. Het nemen van het startpunt in de individuele mens is iets wat Newman niet, zoals Van Vlastuin, slechts het protestantisme vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw verwijt, maar hij raakte er steeds meer van overtuigd dat het probleem al bij de Reformatie zelf lag.

Niet toevallig is dat onder de theologen van de zogenaamde ethische richting in de Hervormde Kerk grote waardering bestond voor Newman. De theologen om wie het ging benadrukten dat iedereen die gedoopt is, deelt in Christus, en dit deelgenootschap in Christus moet beantwoorden met geloof en wandelen in Gods wegen. Dan konden zij ernstig indringend spreken over zelfverloochening, gezindheid op de eeuwigheid enz.

Goed is nog te weten dat lang niet alle anglicaanse hoogkerkelijke sacramentalistische theologen de overstap naar Rome maakten. Voor de meesten was die om meer dan één reden een brug te ver. Echter, wat al deze theologen met elkaar verbond óf zij binnen de Kerk van Engeland bleven óf overstapten naar de Rooms-Katholieke Kerk, is dat wij ervan uit behoren te gaan dat elke gedoopte in Gods genade deelt en alleen door zich die onwaardig te maken kan verliezen.

Zij riepen dan ook al hun gedoopte gemeenteleden ertoe op met grote regelmaat het avondmaal te gebruiken. Voor hen stond namelijk vast dat in principe elke gedoopte in de genade deelt en een liefdesrelatie met God heeft. Hun grote bezwaar tegen de vertegenwoordigers van de ‘Evangelical Revival’ was dat die ervan uitgingen dat gedoopten nog in de staat van verlorenheid konden zijn.

Ook al maakten de meeste hoogkerkelijke theologen niet de overstap die Newman naar Rome maakte ook zij konden moeilijk uit de weg met de boodschap van persoonlijke vrijspraak en wedergeboorte. Zij konden en wilden deze zaken niet zo centraal stellen als reeds de reformatoren en de Negenendertig Artikelen (de Geloofsbelijdenis van de Kerk van Engeland) dat deden. Over de noodzaak van persoonlijke wedergeboorte preekten zij nooit. Johannes 3:3 leek niet in hun Bijbel te staan.

*

Niet alleen na Descartes maar ook na Kant

Aan de gestalte van de moderne tijd zoals die in de zeventiende eeuw gestalte kreeg is onlosmakelijk de naam René Descartes (1596-1650) verbonden. De invloed, dan wel vermeende invloed, van het denken van Descartes heeft bij de bespreking van het doopformulier door Van Vlastuin een grote plaats. Ik wil voor ik concreter op de inhoud van In Christus gedoopt inga, niet alleen op Descartes maar ook op Immanuel Kant (1724-1804) ingaan.

Deze naam noemt Van Vlastuin merkwaardig genoeg niet. Onder andere Kees van der Kooij die samen met Gijsbert van den Brink de Christelijke dogmatiek schreef, meent dat wij in de kenleer niet achter Kant terug kunnen. Wij kunnen naar zijn overtuiging – en dat is een overtuiging die door velen wordt gedeeld – de Bijbel niet meer lezen zoals kerkvaders en reformatoren dat deden. Daarom kan theologie ook niet meer gezien worden als het nadenken van Gods gedachten zoals hij zich in de Schrift heeft geopenbaard. Dit vooronderstelt in deze zienswijze een visie op kennis die sinds Kant niet meer houdbaar is. Die gedachte verwerp ik zelf met heel mijn hart.

Van Vlastuin kent heel veel betekenis toe aan het feit dat wij na Descartes leven. Descartes startte niet bij de objectieve werkelijkheid buiten ons, maar bij het subject. Van Vlastuin trekt een vrijwel rechte lijn van het schema van subject-object van Descartes en het denken vanuit de onderscheiding objectief (voorwerpelijk) en subjectief (onderwerpelijk) bij de gereformeerde orthodoxie. Aan die verbindingslijnen trekt hij vergaande conclusies, maar hij laat na op de ingrijpende verschillende te wijzen tussen het schema van subject-object van Descartes en dat van het onderscheid tussen objectief (voorwerpelijk) en subjectief (onderwerpelijk) bij de gereformeerde orthodoxie.

Vanuit een raster dat meer dan eens niet geheel past worden ontwikkelingen en theologen beoordeeld. Ik probeer wat nu volgt zo eenvoudig mogelijk te houden, maar enige kennis van filosofie en cultuurgeschiedenis moet ik wel vooronderstellen. Allereerst is iedereen altijd op de een of andere manier mens van de tijd waarin hij leeft. Daarom is de geestelijke kleur van Augustinus toch weer iets anders dan die van de Reformatoren, ook al hadden zij zeker als het ging om hun verstaan van Gods genade grotendeels gelijk als zij zeiden: ‘Augustinus is geheel de onze’ (totus noster).

In onderscheid van de eerste hervormers maken de gereformeerde theologen veel meer gebruik van de scholastieke methode om hun theologie vorm te geven. Augustinus leefde in de premoderne tijd, de reformatoren in de vroegmoderne tijd en wij inmiddels in de laatmoderne dan wel postmoderne tijd. Toch mogen we weten dat God Zelf ervoor zorgt dat het geloof dat eenmaal aan de heiligen de eeuwen door is overgeleverd, bewaard en verstaan zal worden, al verstaat de een het dieper dan de ander.

Mijn bezwaar is dat als je cultuurhistorische en filosofische ontwikkelingen op het gebied van de kenleer aansnijdt, je niet alleen Descartes moet noemen, maar vooral ook Kant. Diens invloed op de theologie is nog veel en veel groter dan die van Descartes. Descartes denkt vanuit het subject naar het object. Het begint niet bij de wereld buiten ons en ook niet bij God en Zijn openbaring, maar bij het denkend subject en meent zo te kunnen bewijzen dat God moet bestaan.

Kant ging nog veel verder. Hij stelt dat wij geen kennis kunnen hebben van de onzichtbare werkelijkheid. Directe Godskennis is dan ook onmogelijk. Beïnvloed door Kant waren er theologen die aan de grote waarheden van het christelijke geloof wilden vasthouden, maar die niet begonnen bij Gods openbaring in de Schrift, maar bij de christelijke gemeente die gelooft. In ons vaderland is de zogenaamde ethische theologie daarvan een voorbeeld. De vraag was of iets weerklank vond in het geloof van de gemeente.

Zij verbonden de individuele gelovende mens heel nadrukkelijk met de gelovende gemeente. Zij wilden niet individualistisch zijn, maar het denken vanuit de objectieve boodschap van de Schrift naar de subjectieve toe-eigening ervan door de mens of anders gezegd de toepassing ervan door de Heilige Geest aan de mens wezen zij van de hand.

De ethische theologen meenden Schriftkritiek en gelovig Bijbellezen met elkaar te kunnen combineren. Van Vlastuin gebruikt het woord ‘object’. Nu, dan zou je van ethische theologen kunnen zeggen dat zij als wetenschappers – zeker als het ging het Oude Testament – de Bijbel als een verzameling literaire werken moesten zien die je precies als elk ander literair werk moet lezen. In de termen van Van Vlastuin bestudeerden zij de Bijbel als was het een object. Als christen wens je je door het Woord van God te laten stempelen, maar dat viel niet met de Bijbel samen. De Bijbel is ook inhoudelijk een boek van zowel God als mensen. We kunnen niet zeggen: Wat de Bijbel zegt, zegt God.

Dat was het grote bezwaar van Kuyper en Bavinck tegen de ethische theologie. Men begint bij de gelovende mens/gelovende gemeente en niet bij God en Zijn openbaring. Haast nog krachtiger was het bezwaar van de Amerikaanse theoloog B.B. Warfield tegen theologieën die starten bij de gelovige mens/gemeenschap in plaats van bij Gods openbaring. Kuyper kun je verwijten dat hij denkt vanuit de wedergeboren mens.

Echter, wie in dit verband het woord ‘modern’ gebruikt, mag zeker niet nalaten te wijzen op wat de ethische theologen dachten van de gelovende gemeente. Dat laatste werkte ook door in hun visie op de gemeente. Meerdere hervormd-gereformeerde predikanten uit de laatste helft van de negentiende eeuw en de eerste decennia van de twintigste eeuw behoorden aanvankelijk tot de ethische richting. Dat zij zich daarvan afwenden had altijd te maken dat de boodschap van de twee wegen in hun prediking niet echt een plaats had gehad. Wie, zoals Van Vlastuin dat doet, Kuyper aan de orde stelt, moet ook de ethische theologen – al is het maar kort – bespreken.

Juist voor theologiestudenten is het van groot belang dat zij daarop worden geattendeerd. Als het gaat om de Schriftleer zie je dat de ethische visie op de Schrift – zij het veelal wat meer Barthiaans verwoord – breed wordt geaccepteerd. Ik denk aan de Christelijke Dogmatiek van Gijsbert van den Brink en Kees van der Kooi. Ik noem ook de publicaties van Arnold Huijgen.

Wil een hervormd seminarie echt een belijdend seminarie zijn dan is het zaak studenten daar expliciet op te wijzen en aandacht te vragen voor de gevolgen als men hier in meegaat. Dat is echt niet overbodig als we bedenken dat bijvoorbeeld de Christelijke Dogmatiek van Van den Brink en Van der Kooi binnen de gereformeerde gezindte als een excellente dogmatiek kan worden aangeprezen. En de gedachte dat in principe de hele gemeente als gelovende gemeente moet worden gezien en de leden ervan door Christus aan elkaar zijn gegeven, leeft in grote delen van de kerk.

*

Van God Die tot ons spreekt in de schepping en in de Schrift naar de mens en niet omgekeerd

Zaak is, dat wij met de kerkvaders, de hervormers en de gereformeerde theologen van de zeventiende eeuw en later uitgaan van God, Die tot ons spreekt door de Schrift, en zo aan ons bekend maakt wie Hij is. Dan mogen we het onderscheid tussen objectief en subjectief niet gelijk stellen aan het schema van subject-object van Descartes.

God spreekt tot ieder mens in de schepping. Echter, sinds de zondeval houdt de natuurlijke mens de waarheid in ongerechtigheid ten onder. Gods openbaring vanuit de schepping leidt niet tot de ware kennis van God en nog veel minder tot de waarachtige aanbidding van God. De geest van de gevallen mens is, zo zei Calvijn, een fabriek van afgoden. Sinds de zondeval zijn we daarom voor de ware kennis van God aangewezen op Gods bijzondere openbaring die ten slotte zwart of wit werd vastgelegd in de boeken van het Oude en Nieuwe Testament.

Beginnend bij de leer van het Oude en Nieuwe Testament om de uitdrukking van het klassieke doopformulier te gebruiken, gaan we spreken over de persoonlijke toe-eigening en doorleving ervan. Die twee vallen niet samen. De zaligheid die door Christus verworven is en waarvan de Schrift ons spreekt, dient aan ons te worden toegepast. Dan kunnen we zowel zeggen dat Christus ons door Zijn Geest de zaligheid toe-eigent, wij dat van onze kant ook leren doen.

Het doopformulier zoals wij dat kennen is een verkorting van een versie die behoorlijk wat langer was. Als het gaat om het verzegelende werk van de Heilige Geest wordt gezegd dat Hij ons tot ware lidmaten van het lichaam van Christus maakt, opdat wij aan Christus en aan al Zijne goederen (samen met alle leden van de Christelijke Kerk) gemeenschap zouden hebben.

Duidelijk wordt hier hoe wij de zin uit het verkorte formulier moeten opvatten dat de Heilige Geest ons toe-eigent wat wij in Christus hebben. De Heilige Geest maakt ons tot ware lidmaten van het lichaam van Christus. Daarin klinkt eenzelfde verwoording door als in antwoord 54 van de Heidelbergse Catechismus. Daar belijdt de leerling dat hij een levend lidmaat van Christus’ gemeente is en altijd zal blijven.

De formuleringen ‘ware lidmaten’ en ‘levend lidmaat’ zijn niet toevallig gekozen. Die formuleringen hebben alles te maken met het feit dat de kerk naast koren ook kaf bevat. Er zijn niet alleen levende maar ook dode lidmaten. In de gemeente van Sardis was dat zelfs de meerderheid en het Oude Testament laat ons zien dat het vaak meer was dan een rest. Daarom riepen de profeten de verbondskinderen zo nadrukkelijk op tot bekering.

In ons avondmaalsformulier en in de Heidelbergse Catechismus vinden we in het voetspoor van het Nieuwe Testament de oproep tot zelfonderzoek. Dat zelfonderzoek betreft niet alleen het functioneren van het geestelijk leven maar ook de vraag of wij in de staat der genade zijn of nog in de staat van verdoemenis en dat laatste element van zelfonderzoek mis ik dan weer in In Christus gedoopt. De oproep tot zelfonderzoek ontbreekt niet maar is nooit gerelateerd aan de vraag: Ben ik nu in Christus of niet? En als we Van Vlastuin volgen hoeft ook in de prediking die vraag niet aan de gemeenteleden te worden gesteld.

Wie echt gereformeerd en klassiek over theologie denkt, ziet de betekenis van theologie als wetenschap dat zij Gods gedachten nadenken op grond van wat Hij ons in de Schrift heeft geopenbaard. Zowel het bestaan van God Zelf als de inhoud en waarheid van Gods Woord staan of vallen niet met de vraag of wij het geloven. En dan weet ik eerlijk gezegd geen beter woord dan ‘objectief’. Echter het overtuigd zijn van het bestaan van de drie-enige God, het horen van het Woord, het behoren bij Gods gemeente en het ontvangen van de sacramenten maken mij nog geen levend lidmaat van Gods kerk.

Daarvoor is nodig dat de Heilige Geest het geloof in ons hart ontsteekt of anders gezegd dat wij wedergeboren worden tot een levende hoop (vgl. artikel 22 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Anders zijn we wel in de kerk maar niet van de kerk (vgl. artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Ik denk in dit verband ook aan de grote Franse denker Blaise Pascal (1623-1662). Hij was rooms-katholiek maar werd gewonnen voor de zogenaamde jansenistische stroming in de Rooms-Katholieke Kerk van het Frankrijk van zijn dagen. Hij wist zich een geestelijke zoon van de kerkvader Augustinus.

Pascal kan spreken over de oneindige kloof tussen God kennen (door de gereformeerde orthodoxie historische kennis genoemd) en God liefhebben (in de gereformeerde orthodoxie verbonden met het zaligmakend geloof). Pascal wist dat alleen God en niet de kerk met haar sacramenten die kloof kan overbruggen. Hij kon zeggen: ‘De Kerk onderwijst maar Gods Geest inspireert’. Bij inspireren denkt Pascal hier aan de levendmakende werking van Gods Geest.

Het verschil tussen Van Vlastuin en Pascal is dat Pascal het heil en de toe-eigening ervan echt van elkaar onderscheidt, terwijl Pascal zich juist zeer sterk gekeerd heeft tegen Descartes en zijn denken vanuit het menselijke subject. Alleen God kan de kloof tussen Hem en de mens overbruggen. Dat doet Hij als Hij Zijn liefde in het hart van de mens uitstort. Hij doet dat zonder dat de mens daarop aanspraak kan maken.

*

Theologie is allereerst het nadenken van Gods gedachten zoals Hij Die aan ons in Zijn Woord heeft geopenbaard

In de academische wereld in Nederland is voor theologie alleen plaats als verwoorden wat je gelooft en niet als nadenken van Gods gedachten zoals God Zich in de Schrift als Zijn Woord heeft geopenbaard. Het geloof dat je verantwoordt, mag orthodox-gereformeerde zijn, al acht men dit veelal niet de beste en meest voor de hand liggende optie. Maar op zich mag je verwoorden dat er alleen door Christus toegang tot God is, dat de Bijbel de stem van God is en dat er als het gaat om de eeuwige bestemming twee mogelijkheden zijn. Echter, je verwoordt daarmee je geloof en doet geen claim dat het gaat om iets wat objectief waar is en subjectief moet worden toegepast.

Ik denk in dit verband ook aan de Schriftwoorden: ‘Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven? Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch verwijfden (zo is terecht de Mechelse Vertaling; P.d.V.) noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het koninkrijk Gods beërven.’ (1 Kor. 6:9-10).

Allereerst merk ik op dat alle hier genoemde categorieën voor mij uiteindelijk van hetzelfde karakter zijn. En niet minder dat voor iedereen die in een van deze genoemde zonden leeft en daarin gevallen is, er in dit leven een weg terug is naar God. Ik voeg er aan toe dat er nooit een reden is om boven wie dan ook te gaan staan die in een van deze zonden leeft of er in valt. Laten we de waarschuwing van de apostel Paulus ernstig nemen: ‘Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.’ (1 Kor. 10:12). Ik zeg dat allereerst tegen mijzelf.

Als ik deze zaken naar voren bracht, is meer dan eens tegen mij gezegd: ‘U zou hier toch ook anders over kunnen gaan denken.’ Ik meen van niet, omdat Gods Geest Gods Woord in mijn hart heeft geschreven en het Woord van God is een onvergankelijk zaad (1 Petr. 1:23). Ech­ter, met het oog op de argumentatie ging en ga ik er dan vanuit dat ik anders zou kunnen gaan denken over de vraag hoe de brede weg eruit ziet en God na het sterven en op de jongste dag anders zal oordelen dan ons in de Schrift is geopenbaard.

Echter, dan bracht en breng ik naar voren: ‘Ga er dan niet vanuit dat God anders zal gaan oordelen, omdat ds. De Vries hier op aarde van gedachten is veranderd. Zijn Woord is waar, los of ik het al dan niet geloof.’ De waarheid van de Bijbel staat los van het feit of ik de Bijbelse boodschap als waar erken en de kracht ervan mocht ondervinden in mijn leven. Dat laatste is wel nodig en dat gebeurt als de Heilige Geest het Woord van God toepast aan ons hart en wij van onze kant gaan vragen.

Toen ik nog aan de Vrije Universiteit verbonden was, nam men mij het daar zeer kwalijk dat ik ervan uitging dat in 1 Korinthe 6:9-10 iets werd verwoord dat objectief waar is. Overigens betrof die verontwaardiging slechts twee van de tien genoemde categorieën, terwijl het aantal dat tot die twee categorieën behoort vele malen kleiner is dan die van de andere acht.

Hoe wij theologie zien is bepaald geen zaak van minder belang. Echte gereformeerde theologie is verbonden met de wetenschap dat een mens een vijand van God is, totdat hij met God wordt verzoend en dat hij een kind des toorns is totdat hij wedergeboren wordt tot een levende hoop. Wil een theologische opleiding echt een gereformeerd en belijdend karakter hebben, dan moeten naar de studenten toe deze zaken zeer helder worden verwoord. Zaak is toch dat een nieuwe generatie predikanten echt gezanten van Christus mogen zijn die ernstig maar ook vol bewogenheid de boodschap brengen: ‘Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.’ (2 Kor. 5:20).

Deze boodschap heeft iedereen nodig. Zij die naar de kerk gaan en zij die dat niet of niet meer doen. De boodschap is nodig voor hen die de sacramenten ontvangen of ontvangen hebben en ook degenen voor wie dat (nog) niet geldt. Deze boodschap kunnen we nooit breed genoeg delen en dat al helemaal in een samenleving waarin slechts een kleine minderheid de kerk – hoe breed we die ook nemen – bezoekt en dat onder een volk dat niet meer zoals tot aan het begin van de twintigste eeuw het geval was als een gedoopte natie kon worden getypeerd. Inmiddels is de meerderheid van onze landgenoten ongedoopt.

Dan is het gelukkig te weten dat Gods verbondstrouw verder reikt dan de verbondstekenen. Tot wie Hij wil en wanneer Hij wil, zendt God verkondigers van het Evangelie uit. In dit verband denk ik dan niet alleen aan predikanten, ouderlingen en diakenen, maar ook aan hen die geen bijzonder ambt bekleden maar vanuit het ambt van alle gelovigen het Evangelie delen met hen die op hun weg worden geplaatst. Dat mag gedaan worden in de wetenschap dat Gods Woord nooit ledig weerkeert. Als het harten raakt, leren mensen met de verloren zoon belijden: Vader, ik heb gezondigd en met de tollenaar bidden: ‘O God, wees mij de zondaar genadig.’

N.a.v. Dr. W. van Vlastuin, In Christus gedoopt. Ons doopformulier voor hart en hoofd (Apeldoorn: De Banier, 2025), hardcover 432 pp., €34,95 (ISBN 9789402912302)

4 gedachten over “In Christus gedoopt (1)

  1. Beste dominee,

    Ik schrik van uw recensie. Ik kan nauwelijks geloven dat Van Vlastuin zo fundamenteel is opgeschoven. Ik heb het boek niet (uitverkocht), maar hoop dat u langs elkaar heen praat.

    Zou het geen idee zijn om over uw bezwaren met hem contact opneemt alvorens u deel 2 schrijft?

    U ontving ook vast en zeker het Luthercitaat van vandaag.

    Met vriendelijke groet, Wilko Spaan

    Wilko Spaan Zuidzijde 115A 2411RW Bodegraven

    Like

    1. Ik heb voordat ik in 2021 vertrok vanaf 2009 mijn zorgen over zijn theologische ontwikkeling met hem besproken. Mijn bezwaren werden niet of nauwelijks gedeeld. Zo kwam ik tot het besluit mijn docentschap meer te leggen. COV heeft noch in het persbericht noch toen mijn vertrek verwoord werd in ZDOK de eigenlijke redenen van mijn vertrek gemeld. Dat is voor hun verantwoording. Niet alleen hier maar ook op andere terreinen was er tussen mij en Van Vlastuin een grote kloof. Zo vertrok ik van het seminarie. Mijn bede is dat de Heere Zich over Zijn kerk wil ontfermen.

      Like

      1. Dank u voor uw reactie. Ik heb hem lang niet meer horen preken. Maar hij gaat van links tot uiterst rechts voor. Dan moet dat toch in de prediking opvallen zou je zeggen.

        Wilko Spaan Zuidzijde 115A 2411RW Bodegraven

        Like

Geef een reactie op wilkospaan Reactie annuleren