We kunnen naar mijn overtuiging de Concordia Commentary typeren als een indrukwekkend middel om de tekst en ook de boodschap van de Bijbel beter te verstaan. Bij het begrijpen van de tekst denk ik aan de grondige analyse van de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament. Omdat deze analyse gegeven wordt in een afzonderlijke rubriek kan de Concordia Commentary ook worden gebruikt door hen die geen Hebreeuws beheersen. De grondige analyse en bestudering van de tekst van het Oude Testament wordt gedragen door de wetenschap dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God is waardoor God nog altijd tot ons spreekt.
Deze kenmerken blijken ook in het deel gewijd aan de twee post-exilische profeten Haggaï en Maleachi. Brian T. German de auteur ervan is universitair hoofddocent (associate professor) verbonden aan de afdeling theologie van de Concordia University Wisconsin en is directeur van het Concordia Bible Institute. Ongetwijfeld zijn de boeken van deze twee post-exilische profeten in één deel behandeld vanwege hun omvang. De omvang van het boek van Zacharia, de tijdgenoot van Haggaï, is veel groter en aan dit boek is dan ook een afzonderlijk deel in de Concordia Commentary gewijd.
In de inleiding op Haggaï komt aan de orde dat de profetieën van deze profeet in een vertellend kader staan. Altijd gaat het over de profeet in de derde persoon. Nergens wordt in dit kleine boekje voornaamwoorden van de eerste persoon gebruikt. Het gebruik van dit kader wijst niet op een stuntelige opzet van de redactor van de profetieën van Haggaï, maar door deze opzet wordt naast de inhoud van de profetieën de uitwerking ervan duidelijk en daarmee doet het een blijvend appel op latere lezers en hoorders van de profetieën van Haggaï tot op de dag van vandaag.
Een van de kenmerken van Haggaï is dat al zijn profetieën van een datum voorzien zijn. German noemt dit niet, maar dit kenmerk verbindt de profetieën van Haggaï met die van de profeet Ezechiël voor hem. German vraagt naar de inhoudelijke reden van de dateringen. Aan reeds door anderen gegeven verklaringen voegt hij toe dat de eerste datum, en wel de eerste van de zesde maand, betekent dat de dan volgende profetie op het feest van de nieuwe maan is uitgesproken. De profetie in Haggaï 2:2 werd uitgesproken aan het begin van het Loofhuttenfeest. Dan wordt namelijk de 21e van de zevende maand als datum genoemd. Als tweede reden noemt German dat de lezer zo een verband kan leggen met andere Schriftgedeelten zowel in Haggaï zelf als daarbuiten, en dan gaat het concreet om Zacharia, de tijdgenoot van Haggaï (vgl. Zach. 1:1 en 7:1).
German legt uit dat in de drie dateringen de naam Darius voorkomt. De eerste twee keer wordt hij koning genoemd maar de derde keer wordt alleen de naam Darius vermeld en bij de laatste datering in Haggaï wordt niet meer naar de regering van Darius verwezen. We lezen dan nog wel van Zerubbabel.Geestelijk is Zerubbabel als nazaat van David veel belangrijker dan Darius. De HEERE stelt hem tot een zegelring.
German wijst erop dat in Haggaï 2:14 de profeet de vraag van de priesters beantwoordt zonder dat in zijn antwoord naar de HEERE wordt verwezen. Dat laat zien dat de profeet helemaal het woord van de HEERE belichaamt. Haggaï is ongetwijfeld een historisch figuur maar hij staat model voor het ambt van profeet zoals Zerubbabel model staat voor het ambt van koning. Op deze wijze verklaart German ook de overgang van Jozua de hogepriester naar de niet met name genoemde priesters in Haggaï 2:12. Jozua belichaamt het priesterlijke ambt.
German wijst er nog op dat wij in het op één na kortste boekje van het Oude Testament een opmerkelijk aantal herhalingen vinden. Zo komt de naam HEERE 35 maal voor en die van HEERE der heirscharen 14 maal. German noemt het niet, maar in beide gevallen gaat het om veelvouden van zeven; een getal dat vooral in de priesterlijke taal een grote plaats had.
Bij de uitleg van Haggaï 2:8 komen uiteraard de verschillende mogelijkheden voor de uitleg van dit vers naar voren. Hiëronymus opende met de wijze waarop hij dit vers in de Vulgata vertaalde de mogelijkheid voor een messiaanse interpretatie. Deze uitleg heeft grote invloed gehad in de kerkgeschiedenis. De concrete uitwerking is niet altijd gelijk. Meestal verbindt men de Wens van alle heidenen met de eerste komst van Christus maar Augustinus met Zijn tweede komst. Het feit dat German hier en ook wel op andere plaatsen aandacht geeft aan de uitleg van een tekst in de kerkgeschiedenis verhoogt voor mij de waarde van dit commentaar. Meerdere commentaren laten dat geheel na, maar wij zijn niet de eersten die de Bijbel lezen en wij doen er goed aan kennis te nemen hoe in de eeuwen voor ons een tekst werd verstaan, al hoeven we dat verstaan niet zondermeer te volgen.
Bij de laatste profeet van het Oude Testament is de vraag of Maleachi een eigennaam is dan wel vertaald moet worden met ‘Mijn bode’ en het laatste Bijbelboek van het Oude Testament dus anoniem is. German wil dit niet uitsluiten, maar houdt toch heel nadrukkelijk de mogelijkheid open dat het een eigennaam is en dat de profeet in zijn boekje op zijn eigennaam zinspeelt. Ongetwijfeld wordt in Maleachi 1:1 (Mijn bode) reeds vooruitgewezen naar Maleachi 3:1 en ook naar Maleachi 2:7. Dat zien we ook bij Micha. Hij zinspeelt op zijn naam als hij in Micha 7:19 schrijft: ‘Wie is een God als Gij?’ Wellicht doet Jesaja dat ook als hij in Jesaja 12:2 schrijft ‘God is mijn heil’. Niemand twijfelt er aan dat Micha en Jesaja eigennamen zijn. Duidelijk is hoe dan ook dat de profeet helemaal samenvalt met de boodschap van het boek dat de naam Maleachi draagt.
Kenmerkend voor de stijl van Maleachi is dat zijn boodschap gegeven wordt in de vorm van zes disputen die besloten worden met een epiloog die wij vinden in Maleachi 4:4-6. De disputen gaan van een bewering via een vraag naar een antwoord. Soms wordt een vraag allereerst beantwoord met een andere vraag (Mal. 1:2 en 6). Op een aantal vragen wordt geen antwoord gegeven (vgl. 1:8, 9, 13; 2:10; 3:2). Opmerkelijk is ook dat in 47 van de 55 verzen die dit Bijbelboekje telt de HEERE in de eerste persoon aan het woord is. Ook qua taal is het boekje zeer theocentrisch.
Het boek Maleachi zelf geeft geen aanwijzingen waar de profeet gelokaliseerd moet worden. Veelal neemt men aan ergens in de vijfde eeuw vóór Chr. Heel mooi merkt German op dat de vraag van dit Bijbelboekje aan ons is waar wij gelokaliseerd moeten worden: bij degenen die de HEERE vrezen, of die dat niet doen.
Het commentaar van German bevat twee excursen. In de eerste excurs wordt gewezen op het feit dat de tekst van de Septuaginta een tweetal verduidelijkende toevoegingen kent. De tweede excurs is gewijd aan het verstaan van de woorden: ‘Jacob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat’ (Mal. 1:2-3) door Augustinus, Erasmus, Luther en Calvijn. German merkt op dat vele eigentijdse commentatoren vaak meer zeggen over wat de genoemde woorden niet dan wat ze wel betekenen.
Dat deze woorden direct of indirect met de zaligheid hebben te maken wordt door de meesten ontkend. ‘Haten’ zou hier alleen maar betekenen ‘op de tweede plaats stellen’. In feite, zo blijkt dat uit de excurs, is dit de lijn van Erasmus. Die meent dat het bij liefhebben en haten gaat om tijdelijke zegeningen. Als het gaat om de zaligheid, heeft God mensen lief omdat Hij van tevoren voorziet dat zij het Evangelie geloven en Hij haat mensen omdat hij van tevoren hun kwade daden voorzag. Aanvankelijk dacht de kerkvader Augustinus ook in deze lijn, maar hij ging verstaan dat Gods genade ons geloof voorafgaat. Ezau wordt gehaat vanwege de erfzonde en Gods liefde tot Jacob is enkel genade en niet op werken en ook niet op toekomstige werken gebaseerd.
Luther gaat in de lijn van de latere Augustinus. Hij bestrijdt dat het bij Gods liefde en haat slechts om tijdelijke zegeningen gaat. Het gaat om de zaligheid in Christus en het geloof in Hem als genade gave van God. Evenals Luther en Augustinus denkt Calvijn aan de onveranderlijke raad van God. German heeft gelijk dat Calvijn op een enkele plaats in zijn werk kan spreken over Gods verwerping zonder expliciet de erfzonde te noemen. Mijns inziens moeten we Calvijn hier zo begrijpen dat wij niet kunnen verklaren dat God de een voorbijgaat en de ander verkiest en alleen op Gods welbehagen kunnen wijzen. Het verschil met Luther is minder groot dan German suggereert.
Daarbij komt dat de Dordtse Leerregels heel nadrukkelijk niet over Gods verwerping willen spreken los van de erfzonde. Uitspraken over Gods verwerping zonder de erfzonde expliciet te noemen worden op de Dordtse synode tot de ‘harde uitspraken’ gerekend die de Dordtse vaderen op zijn minst onverstandig vonden en die omdat zij toelichting nodig hadden beter niet gedaan kunnen worden.
Verschil tussen de gereformeerden en de luthersen blijft dat de luthersen enkel over de verkiezing willen spreken. Echter, als de verkiezing een eeuwige en onveranderlijke verkiezing is, is er ook een keerzijde, namelijk het voorbijgaan. Op die wijze komt de keerzijde van de verkiezing aan de orde in de Dordtse Leerregels. Gereformeerde theologen leren niet dat de zonde door God gewild is maar wel dat zij een plaats heeft in Gods raad omdat Hij alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil. De luthersen willen hier alleen over Gods voorwetenschap spreken.
Wat luthersen en gereformeerden weer aan elkaar verbindt is dat de leer van de verkiezing tot troost van de gelovigen is. Nadrukkelijker dan de luthersen spreken gereformeerde theologen over de inwoning van Gods Geest in de harten van de gelovigen in relatie tot de troost van de verkiezing en de volharding der heiligen. Ja, en dan ben ik een gereformeerd christen zoals German een luthers christen is.
Ik ga nog in op de uitleg die German zelf biedt van Maleachi 1:2-3 en dat ook in relatie met Genesis 25:23. Hij wijst erop dat dit allereerst betekent dat niet Ezau maar Jacob de drager van de messiaanse belofte mag zijn. Uit zijn nageslacht en niet dat van Ezau zal de Zaligmaker voortkomen. Het feit dat Ezau niet de drager werd van de messiaanse beloften betekende nog niet dat hij niet in de zaligheid kon delen.
Ook Hagar was niet de moeder van de zoon die de drager van de messiaanse belofte mocht worden. German verwijst dan naar Luther die ervan overtuigd was dat zowel Hagar als haar zoon Ismaël wel in de zaligheid mochten delen. Zelf merk ik op dat Luther in deze opvatting bepaald niet alleen staat. Uitleggers hebben dan verwezen naar de woorden van Hagar: ‘Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?’ (Gen. 16:13) Van Ismaël lezen we dat hij bij zijn sterven ‘verzameld werd tot zijn volken’ (Gen. 25:17). Deze uitdrukking wordt elders in het Oude Testament louter voor het sterven van gelovigen gebruikt.
Volgens de gereformeerde leer kunnen we in dit leven wel weten verkoren te zijn maar nooit mogen we van onszelf of anderen zeggen dat zij verworpen zijn. In aanvulling op wat German over deze tekst schrijft zou ik willen opmerken dat de levensgang van Ezau ons laat zien dat hij het niet belangrijk vond om de drager van de messiaanse belofte te zijn en wel gewild had dat Izak berouw kreeg over het feit dat hij Jacob had gezegend maar nooit in de schuld kwam over zijn eigen gedrag.
Daarom kan Paulus deze tekst uit Maleachi 1:2-3 in Romeinen 9:13v ook toespitsen op de persoonlijke zaligheid. God gaat in Zijn vrijmacht mensen voorbij die vanwege hun erfzonde dat hebben verdiend en schenkt uit louter genade geloof. Van belang is wel op te merken als Paulus schrijft over het geloof van Israël, hij ook naar voren brengt dat God machtig is Joden die nu ongelovig zijn weer in te enten in de ene olijfboom.
Na deze door mijzelf gemaakte opmerkingen keer ik terug naar het commentaar van German. Het is een rijk commentaar niet in de laatste plaats omdat de theologische boodschap van de tekst voor hem terecht een integraal onderdeel is van de uitleg ervan.
Brian T. German, Haggai and Malachi, Concordia Commentary (St. Louis: Concordia Publishing House, 20024), hardcover 588 pp., $69,99 (ISBN 9780758662941)