Een lijvig maar niet overtuigend boek over Israël en de kerk

Inleiding

Alweer ettelijke jaren geleden schreef dr. Willem J. Ouweneel een supplement bij zijn twaalfdelige Evangelisch-Dogmatische Reeks. Dat kreeg de titel: Het Israël van God. Ontwerp van een Israëltheologie. Mij werd pas geleden nog weer eens gevraagd naar de visie van Ouweneel op Israël. Daarom nam ik dit werk nog eens ter hand. Het is een lijvig werk. De auteur schrijft wat wijdlopig maar vooral komt er ook veel aan de orde. Niet alleen de plaats van Israël in het Oude en Nieuwe Testament, maar ook de relatie tussen Joden en christenen in de loop der eeuwen tot op de dag van vandaag.

Dan maakt ook dit boek ons duidelijk dat christenen vaak wel heel diep tekortgeschoten zijn in hun opdracht Joden tot jaloersheid te verwekken. Ouweneel verbindt de terugkeer van Joden naar het land der vaderen en de oprichting van de Joodse staat met Gods trouw aan Israël. Tegelijkertijd spreekt hij op realistische wijze over de Palestijnse kwestie. Het feit dat het hele land door God aan Israël is toegezegd, is geen blauwdruk voor politiek handelen en geen vrijbrief tot onrecht. De uiteindelijke vervulling van de landbelofte koppelt Ouweneel terecht aan de bekering van Israël. Meer dan menigeen die het Joodse volk een warm hart toedraagt, heeft Ouweneel oog voor de complexiteit van wat we de Palestijnse kwestie noemen.

Ook uit dit boek blijkt de grote feitenkennis van de auteur. Ik constateer daarnaast ook dat hij meer dan eens cruciale exegetische en theologische beslissingen simpel meedeelt in plaats van breed onderbouwt. Dat geldt ook voor allerlei onderscheidingen die hij maakt. Ik denk aan het voor hem fundamentele onderscheid van het maken van toepassingen uit profetieën en de uitleg of vervulling ervan. Waar profetieën in het Nieuwe Testament worden aangehaald op een wijze die niet in zijn dogmatische schema past, spreekt hij over toepassingen in plaats van vervulling.

Een nieuwtestamentische onderbouwing van het gemaakte onderscheid ontbreekt en naar mijn diepe overtuiging is die onderscheiding ook vreemd aan het Nieuwe Testament zelf. Dit maakt het verwijt van Ouweneel aan hen die als het gaat om Israël en de gemeente/kerk anders lezen dan hij, dat zij een dogmatisch raster op de Schrift leggen en te weinig aan serieuze exegese doen, niet erg overtuigend. Meer dan eens blijkt Ouweneel kennelijk geen raad te weten met de duidelijke betekenis van nieuwtestamentische teksten. Dan is zijn exegese weinig serieus en legt hij een dogmatisch raster over teksten. Ik kom hier later op terug.

Met Ouweneel geloof ik dat het Joodse volk een blijvende plaats heeft in Gods bedoelingen en dat onder de nieuwe bedeling ook de landbelofte betekenis houdt. Als ik dit laatste stel, voeg ik er wel aan toe dat de landbelofte en de belofte van het uiteindelijke herstel van Jeruzalem in het Nieuwe Testament vooral ook universele trekken krijgen. Het visioen van het nieuwe Jeruzalem als de stad die geen tempel nodig heeft, omdat de Heere, de almachtige God, Zelf en het Lam haar tempel is, laat ons de uiteindelijke vervulling van Gods beloften zien. Met de neerdaling van het nieuwe Jeruzalem uit de hemel bij de wederkomst van de Heere Jezus Christus is het herstel van Israël en Sion waarin naast de Joden ook de volkeren mogen delen, voltooid.

Wanneer Ouweneel stelt dat een Jood die Jezus als de Christus leert belijden, cultureel een Jood mag blijven, heeft hij het Nieuwe Testament aan zijn kant. Helaas verdween dat besef al vrij vroeg in de christelijke kerk. Terecht stelt hij zich ook kritisch op tegenover het verschijnsel dat wij nu wel zien, dat christenen die helemaal geen Joodse wortels hebben, zich als Joden gaan gedragen. In de brief aan de Galaten heeft Paulus ernstig tegen deze handelswijze gewaarschuwd. Ouweneel weet dat Jezus de beloofde Messias van Israël is en gaat daarom niet mee met de gedachte dat er voor een Jood zaligheid is buiten het geloof in Hem. Tegelijkertijd is hij hier niet helemaal duidelijk en kan hij ook een geluid geven dat daar niet mee spoort.

*

Dezelfde argumenten die door vervangingstheologen worden gebruikt, hanteert Ouweneel voor zijn zienswijze

Ouweneel keert zich telkens tegen de vervangingstheologie. Hij typeert deze bij voorkeur als supersessionisme. Kenmerkend daarvoor is dat de kerk Israël heeft vervangen en het Joodse volk geen bijzondere plaats meer heeft in Gods heilplan. Hij typeert het supersessionisme als volgt: Gods beloften aan Israël en dan met name de landbelofte worden vergeestelijkt.

Nu is het opmerkelijk dat Ouweneel tegelijkertijd verdedigt dat God Israël tijdelijk terzijde heeft gesteld en in deze bedeling Zijn werk in de gemeente voortzet. Hij beroept zich dan vooral op de profetie van Hosea. Israël is in de huidige bedeling Lo-ammi (niet Mijn volk). Dat geldt – voor zover ik begrijp – sinds de kruisdood van Christus, maar soms krijg ik ook de indruk dat het al vanaf de dagen van Hosea geldt.

Ouweneel constateert terecht dat de terugkeer uit de Babylonische ballingschap bepaald niet voldeed aan het door de profeten aangekondigde herstel van Israël. Echter, als de profeten spreken over het verbreken van Gods verbond en als Hosea Israël Lo-ammi noemt, is dat nooit absoluut. Dat blijkt al uit het feit dat er altijd een rest overblijft die getrouw is. Niet voor niets heeft Ezechiël daarom in vertwijfeling gevraagd of God ook de rest of het overblijfsel van het volk zal vernietigen (Ezechiël 9:8). Dat blijkt niet het geval. Ook in de ballingschap zal God Zijn volk in de vorm van een klein heiligdom of een heiligdom voor korte tijd nabij zijn (Ezechiël 11:16).

Dat God Israël in deze bedeling volledig terzijde heeft gesteld ten gunste van de gemeente, zeg ik dan ook Ouweneel bepaald niet na. Het verschil tussen de zienswijze van Ouweneel en de traditionele vervangingsleer is dat voor Ouweneel de terzijdestelling van Israël tijdelijk is maar in de vervangingsleer definitief. Ouweneel hanteert echter precies dezelfde argumenten, namelijk de gelijkenis van de boze wijngaardeniers en van de koninklijke bruiloft.

Ik zet kanttekeningen bij de uitleg van deze gelijkenissen zoals die zowel door vervangingstheologen als door Ouweneel wordt gegeven. Als de Heere Jezus zegt: ‘Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven dat zijn vruchten voortbrengt’ (Mattheüs 21:43), richt Hij deze woorden tot de geestelijke leidslieden van Israël en tot het volk Israël in zijn geheel. De eerste vervulling van het andere volk zijn de geestelijke leiders van de nieuwtestamentische gemeente.

Als in de gelijkenis van de koninklijke bruiloft de stad in brand wordt gestoken, is het helemaal niet zeker dat dit een zinspeling is op de val van Jeruzalem. Daarvoor was het verbranden van een stad iets wat zeer gebruikelijk was in een oorlog. Ook al nemen we een zinspeling op de val van Jeruzalem aan, dan mogen we daaruit nog niet concluderen dat Israël – al is het maar voorlopig – terzijde is gesteld. Het oordeel over het Jodendom vertegenwoordigd door farizeeërs en Schriftgeleerden is niet een oordeel over het Jodendom als geheel. Deze uitleg vindt steun in de gelijkenis van de verloren zoon. De jongste zoon staat niet model voor de heidenen maar voor de hoeren, tollenaren en zondaren in Israël. Evenmin staat de oudste zoon model voor Israël als geheel. De oudste zoon representeert allen die zich kunnen vinden in de geestelijke leiding van Schriftgeleerden en farizeeërs.

*

De nieuwtestamentische gemeente wordt losgemaakt van het Oude Testament

In de visie van Ouweneel is het onderscheid tussen Israël en de gemeente essentieel. Die twee moeten volgens hem heel strikt van elkaar worden gescheiden. De gemeente van de nieuwe bedeling staat niet in continuïteit met het Israël van de oude bedeling, maar is een geheel nieuw en vanuit oudtestamentisch perspectief totaal onvoorzien verschijnsel. Daarmee doet hij onder andere geen recht aan het gebruik van het woord ekklesia in het Nieuwe Testament.

Ouweneel wil dit woord uitsluitend vanuit niet-Joodse hellenistische bronnen verklaren. Daar gaat het om de gemeenschap van burgers die aan een polis (stad/stadstaat) zijn verbonden. Zo komen we ekklesia tegen in Handelingen 19:32 in de geschiedenis die de volksoploop in Efeze beschrijft. Als de volgelingen van Jezus als een ekklesia kunnen worden getypeerd, heeft men daar ook ongetwijfeld in gehoord dat zoals in de eigentijdse samenleving de ekklesia op de polis is gericht, de gemeente van Christus waarvan men deel mocht uitmaken, georiënteerd was op het nieuwe Jeruzalem dat eenmaal uit de hemel zou neerdalen (vgl. Filippenzen 3:20).

Echter, deze stad werd al door de oudtestamentische gelovigen verwacht (vgl. Hebreeën 11:10 en 16) en in de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, vinden we het woord ekklesia voor de vergadering van het volk van Israël. Ouweneel doet geen recht aan het feit dat het Nieuwe Testament literair gezien een bundel is van Joodse geschriften. De eerste lezers en hoorders van het Nieuwe Testament lazen of hoorden het Oude Testament in de vorm van de Septuaginta.

We moeten daarom allereerst naar de oudtestamentische achtergrond van Griekse woorden in het Nieuwe Testament vragen en dan pas naar hun betekenis in niet-Joodse hellenistische lectuur. Concreet denk ik, behalve aan het woord ekklesia, ook aan woorden als kurios (heer/Heere/HEERE) en eirènè (vrede). In de rede van Stephanus wordt het woord ekklesia in Handelingen 7:38 voor de vergadering van het volk van Israël in de woestijn gebruikt. In Handelingen 8:1 lezen we dan over de vervolging van de ekklesia in Jeruzalem. Zo wordt al in het woordgebruik duidelijk dat de nieuwtestamentische gemeente de voortzetting en vervulling is van de oudtestamentische gemeente.

Met het uit elkaar halen van Israël en de gemeente projecteert Ouweneel latere ontwikkelingen terug naar het Nieuwe Testament. Echter, niet minder dan de farizeeërs, de sadduceeërs en Essenen hoorden de mensen van de weg (een typering van de volgelingen van de Heere Jezus) tot het Joodse volk. Van buitenaf gezien was de christelijke gemeente een ‘stroming’ (de oudere vertalingen hebben de vertaling ‘sekte’) binnen het Joodse volk. De tegenstelling tussen het Jodendom en het christendom bestond nog niet. Heel langzaam heeft de gemeente zich losgemaakt van het Joodse volk en kwam er een moment dat het Jodendom het belijden van Jezus als de Christus onverenigbaar achtte met het behoren tot het Joodse volk, maar dan zijn we al wat verder in de tweede eeuw en ook dan is het uiteengaan van Jodendom en de christelijke gemeente niet volledig.

De eerste christenen waren allemaal Joden die wisten dat met de kruisdood van Christus, gevolgd door Zijn opstanding, hemelvaart en de uitstorting van de Heilige Geest, het herstel van Israël en daarmee het laatste der dagen was aangebroken. Met Zijn hemelvaart had de Heere Jezus Christus de troon van Zijn vader David beklommen. Men zag ernaar uit dat Hij bij Zijn wederkomst de dood zou overwinnen en het hemelse Jeruzalem in de vorm van het nieuwe Jeruzalem op aarde zelf zou oprichten. Dan zal er een stad komen die geen tempel nodig heeft (Openbaring 21:22). Wanneer Ouweneel meent dat er een derde tempel komt, is dit zowel strijdig met wat wij lezen in het boek Openbaring als in de brief aan de Hebreeën.

De oudtestamentische dienst van het heiligdom is verouderd en nabij de verdwijning (Hebreeën 8:13). Wij hebben nu een Hogepriester naar de ordening van Melchizedek. Aan Zijn dienst komt geen einde. Zou bij Zijn wederkomst de oudtestamentische dienst van het heiligdom worden hersteld, dan zou Hij het binnenste van dit heiligdom niet mogen betreden en Zijn hogepriesterschap aan kracht gaan inboeten.

De volkomen vervulling van Gods beloften waarover de profeten spraken, vinden we in het boek Openbaring niet in het visioen van het rijk maar in het visioen van het nieuwe Jeruzalem. De stad die neerdaalt is gelijk te stellen met het heilige der heiligen. Door de stad loopt een rivier die de vervulling is van het tempelvisioen van Ezechiël, enz.

*

Een onjuist beroep op Handelingen 15:14

Ouweneel meent in Handelingen 15:14 grond te vinden voor zijn zienswijze om Israël en de gemeente uit elkaar te halen. We lezen daar: ‘Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam.’ Ouweneel concludeert hieruit dat God twee volkeren heeft: Israël en de gemeente. Echter, Jacobus en de andere apostelen behoorden tot Israël, en wel de getrouwe rest ervan, en zo maakten ze deel uit van de nieuwtestamentische gemeente. Jacobus beroept zich op Amos 9:11-12. Dan volgt hij hierbij de wijze waarop de Septuaginta deze woorden weergeeft. Hij wijst erop dat de belofte van het beloofde herstel van het huis van David in de dagen van de apostelen tot vervulling is gekomen.

De beloofde Zoon van David is namelijk verschenen en naar Gods belofte bekeren zich nu ook de heidenen tot de levende God. Het feit dat God ook uit de heidenen een volk verzamelt, betekent niet dat God twee volken heeft. Naast het joods-christelijk deel mag de gemeente ook een heidens-christelijk deel hebben waarvan niet wordt gevraagd dat zij onder de mozaïsche wet komen. Samen vormen deze twee delen de ene gemeente of de ene kudde van Christus. Christus Zelf had al gesproken over andere schapen die Hij ook moest toebrengen. De toebrenging van de heidenen was al door de oudtestamentische profeten voorzegd. Dat heidenen binnen de gemeente eenzelfde plek zouden krijgen als Joden, was niet voorzien. Daarin overtrof de vervulling de belofte, maar er zijn geen twee volken van God of twee bruiden. Dan zou de middelmuur van afscheiding niet echt afgebroken zijn.

*

Het verbond, Israël en de gemeente van Christus

Ouweneel heeft behoorlijke kritiek op de gereformeerde verbondsleer. Aan het kernelement ervan doet hij geen recht, namelijk dat God altijd trouw blijft aan Zijn verbond en daarom van geslacht tot geslacht blijft werken. Daarom is er ook onder de nieuwe bedeling en binnen de gemeente van Christus een blijvende plaats voor het Joodse volk. Die laatste conclusie trekt Calvijn niet tot nauwelijks, maar we zien dat wel bij de puriteinen en de mannen van de Nadere Reformatie. Ouweneel noemt ook dit laatste, maar het heeft hem er niet toegebracht zijn kritiek op de gereformeerde verbondsleer te heroverwegen.

De gedachte dat God twee programma’s heeft en daarmee twee volken en Christus ook twee bruiden, is vreemd aan het Nieuwe Testament en doet geen recht aan het feit dat de nieuwe bedeling de vervulling is van de oude bedeling en het nieuwe verbond de vervulling van het oude verbond. Dit wordt elke keer onderstreept als de dood des Heeren bij de bediening van het avondmaal wordt verkondigd.

In de brief aan de gemeente van Efeze wijst Paulus erop dat hij en zijn Joodse medewerkers reeds hun hoop op Christus hadden gevestigd en dat inmiddels ook heidenen dat deden (Efeze 1:12-14). Zo hebben zij deel gekregen aan het burgerschap van Israël en aan de verbonden van de belofte met Israël gesloten (Efeze 2:12). De Joodse belijders van Jezus als de Christus zijn burgers en de heidenen die Jezus als de Christus belijden, zijn medeburgers van de heiligen (Efeze 2:19).

Binnen de gemeente van Christus hebben Jood en heiden op dezelfde wijze deel aan de vervulling van de oudtestamentische beloften en profetieën. Zeker is dat de christelijke gemeente zich blijvend verbonden moet weten met het Joodse volk, en dat besef heeft vele eeuwen op zijn best gesmeuld en was in grote delen van de kerk afwezig.

Israël of het Joodse volk is niet vervangen door de gemeente, maar het Joodse volk is evenmin tijdelijk terzijde gelegd. In Romeinen 9-11 benadrukt Paulus juist dat de verwerping van Israël niet volledig is. Evenals onder de oude bedeling is er nog een getrouwe rest. Daarnaast zal er, zo weet Paulus, aan het ongeloof van Israël een einde komen. Dat laatste vinden we ook bij Ouweneel, maar aan het eerste gaat hij volledig voorbij.

*

Slotevaluatie

Ik ben in mijn bespreking niet volledig. In de Vroege Kerk geloofden meerderen in een duizendjarig rijk dat aan het laatste oordeel voorafgaat. Echter, het Joodse volk heeft daarin geen bijzondere plaats. Het duizendjarig rijk is er in de Vroege Kerk voor degenen die in dit leven in Christus hebben geloofd en wel met name de martelaren. Het is een soort voorspel op de eeuwige heerlijkheid.

Op de aanval van Gog en Magog gaat men niet in en bij de chiliastische zienswijze van de Vroege Kerk gaat het duizendjarig rijk min of meer geruisloos over in de eeuwige heerlijkheid. Opmerkelijk is dat Athanasius en de latere Augustinus, die niet chiliastisch dachten, juist wel heel uitdrukkelijk spraken over een toekomstige bekering van het Joodse volk. Dit zijn zaken die bij Ouweneel niet uit de verf komen.

Samenvattend: Ouweneel doet niet echt recht aan het Joodse karakter van het Nieuwe Testament en het Joodse karakter van de gemeente van Christus. In de eerste eeuw was onder de Joden de vraag: Hoe lezen we Mozes en de Profeten? Wie zijn het Israël van God en wie zijn het ware zaad van Abraham? Bij de antwoorden op die vragen gingen de antwoorden van de Joodse volgelingen van Jezus en Joden die Jezus niet als de Messias erkenden uiteen. Het boek Handelingen getuigt niet van een terzijdestelling van het Joodse volk, maar laat zien dat er een tweedeling in het Joodse volk ontstaat en daarnaast dat heidenen zich voegen bij de Joodse rest die Jezus als de Christus belijdt.

Ouweneel kan zijn visie alleen stand houden door latere ontwikkelingen die pas in de tweede eeuw echt contouren krijgen, terug te projecteren naar de eerste eeuw na Christus. Zijn zienswijze dat er twee volken zijn en dat er zelfs drie oordelen komen en dat er een periode van onbekende tijdsduur tussen de 69e en 70e jaarweek van Daniël ligt, getuigt niet van grondige exegese. Zo wordt een dogmatisch raster over zowel het Nieuwe Testament als het Oude Testament gelegd. Het Nieuwe Testament/Verbond is de vervulling van het Oude Testament/Verbond.

Principieel begon die vervulling met de eerste komst van Christus en met de uitstorting van de Heilige Geest. Wie zoals Ouweneel de gemeente losmaakt van Israël, kan geen recht doen aan het feit dat de uitstorting van de Heilige Geest niet minder dan de komst van de Messias de vervulling is van de oudtestamentische beloften voor Israël.

Met Ouweneel ben ik ervan overtuigd dat christenen mogen weten dat er nog bijzondere beloften liggen voor het Joodse volk als geheel. Niet alleen zal de christelijke kerk onder haar leden altijd Joden hebben (ook dat aspect van de belofte geldt geen andere volken), maar eenmaal zal geheel Israël zalig worden. De polemische manier waarop Ouweneel zijn zienswijze presenteert, doet, naast het feit dat hij zijn eigen uitgangspunten niet grondig uiteenzet, af aan de betekenis van dit boek. Een boek dat inmiddels door een ander boek is gevolgd waarin hij dezelfde grondlijnen volgt. Ik denk met name aan het dit jaar verschenen boek: Het Lam, de draak en de Domtoren.

Exegetisch is er voor allerlei onderscheidingen die Ouweneel aanbrengt naar mijn vaste overtuiging geen grond. Geestelijk zie ik als bezwaar dat het bestuderen van al deze onderscheidingen ons snel afhoudt van wat het meest wezenlijk is: het voorbereid zijn op en het uitzien naar – en dat elke dag opnieuw – de wederkomst van Christus. Dan hoeven we geen tijden en gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen hand gesteld heeft. Dan hebben we genoeg aan de opdracht al de volken te onderwijzen en te weten dat onder de volken het Joodse volk een bijzondere plaats houdt en wij om de bekering van heel dat volk mogen bidden.

Dr. Willem J. Ouweneel, Het Israël van God. Ontwerp van een Israëltheologie (Hoornaar: Gideon Academic, 2019), hardcover 768 pp., €49,95 (ISBN 978-90-5999-1385)

Plaats een reactie