De Reformatoren en het belang van kennis van de brontalen
Is het van belang dat predikanten de brontalen kennen en moeten studenten bij hun opleiding op dat gebied een behoorlijke bagage worden meegegeven? Voor de Reformatoren leed dat geen enkele twijfel. Sola Scriptura (de Schrift alleen) was bij hen verbonden met de overtuiging dat voor de kerk de handschriften in de brontalen het uitgangspunt voor de exegese en, in het verlengde daarvan, voor de prediking moeten zijn.
Vanuit de Bijbel in de brontalen oefenden de Reformatoren kritiek uit op opvattingen van de kerk van hun dag die met een beroep op de Vulgata, de gezaghebbende Latijnse vertaling, werden gerechtvaardigd. Voor de Reformatoren stond vast dat goede theologie begint met goede filologie, en daarbij is grondige kennis van de brontalen onontbeerlijk. Daarom was het ook de overtuiging van de Reformatoren dat aanstaande predikanten academisch geschoold moeten zijn. Kennis van de brontalen kreeg aan universiteiten in landen en gebieden waar de Reformatie ingang vond een centrale plaats. In deze tijd werd de theologie nog als de koningin van de wetenschappen gezien.
*
Veranderingen aan de universiteiten
In de negentiende eeuw veranderden universiteiten van karakter. Er kwamen nieuwe faculteiten buiten die van theologie, rechten en medicijnen. De universiteiten kregen ook een seculier karakter. Dat gold ook voor Nederland. De vraag werd gesteld of theologie wel een plaats mocht houden aan een universiteit. De gedachte was dat wij over God geen kennis kunnen hebben en dat theologie daarom een object van wetenschap mist. Toch bleven theologische faculteiten gehandhaafd. Daarnaast ontstonden theologische hogescholen (nu theologische universiteiten) en in 1886 de Vrije Universiteit. Deze universiteit werd opgericht vanuit de overtuiging dat wetenschap bedrijven om een christelijke visie op wetenschap vraagt.
Echter, aan het belang van kennis van de brontalen werd tot in de tweede helft van de twintigste eeuw ook aan openbare universiteiten niet getornd. De Universiteit Leiden, die een bolwerk werd van vrijzinnigheid, had ook een faculteit Semitische talen van wereldfaam. Aan universiteiten en theologische hogescholen moesten studenten in principe in het eerste deel van hun studie zo’n 40 hoofdstukken van het Hebreeuwse Oude Testament (toen het kandidaatsexamen, nu de bachelor) doornemen. Bij het Nieuwe Testament ging het om een evangelie, het boek Handelingen en vaak ook nog een van de wat langere brieven van Paulus.
Een klein deel van het Oude Testament is in het Aramees geschreven. In Utrecht – en dat was ook bij andere theologische opleidingen zo – was Aramees niet verplicht. Wel bood de theologische faculteit van de Universiteit Utrecht, evenals die van Leiden, facultatief jaarlijks een module Aramees aan. Die werd gegeven, of er nu twee of tien belangstellenden waren.
Toen ik in 1974 in Utrecht aankwam, waren deze eisen al verlaagd. Het aantal hoofdstukken van het Hebreeuwse Oude Testament was teruggebracht van 40 naar 25. Dr. B. Maarsingh, de oudtestamenticus van wie ik les kreeg, was daar diep verontwaardigd over. Omdat ik besefte dat de bagage die ik zou meekrijgen niet al te groot zou zijn, besloot ik om naast theologie Semitische talen te gaan studeren met als hoofdvakken Hebreeuws en Aramees. Dat kon toen nog in Utrecht. Voor het Bijbelse Hebreeuws moest ik toen honderd hoofdstukken uit het Oude Testament doornemen, waarvan 25 ongevocaliseerd, dat wil zeggen: zonder de tekens voor klinkers. Oorspronkelijk werden de handschriften van het Oude Testament namelijk zonder vocaal- of klinkertekens geschreven en overgeschreven.
*
De situatie op het gebied van academische theologieopleidingen in Nederland
Inmiddels staat de zienswijze dat grondige kennis van de brontalen onontbeerlijk is voor een theoloog onder zware druk, en dat niet alleen bij openbare, maar ook bij theologische faculteiten. Dat heeft er onder andere mee te maken dat theologische opleidingen het opleiden van predikanten veelal niet meer als eerste prioriteit hebben. Maar het gaat verder: het besef dat predikanten goed thuis moeten zijn in de brontalen is niet meer vanzelfsprekend.
Ik weet niet wat precies de eisen zijn van de Theologische Universiteit Utrecht en de PThU, maar aan de Vrije Universiteit krijgen theologiestudenten veel en veel te weinig bagage mee als het gaat om kennis van de brontalen. Aan de Vrije Universiteit is er trouwens geen zelfstandige theologische faculteit meer (heel lang was de naam Faculteit der Godgeleerdheid). Er is onder de paraplu van de Faculteit Geesteswetenschappen een School of Religion and Theology. Religie staat in de naamgeving heel nadrukkelijk voorop, en dat blijkt ook uit de inhoud van het lesprogramma. Alleen in het eerste jaar van de bachelor wordt Hebreeuws en Grieks gegeven. Bij een gedegen opleiding zoals de Reformatoren die voorstonden, is het vanzelfsprekend dat in alle jaren van de eerste fase van de theologiestudie een module Hebreeuws en Grieks is opgenomen.
Ik heb de indruk dat alleen de Theologische Universiteit Apeldoorn hier nog zonder meer de klassieke lijn aanhoudt. Ook als studenten voldoende bagage meekrijgen, is dat overigens geen garantie dat zij goed thuis blijven in de brontalen. Men moet die kennis namelijk op peil houden en liefst uitbreiden. Zo niet dagelijks, dan moet men toch zeker wekelijks een stukje uit zowel het Hebreeuwse Oude Testament als het Griekse Nieuwe Testament lezen. Helaas kan men er niet van uitgaan dat alle predikanten die een academische vorming ontvingen dat ook doen. Bij de meesten is de enige winst die zij op dit terrein hebben overgehouden dat zij weten waarover het gaat als er in Bijbelcommentaren naar de brontekst wordt verwezen.
Voor meerdere theologische opleidingen geldt echter dat de studenten, als het gaat om kennis van de brontalen, veel te weinig bagage meekrijgen. Dan wordt de vraag heel dringend: waarom vraagt de kerk dan nog dat haar aanstaande predikanten zo’n opleiding volgen als een van de kerndoelen van de Reformatie voor academisch onderwijs geen kerndoel meer is? Wanneer een instituut zich allereerst presenteert als een school voor religie en dan pas voor theologie, mag ook de vraag worden gesteld welke plaats de geschiedenis van de kerk en de theologie nog in het lesprogramma innemen. Men kan er dan wel zeker van zijn dat die veel te weinig aandacht krijgen.
Gemeenten en kerkenraden – en dat geldt wel heel in het bijzonder voor gemeenten en kerkenraden in de Hersteld Hervormde Kerk – moeten zich realiseren dat hun predikanten in hun opleiding veel te weinig bagage hebben meegekregen op het gebied van de brontalen. Je moet hopen dat zij tijdens hun studie zelf al het mogelijke hebben gedaan om die bagage te verwerven. Denk daarbij aan het invullen van de zogenaamde vrije ruimte in het bachelorprogramma en de wijze waarop men binnen de geboden ruimte het masterprogramma invult.
Juist als we beseffen dat goede exegese onmogelijk is zonder grondige kennis van de brontalen, moet het kerkenraden en gemeenten niet verwonderen dat de prediking op dit punt vaak mager is. Er is de predikanten tijdens de studie te weinig meegegeven. Ik laat het aan anderen over om de vraag te beantwoorden of het verantwoord is op deze weg voort te gaan en hoelang men deze weg wil blijven volgen.
*
Prediking is meer dan Schriftuitleg maar behoort niet minder te zijn
Ik besef dat voor echte prediking meer nodig is dan een goede Schriftuitleg. Echte prediking is het uitschilderen van Christus. Echte prediking is doortrokken van de ernst van de eeuwigheid. Als een gezant van Christus daagt een prediker zijn hoorders voor Gods rechterstoel en verklaart hij hen in Gods naam schuldig, met als vonnis de eeuwige rampzaligheid. Van daaruit wijst hij op de Heere Jezus Christus als de volkomen Zaligmaker en spoort hij zijn hoorders aan om tot deze Zaligmaker de toevlucht te nemen, en – als men dat reeds deed – te wassen en toe te nemen in de kennis en genade van Hem.
Er zijn predikers geweest die de brontalen niet kenden, maar wel degelijk een boodschap hadden. En ook het omgekeerde kwam en komt nog voor. Dit alles doet echter niets af aan het feit dat de Reformatoren het volledig bij het rechte eind hadden: predikers moeten als regel grondig thuis zijn in de brontalen. Is dat voor steeds minder predikers het geval, dan komt een kerk of kerkverband in de problemen. Men moet dan in bepaalde gevallen een beroep doen op andere kerken, maar dan moet daar die kennis uiteraard ook aanwezig zijn.
*
Twee boekjes over het belang van de brontalen
John D. Currid, Calvin and the Biblical Languages (Fearn: Mentor, 2006), paperback 128 pp., £ 9,90 (ISBN 9781845502126)
Alweer 20 jaar geleden verscheen bij uitgeverij Mentor een boekje over de kennis die Calvijn van de brontalen had en het belang dat hij aan die kennis hechtte. Ik breng dit boekje graag onder de aandacht, temeer omdat het feitelijk meer biedt dan de titel doet vermoeden. Ook andere Reformatoren passeren de revue en er komt naar voren dat de Universiteit van Leiden, als het ging om kennis van de brontalen, heel nadrukkelijk in het spoor van de Academie van Genève wilde gaan.
John D. Currid, de auteur van dit boekje, is als hoogleraar Oude Testament verbonden aan de campus in Jackson, Mississippi van het Reformed Theological Seminary. Currid laat zien hoezeer de overtuiging dat de Schrift onze hoogste en uiteindelijke norm moet zijn, verbonden was met de overtuiging dat de Schrift daarom in de brontalen bestudeerd moet worden. Voor de Reformatoren stond vast dat aanstaande predikanten daarin in hun academische opleiding grondig moesten worden geschoold.
Calvijn beheerste het Hebreeuws en Aramees op niveau, maar was als het gaat om het Grieks echt een geleerde van formaat, al werd hij daarin door zijn opvolger Beza nog overtroffen. Calvijn nam geen vertaling mee naar de kansel als hij preekte, maar las vanuit de Bijbel in de brontekst die hij bij zich had een zelfgemaakte vertaling voor. Als het ging om de Griekse tekst van het Nieuwe Testament gebruikte Calvijn verschillende uitgaven en gaf hij zich rekenschap van tekstkritische problemen, dat wil zeggen van de verschillen tussen handschriften. De hervormer preekte trouwens zonder aantekeningen en als regel had hij niet meer dan een uur de tijd om een preek voor te bereiden. Als studenten mij vroegen of zij Calvijn in dit laatste mogen volgen, was mijn antwoord bevestigend, mits zij hem ook in het eerste konden volgen. Goed om te weten is dat Calvijn het Griekse Nieuwe Testament vrijwel uit zijn hoofd kende.
Currid betreurt de ontwikkeling dat het inmiddels mogelijk is een academische theologische graad te behalen zonder kennis van de brontalen. Sommige seminaries hebben zelfs geen brontalen meer in hun lesprogramma. Allerlei praktische vakken, zoals communicatieve vaardigheden en leidinggeven, hebben de plek van de brontalen ingenomen. Daarmee wordt de opvatting prijsgegeven dat een predikant allereerst een dienaar van het Woord moet zijn die de Schriften uitlegt en toepast. Currids boekje is een vurig pleidooi om aan deze opvatting vast te houden of ernaar terug te keren. Ik val hem daarin helemaal bij.
Het boekje van Currid eindigt in een appendix met een preek van Calvijn over Deuteronomium 16:1-5. Ik geef een deel uit de slotpassage door:
‘Laat ons neervallen voor de majesteit van onze goede God met de erkenning van onze zonden, Hem biddend ons te doen beseffen in welke staat wij verkeerden toen Hij Zichzelf genadig toestond ons tot Hem te roepen. Omdat Hij ons uit de stroom van de dood haalde, hebben wij reden Hem te verheerlijken en onszelf ons hele leven aan Zijn dienst over te geven. (…) Dat het Hem moge behagen deze genade niet alleen aan ons, maar aan al de volken en natiën van de aarde te geven.’
Dit citaat maakt wel heel duidelijk dat voor Calvijn kennis van de brontalen geen doel op zich was.
*
Takamitsu Muraoka, Why Read the Bible in the Original Languages? (Leuven: Peeters, 2020), paperback 111 pp., € 19,– (ISBN 9789042942004)
Professor Takamitsu Muraoka (1938-2026) was een briljant geleerde op het gebied van de bijbelse talen. Meer dan vijfenveertig jaar heeft hij gepubliceerd over het Hebreeuws, Aramees en Grieks. In 2017 ontving hij de Burkitt Medal for Biblical Studies van de British Academy, op dit gebied het equivalent van een Nobelprijs. Van 1991 tot 2003 was hij verbonden aan de leerstoel Hebreeuws, Israëlische oudheden en Ugaritisch van de Universiteit Leiden. Na zijn pensionering gaf hij in Aziatische landen les over de Bijbelse talen en de Septuaginta. Meerdere weken per jaar kwam hij naar een seminarie om de studenten in zijn kennis te laten delen.
In 2020 kwam bij Uitgeverij Peeters een klein boekje van hem uit waarin hij voor hen die basiskennis van het Hebreeuws en Grieks hebben, het belang van kennis van de brontalen uiteenzet. Hij gaf het de titel: Why Read the Bible in the Original Languages? Trouwens, ook het Aramees komt aan bod. Immers, een deel van het Oude Testament — al is het maar een klein deel — is in deze taal geschreven, en daarnaast komen we in het Nieuwe Testament Aramese uitdrukkingen tegen. Het vierde kruiswoord wordt bijvoorbeeld in het Aramees weergegeven. Muraoka laat ook zien hoe belangrijk kennis van de Septuaginta is, niet alleen voor het begrijpen van het Oude Testament, maar ook van het Nieuwe Testament. Een vertaling is immers altijd ook een verklaring, en de Septuaginta is de oudste verklaring van het Oude Testament.
Het eerste en grootste hoofdstuk van Why Read the Bible in the Original Languages? gaat over het Hebreeuws, inclusief nuttige besprekingen van lezingen over het offer of de binding van Izak, en de geschiedenissen van Thamar en die van David en Bathseba. Dit hoofdstuk benadrukt lexicale keuzes, woordvolgorde (vooral het vooraan plaatsen van woorden als focus van een zin of zinsdeel), herhaling van zelfstandige naamwoorden en werkwoorden (en van verwante woorden), woordspelingen (vaak bij Hebreeuwse drieletterwortels), aanduidingen van het geslacht van werkwoordsonderwerpen en -objecten, verkeerd geplaatste versverdelingen, het wel of niet benoemen van karakters, het gebruik of ontbreken van persoonlijke voornaamwoorden, het gebruik van verkleiningsvormen van namen, enz.
Ik wijs erop dat Muraoka beschrijft dat in Genesis 38:18 vaak ten onrechte ‘bij hem’ wordt vertaald. In het Hebreeuws staat lô. Muraoka laat zien dat dit ‘voor hem’ betekent. Hij vertelt dat hij, toen hij dit ontdekte, een andere kijk op Thamar kreeg. Haar diepe wens was dat Gods belofte aan Abraham gegeven ook in Juda gestalte zou krijgen. Ik merk op dat Kohlbrugge hier inhoudelijk eenzelfde benadering heeft als Muraoka. Muraoka geeft echter ook nog eens een lexicale onderbouwing. Hij vertelt dat hij eens de geschiedenis van Thamar als uitgangspunt nam voor een kerstpreek die hij in een Anglicaanse kerk hield.
Het heeft mij verkwikt dat deze briljante geleerde zich niet schaamt voor zijn overtuiging dat Christus de Zaligmaker van zondaren is en dat hij dit ook in wetenschappelijke publicaties durft te laten merken. Dat is onder Bijbelwetenschappers – zeker van dat niveau – een hoge uitzondering.
Muraoka kwam uit een familie die onverschillig stond tegenover religie, maar kwam tot bekering en liet zich dopen. Meer dan eens blijkt in Why Read the Bible in the Original Languages? dat de auteur duidelijk schrijft als christelijk geleerde. Zo wijst hij op het belang van de rechtvaardiging door het geloof in de brieven van Paulus en nodigt hij zijn lezers uit om te buigen voor de evangelieboodschap van Jezus’ dood voor de zonden en de nederlaag van de dood in Zijn opstanding, om zo deel te krijgen aan de zaligheid in de Heere Christus.
Ik kende Muraoka tot dusver alleen uit de grammatica’s van Lettinga en Joüon. Hij verzorgde de nieuwste edities van deze grammatica’s. Met het lezen van Why Read the Bible in the Original Languages? is hij mij als persoon dichterbij gekomen. Ik leerde hem nu niet alleen kennen als een briljant geleerde, maar ook als een ootmoedig christen. Ik ken weinig Bijbelwetenschappers geleerden die ook in een wetenschappelijke werk zo vrijmoedig Christus durven belijden als Muraoka dat deed.
Graag besluit deze bijdrage met de woorden waarmee Muraoka zijn boekje eindigt: ‘We kunnen denken dat onze toestand hopeloos is en dat alleen de dood onze bestemming is, maar Jezus is gewillig en genadig aan het kruis gestorven om de schuld van onze dood te betalen en stond op uit de doden, nadat Hij de dood verslagen had. Door deze evangelieboodschap zonder twijfel te aanvaarden kunnen we zalig worden. Dit is de boodschap van Paulus. Gezangen als Jesus, my Lord, to thee I cry (Eliza H. Hamilton) en Amazing grace (John Newton) komen in onze gedachten.’
*
Het eerste gezang waarnaar Muraoka verwijst is in Nederland wat minder bekend. Eliza H. Hamilton was een Schotse christin uit de negentiende eeuw. Zij heeft meerdere gezangen gedicht. Jesus, my Lord, to thee I cry is bekendste. Ik geef de volledig tekst door:
Jesus, my Lord, to Thee I cry;
Unless Thou save me, I must die:
Oh, bring Thy free salvation nigh,
And take me as I am!
*
And take me as I am!
And take me as I am!
My only plea—Christ died for me!
Oh, take me as I am!
*
Helpless I am, and full of guilt;
But yet for me Thy blood was spilt,
And Thou canst make me what Thou wilt,
And take me as I am.
*
No preparation can I make,
My best resolves I only break,
Yet save me for Thine own Name’s sake,
And take me as I am.
*
Behold me, Savior, at Thy feet,
Deal with me as Thou seest meet;
Thy work begin, Thy work complete,
But take me as I am.