Het Evangelie vraagt om geloof

Onlangs schreef ik over het geloof en het gebruik van de sacramenten. De Heere werkt het geloof door het Woord en de prediking neemt daarin een bijzondere plaats in. Zoals Rome gelooft in de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie, zo gelooft een protestant in de geestelijke tegenwoordigheid van Christus daar waar de prediking van Wet en Evangelie klinkt. In de prediking worden wij voor Gods rechterstoel gedaagd. Schuldige zondaren, die zelf de kloof tussen God en hun ziel niet kunnen overbruggen, worden gewezen op het Lam van God, Wiens bloed van alle zonden reinigt. Wie de Zoon aanschouwt en gelooft, heeft het eeuwige leven.

Christus Zelf komt tot ons en biedt ons toegang tot Zijn Vader aan. Hij verzekert hen die reeds van die toegang gebruikmaken dat Hij altijd voor hen bidt en dat daarom niets hen van Gods liefde kan scheiden. In de prediking komt Christus tot ons in het gewaad van Zijn beloften. Van de beloften van het Evangelie, die wij ook beloften van het genadeverbond mogen noemen, ontvangen we in de sacramenten tekenen en zegelen om ons geloof te versterken, opdat wij vast zouden geloven (ik citeer het klassieke Avondmaalsformulier) dat wij een eeuwig verbond van genade met God hebben. Immers, een waarachtig geloof is weliswaar nooit zonder zekerheid, maar ook nooit zonder bestrijding.

Mij werd de vraag gesteld hoe ik denk over de uitspraak: ‘De beloften van het genadeverbond zijn alleen voor ware gelovigen’. Ik formuleer het graag anders: ‘De beloften van het genadeverbond vragen om een waarachtig geloof. Dat geldt heel in het bijzonder als ze aan ons verzegeld zijn in de Heilige Doop.’ In de Heilige Doop geven we aan volwassenen die hun geloof belijden het teken en zegel van het genadeverbond. Dat teken en zegel geven we ook aan kinderen van christenouders. Wij doen dat omdat wij geloven dat kinderen van christenouders niet minder dan hun ouders zelf tot Gods Kerk behoren. De beloften van het genadeverbond – of anders gezegd het Evangelie zelf – vragen om geloof.

Ontbreekt dat geloof en zijn we wel gedoopt dan zijn we een dood lid van Gods Kerk. Wie dat is mag dat niet blijven. Daarom vertelde de Heere Jezus de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden. Het levend geloof wordt door de Heilige Geest in hart gewerkt. Daarom is het voor elke gedoopte zaak zich af vragen of hij wedergeboren is tot een levende hoop of anders gezegd: of hij niet alleen met water maar ook met Gods Geest is gedoopt.

Zelf ben ik er met de Reformatoren, de Statenvertalers, puriteinen, vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie en mannen als Kohlbrugge – en trouwens ook baptisten als Spurgeon en Gadsby – van overtuigd dat wij ruim mogen denken over de zaligheid van jonggestorven kinderen. Ik zal er echter met iemand die daar anders over denkt en er geen uitspraak over wil doen, niet over twisten. De vraag voor mij en hem is immers of wij zelf afgesneden zijn van Adam en ingeplant in Christus. Steunen wij op Christus en Zijn werk alleen? Daarbuiten is geen zaligheid. Als wij Hem toebehoren, leven wij ook voor Hem. Vreugdevol is het als wij elkaar daar iets over kunnen meedelen.

Zuigelingen kunnen de kenmerken van het ware geloof aan ons niet tonen. Bij kleine kinderen wordt dat al anders, maar een kind kan zichzelf nog niet beproeven. Horen wij het Evangelie, dan is de vraag wat wij ermee doen dat God ons in Christus Zijn vriendschap en gemeenschap aanbiedt. Zijn we gedoopt, dan is de vraag of wij de Heilige Doop ontheiligen, dan wel leven uit de zaak die ons in de Heilige Doop werd betekend en verzegeld.

Niets is zo erg als het teken en zegel van inplanting in Gods Kerk te dragen en geen levend lid van die Kerk te zijn. Ik citeer, evenals in een vorige bijdrage, de Schotse theoloog John Duncan: ‘Het water van de doop kan nooit van het voorhoofd worden afgewist en als het gevolgd wordt door de weigering van de Goddelijke genade, moet het de meest ontzettende zaak voor de onboetvaardige zijn om te sterven met de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes op het voorhoofd.’

Het is voor of tegen: of wij verzetten ons tegen God, of wij geven ons aan Hem gewonnen. Bij verzet maakt het niet uit of dat verzet het karakter heeft van het gedrag van de jongste zoon uit de gelijkenis van de verloren zoon (feitelijk de wachtende vader) of van de oudste zoon. De grote vraag is of wij binnen of buiten zijn, en dan is ‘bijna binnen’ nog altijd buiten. In de beelden van De Christenreis moeten we niet alleen de stad Verderf verlaten, maar ingaan door de Enge Poort. En in de beelden van De Heilige Oorlog moeten we opgeven onze eigen voorwaarden voor overgave aan God te stellen.

Merken we dat wij niet kunnen en zelfs niet willen wat God van ons vraagt, laten we dan vragen om geloof en bekering. Augustinus bad: ‘Geef Gij mij wat Gij mij beveelt, en beveel dan van mij wat Gij van mij wilt.‘ Het grote wonder van inplanting in Christus is niet onder te brengen in een vast schema. Het blijft een heilig mysterie. Bij de een gebeurt het op deze wijze en bij de ander op die wijze.

Aan een Schotse vrouw die voor het eerst wenste toe te treden tot de dis van het verbond, werd gevraagd hoe zij Christus nodig had gekregen en leren kennen. Zij vertelde dat zij Hem nodig had gekregen en ook lief gekregen; Hij woonde in haar hart. ‘Hij is binnengekomen,’ zo zei ze, ‘maar ik weet niet door welke deur Hij binnenkwam, of dat Hij een raam openmaakte en zo intrek nam in het huis van mijn hart. Eerst was Hij er niet en nu is Hij er wel.’

Van nature is een mens of hij nu in een christelijk gezin opgroeide of er buiten dood in misdaden en zonden. Door genade krijgen en zij die ver waren (niet bij het Evangelie opgevoed) en zij die nabij waren (opgevoed bij Gods beloften van het genadeverbond) in één Geest door Christus toegang tot de Vader (vgl. Efeze 2:18). Wat hen aan elkaar verbindt is ook de wetenschap: ”Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden).’ (Efeze 2:4-5).

In elke doopsbediening waar het klassieke Doopformulier wordt voorgelezen, worden wij eraan herinnerd ‘dat wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren en daarom kinderen des toorns zijn, zodat wij in het Rijk Gods niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden.’ Dan is zelfonderzoek nodig. Ken ik die Christus Wiens weldaden in de Heilige Doop aan mij werden betekend en verzegeld of leef ik nog voor eigen rekening? Ontheilig ik het bloed van het nieuwe verbond. Is dat niet het geval, dan is de enige verklaring:

Amazing grace, how sweet the sound,

That saved a wretch like me;

I once was lost, but now am found;

Was blind, but now I see.

*

’Twas grace that taught my heart to fear,

And grace my fears relieved;

How precious did that grace appear

The hour I first believed!

Laten we over Evangelie, verbond en doop maar niet redeneren, maar ons voor God verootmoedigen en onze reinigmaking buiten onszelf zoeken. Laten we stoppen met het dienen van de wereld, en als wij inmiddels zover zijn dat wij op twee gedachten hinken, daar niet in blijven steken. Mozes hield het volk van Israël voor: Ik neem heden tegen u tot getuigen de hemel en de aarde; het leven en de dood heb ik u voorgesteld, en de zegen en de vloek! Kiest dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw zaad. (Deuteronomium 30:19)

De kern van het Evangelie is dat er tussen God en mens sinds de zondeval een – vanuit de mens gezien – onoverbrugbare kloof is. Om die kloof te overbruggen zond de Vader Zijn Zoon om verzoening te doen voor de zonden, en stortte de Zoon na Zijn hemelvaart Zijn Geest uit. Deze Geest maakt dode zondaren levend, werkt het levende geloof in hun harten en doet hen zo delen in de zaligheid die in Christus zelfs voor de grootste der zondaren gereedligt.

Ik besluit met woorden uit de Brief aan de Hebreeën:

Ziet toe, broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een boos, ongelovig hart, om af te wijken van den levenden God; maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde. (Hebreeën 3:12–13)

en

Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. (Hebreeën 4:1)

Plaats een reactie