Wat is (hersteld) hervormd? (slot)

Wie zijn er lid van de gemeente en wat is de praktijk van het doen van belijdenis?

Een Hervormde Gemeente heeft drie soorten leden: belijdende leden, doopleden en niet-gedoopte leden. Die laatste categorie kennen afgescheiden kerken niet. Echter, als er op de een of andere wijze een band is met de kerk zien Hervormde Gemeenten ook niet-gedoopten als gemeenteleden. Zelf heb ik mensen die van huis uit thuislezers waren onder mijn gehoor gehad. Meerderen bleven een aantal jaren ongedoopt omdat zij geen vrijmoedigheid hadden de vragen uit het doopformulier te beantwoorden. Deze mensen zag ik uiteraard wel als gemeenteleden die de Heere aan mijn hoede had toevertrouwd. Een aantal malen traden ongedoopte mensen uit de wereld tot de kerk toe. Na twee jaar catechisatie heb ik dan mensen gedoopt maar van meet af aan waren zij lid van de gemeente. Dat gold ook ongedoopte pleegkinderen. Onder hen die ik heb gedoopt waren trouwens ook pleegkinderen die in een gezin van de gemeente zouden blijven totdat zij meerderjarig waren. Wel werd dan aan de biologische ouders gevraagd of zij daarmee konden instemmen. De pleegouders gaven het ja-woord.

Een Hervormde Gemeente kijkt ook anders aan tegen volwassen doopleden al verschilt de praktijk van de ene gemeente wel van de andere. Hoe dan ook stelt de Hervormde Kerkorde niet de eis (de Dordtse Kerkorde doet dat trouwens evenmin) dat alleen belijdende leden hun kinderen ten doop mogen houden of Gods zegen over hun huwelijk vragen. In een Hervormde Gemeente hebben ook doopleden die voorrechten. Ik merk trouwens terzijde wel op dat zowel een bruidspaar als doopouders met het geven van antwoorden op de vragen die hen in de dienst worden gesteld, feitelijk ook een belijdenis uitspreken.

Dat een Hervormde Gemeente anders omgaat met het onderscheid tussen belijdende en niet-belijdende leden is iets waaraan degenen die overkomen uit afgescheiden kerken moeten wennen. Ik merkte dat zelf zowel bij mensen die overkwamen uit de Gereformeerde Kerken (voor de jongere generatie merk ik op dat dit kerkverband in 2004 opging in de PKN) als uit de Gereformeerde Gemeenten. In Hervormde Gemeenten probeert men ook niet-belijdende leden bij allerlei zaken te betrekken die in afgescheiden kerken voorbehouden blijven aan belijdende leden. Dat geldt zeker als een niet onaanzienlijk deel van de volwassen kerkgangers geen belijdend lid is.

Dat brengt mij bij het punt dat de ene Hervormde Gemeente een andere belijdenispraktijk heeft dan de andere. In meerdere gemeenten worden gemeenteleden, als zij een bepaalde leeftijd hebben bereikt, aangespoord om belijdenis te doen en wordt daaraan ook vrij massaal gehoor geven. In de ene gemeente gaan de meesten van hen die de belijdenis hebben gedaan niet aan het Heilig Avondmaal en soms zelfs niemand. In andere gemeenten juist allemaal of zo goed als allemaal. De ene praktijk correspondeert met die van de Gereformeerde Gemeenten en de andere met die van de Nederlandse Gereformeerde Kerken.

De reden om geen belijdenis te doen, kan zijn dat men zelf voelt dat het leven dat men leidt niet overeenstemt met het leven dat God van Zijn kinderen vraagt. Anderen durven geen belijdenis te doen, omdat zij de zekerheid missen dat zij Christus toebehoren, hoewel hun hart wel uitgaat naar Hem. Onder anderen in Zuid-Holland waren ook trouwe kerkgangers met een voorbeeldige levenswandel lang niet altijd belijdend lid. Men had als standpunt dat vóór je aan de kerkenraad om het kerkelijke recht vroeg om ten avondmaal te gaan, je moest weten dat je van de Heere Zelf het goddelijke recht had ontvangen. Mijn eigen moeder die uit een oud-hervormd geslacht kwam, dacht daar ook zo over.

In Friesland is het trouwens lange tijd kenmerkend geweest voor meerdere Hervormde Gemeenten met een bevindelijke inslag dat er geen belijdeniscatechisatie werd gegeven. Dat kwam ook voor in Christelijke Gereformeerde Kerken in Friesland. Belijdeniscatechisatie vond men een neogereformeerd verschijnsel waarmee onbekeerde avondmaalgangers werden gekweekt. ‘Je gaat niet naar catechisatie om te leren hoe je een kind van God wordt, want dat moet God je Zelf leren’, zo zei men in Friesland.

Wie belijdenis wilde doen, ging naar een kerkenraadsvergadering om te vertellen dat de Heere in zijn of haar leven was gekomen. De zondag erop werd dan aan de gemeente meegedeeld dat iemand op een kerkenraadsvergadering was verschenen met de vraag om belijdenis van het geloof te mogen afleggen. Kwamen er geen bezwaren (en die waren er eigenlijk nooit) dan vond een aantal weken later de belijdenisdienst plaats. Meer dan eens kwam het voor dat mensen die de zeventig al waren gepasseerd, zo nog belijdenis deden. Dat een Hervormde Gemeente geen belijdeniscatechisatie aanbiedt, is inmiddels verleden tijd. Volgens mij was Driesum, de laatste Hervormde Gemeente die in de vorige eeuw de belijdeniscatechisatie invoerde en wel in 1961.

Bij deze praktijk ging men er wel van uit dat mensen al grondig kennis van Gods Woord en van de bijbelse leer hadden. Dat is niet altijd het geval. Zeker niet als mensen uit de wereld toetreden tot de kerk. Dan is belijdeniscatechisatie hoe dan ook noodzakelijk. Ik noem deze zaken mede omdat menigeen de belijdenispraktijk waarbij hij of zij is opgegroeid als vanzelfsprekend aanvaardt. En degenen die heel neerbuigend neerkijken op de belijdenispraktijk zoals die vroeger in Friesland voorkwam, wijs ik erop dat een groot prediker als Martyn Lloyd-Jones ook niet zoveel op had met het verschijnsel van belijdeniscatechisatie en ook voor hem was het argument dat hij vreesde dat je daarmee alleen maar onbekeerde avondmaalgangers kweekte.

*

Hoe ikzelf aankijk tegen het doen van belijdenis

Ongetwijfeld is de lezer benieuwd hoe ik tegen het doen van belijdenis aankijk. Nu, ik heb mensen alleen durven aansporen om belijdenis te doen, als ik geen bezwaren in de gang naar het avondmaal zag. Dan ging het er mij om dat ik iets kon horen van de taal van Het wachtwoord van de hervormers. Dat begint met de regel: ‘Eens was ik een vreemd’ling voor God en mijn hart.’ In het vervolg lezen we: ‘Nu ken ik de waarheid zo diep als gewis dat Jezus alleen mijn gerechtigheid is.’ Wie deze taal nog niet verstaat, heeft de betekenis van zijn of haar doop nog niet begrepen en beleefd en kan dus ook nog geen belijdenis afleggen. In het leven moet ook blijken dat men godzalig wil leven.

Zelf ben ik altijd een groot voorstander geweest van het regelmatig beleggen van doordeweekse samenkomsten voor de gehele gemeente. In de Engelssprekende wereld is dat voor behoudende gemeenten een vanzelfsprekende zaak. In het spoor van mannen als Charles Haddon Spurgeon en Robert Murray M’Cheyne durfde ik mensen alleen tot het doen van belijdenis aan te sporen als zij probeerden ook in doordeweekse diensten aanwezig te zijn. Niet dat wij de zaligheid kunnen verdienen, maar honger naar het Woord is wel een wezenlijke zaak als het gaat om de wens de Heere te dienen.

De ene belijdeniscatechisant kan meer vertellen over wie de Heere voor hem is dan de ander. Wij moeten ook niet over het hart oordelen. Afwijzing van het verzoek om belijdenis te mogen doen en daarmee van de kerkenraad het recht te ontvangen tot het avondmaal te mogen toegaan moet gebaseerd zijn op afwijkingen in leer en leven. Een gesprek daarover moet niet formeel zijn maar zoveel mogelijk een gesprek van hart tot hart.

Als hervormd predikant constateerde ik dat menig kerkenraad dat onderzoek naar leer en leven niet al te nauw neemt en ook over de Hersteld Hervormde Kerk ben ik dan niet zonder zorgen. Naar mijn overtuiging moet een wijkouderling of predikant voorafgaande aan de belijdeniscatechisatie al een gesprek hebben met hen die de belijdeniscatechisatie willen gaan volgen. Zelf heb ik jongelui (als ouderen deze catechisatie wilden gaan volgen, speelde dat eigenlijk nooit) wel eens moeten zeggen dat als hun levenswandel niet anders werd zij wel de belijdeniscatechisatie konden volgen maar geen belijdenis doen.

Daarom heb ik er wat moeite mee als meerdere (hersteld) hervormde predikanten met opgestoken hoofd beweren bij ons doet men geen belijdenis van de leer maar van het geloof. Dat mag namelijk geen tegenstelling zijn. En als ik dan hoorde of hoor over mensen die belijdenis deden denken of hoe hun leven is, dan lijkt het mij eerder dat men belijdenis van niets heeft gedaan. Men blijkt nauwelijks kennis te hebben van de inhoud van de belijdenisgeschriften en de avondmaalsgang. Men meent dat leven te kunnen combineren met het kijken naar allerlei Netflix-films en meer dan eens laat een bruid met haar bruidsjurk al zien dat zij Christus nog niet kent en navolgt. Dat nog afgezien van het feit dat in zo’n geval een kerkenraad die dit toelaat ernstig in gebreke blijft.

Er is ook in de Hersteld Hervormde Kerk geen enkele reden zich op de kerk te verheffen. Daarvoor is de Hersteld Hervormde Kerk nog al te veel een vervallen kerk. Trouwens, kerkelijke zelfingenomenheid is altijd fout, want hoogmoed komt voor de val. Dat geldt kerkelijk niet minder dan persoonlijk.

Er valt gelukkig meer te zeggen. Ook ik maakte mee dat jonge mensen en soms ook ouderen belijdenis wenste te doen omdat God Die Zijn vriendelijk aangezicht in Christus laat zien, voor hen het hoogste van hun blijdschap was geworden. En nogmaals: wij oordelen niet over het hart en zelfonderzoek blijft nodig.

*

Alleen door te breken met de christelijke kerk kan men zich aan de zorg en het opzicht van de kerk onttrekken

Kenmerkend voor een (Hersteld) Hervormde Gemeente is niet alleen dat men naast belijdende leden en doopleden ook ongedoopte leden kent en dat ook niet-belijdende leden een zegen over hun huwelijk mogen vragen en hun kinderen kunnen laten dopen, maar ook dat men niet zijn lidmaatschap kan opvragen.

Verhuist men naar een andere gemeente of wil men overgaan naar een ander kerkverband dan stuurt de kerkenraad het bewijs van lidmaatschap op. Bij verandering van kerkverband maakt het niet uit of men overgaat naar een Oud Gereformeerde Gemeente of een Pinkstergemeente, altijd is het de kerkenraad die daarvan aan de bewuste gemeente mededeling doet. De gedachte er achter is dan men zich nooit aan de christelijke kerk en haar toezicht kan onttrekken. Een (Hersteld) Hervormde Gemeente schrijft daarom ook geen leden uit zonder toestemming van die leden. Schriftelijk moet men dan verklaren dat men niet meer bij de (Hersteld) Hervormde Kerk en daarmee bij de ene, heilige, katholieke christelijke kerk wenst te behoren. Zolang die schriftelijke verklaring er niet is, blijft men ingeschreven staan in de kerkelijke registers en kan men daarop altijd worden aangesproken.

*

Levenstijl

Zowel voor (Hersteld) Hervormde Gemeenten als gemeenten van andere kerkverbanden geldt dat de levensstijl in de ene gemeente anders is dan in de andere. Iets wat trouwens ook voor gemeenten in de andere kerkverbanden geldt. Heeft een (Hersteld) Hervormde Gemeente echt een rand, dan is de levensstijl van de rand anders dan die van de kern van de gemeente. Beperken we ons tot de gereformeerde gezindte dan zien we overal wereldgelijkvormigheid of het nu een Hervormde Gemeente in de PKN is of een Gereformeerde Gemeente in Nederland.

Ik maakte voor 2004 een aantal malen mee dat mensen uit de Gereformeerde Kerken of uit het midden van de Hervormde Kerk overkwamen naar de gemeente die ik diende. Voor hen was nieuw dat zo niet alle dan toch de meeste vrouwen en meisjes een hoofddeksel droegen. Men paste zich dan moeiteloos aan. Vooral als men ging begrijpen wat het onderwijs van de apostel uit 1 Korinthe 11 daarover inhield. Overigens maakte ik ook de overgang uit de plaatselijke Gereformeerde Kerk van een alleenstaande vrouw mee. Zij was de enige in deze gemeente die nog een hoed droeg, maar zij vertelde dat in haar jeugd dat nog algemeen was en dat toen de levensstijl van de plaatselijke Gereformeerde Kerk nauwer was dan van de Hervormde Gemeente die ik toen diende.

Van collega’s en ambtsdragers zowel uit de Protestantse Kerk in Nederland als uit de Hersteld Hervormde Kerk heb ik wel gehoord dat mensen afkomstig uit de Gereformeerde Gemeenten (in Nederland) na kortere of langere tijd in levensstijl veranderden. Vrouwen en meisjes droegen bijvoorbeeld geen hoofddeksel meer. Zelf maakte ik in de tijd dat ik in Opheusden stond wel mee dat als ik een trouwdienst leidde vrouwen en meisjes uit de genoemde kerkverbanden zonder hoofddeksel de dienst bijwoonden.

Kreeg ik gelegenheid daarnaar te vragen, dan was het antwoord: ‘Maar dat hoeft toch niet in de Hervormde Kerk?!’ En dan zei ik altijd: ‘Maar ook bij ons staat 1 Korinthe 11 in de Bijbel.’ Bij de boodschap van de Bijbel gaat het uiteraard niet alleen om 1 Korinthe 11 maar om heel de Bijbel en dan mogen we alleen daar naar de kerk gaan waar we opgeroepen worden tot bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus.

Dan nog een ander voorval. Ik bezocht eens een gezin in een naburige gemeente dat vanuit de Gereformeerde Gemeente over wilde komen naar de gemeente die ik diende. Ik had een heel fijn gesprek. Dat mensen zeiden dat zijzelf nog geen deel hadden aan Gods genade en zij een prediking wensten waarin een verloren mens duidelijk op Christus werd gewezen. Nu had de vrouw van dat gezin wel wat kort haar en in 1 Korinthe 11 schrijft Paulus niet alleen over het hoofdeksel maar ook over het haar van de man en van de vrouw.

Tegen het einde van het gesprek gaf ik daarom aan dat het kon gebeuren dat in mijn prediking ook 1 Korinthe 11 ter sprake kwam en dat hen dat dan niet rauw op het dak moest vallen. Dat viel gelukkig niet verkeerd. En al vrij spoedig bleek dat de bewuste vrouw het haar liet groeien. Toen een aantal maanden later een ambtsdrager uit de Gereformeerde Gemeente waaruit dit gezin afkomstig was mij vroeg hoe het met dat gezin ging, heb ik dit ook verteld en er aan toegevoegd dat ik ernaar uitzag hem te kunnen meedelen dat de leden van dit gezin zouden gaan spreken over de enige troost die een christen in leven en sterven heeft.

Zowel in gemeenten binnen of buiten de (Hersteld) Hervormde Kerk is de levensstijl van de ene gemeente anders dan de andere. In mijn eerste gemeente kwam een jong echtpaar na hun trouwen bij mij kerken. De man was van huis uit oudgereformeerd en de vrouw kwam uit een naburige Hervormde Gemeente. In een gesprek zei deze jongeman op een gegeven moment: ‘In de prediking kan ik mij van harte vinden, maar aan de levensstijl van de gemeente kan ik niet wennen.’ Ik heb toen geantwoord dat ik hoopte dat dit ook nooit zou gebeuren, omdat ook hier nog een nadere reformatie nodig was. In een andere gemeente kwam een gezin uit een naburige Gereformeerde Gemeente over. Die viel juist op dat de levensstijl eenvoudiger was dan men gewend was en dat in de prediking nadrukkelijker werd gevraagd of men ook kon betuigen dat men zich eerst als een kind des toorns had leren kennen en nu wist het eigendom van Christus te zijn.

Zaak is dat wij als het gaat om levensstijl niet vragen: ‘Wat vinden mensen er van? Of hoe denkt hier het grootste deel van de gemeente erover?’ maar ‘Heere, wat wilt U dat ik zal doen?’ Verder is het goed om de Joden een Jood en de Grieken een Griek te zijn. Als bepaalde kleinigheden in een gemeente gevoelig liggen, kan het geen kwaad daarmee rekening te houden. Want naast liefde tot God behoort ook liefde tot elkaar bij het christen-zijn. Een kerkenraad doet er overigens niet verstandig aan van gemeenteleden zaken te gaan vragen die niet vanuit Gods Woord onderbouwd kunnen worden. Want wie vandaag verbiedt wat God toelaat, laat, als God het niet verhoedt, morgen toe wat God verbiedt.

*

Er is voor iedereen maar één toegangsweg tot God

Als het gaat om zalig worden moeten we nooit vergeten dat er voor iedereen maar één toegangsweg tot God is en één weg van verzoening met Hem. Of wij hervormd zijn, oudgereformeerd of van een pinkstergemeente we hebben allemaal reiniging door Christus’ bloed nodig en wij moeten allemaal wedergeboren worden. Als het goed is willen we een prediking waarin ons dat wordt verkondigd. Dan horen over de toorn van God die van huis uit op ons allen rust en dat wij daarom een Zaligmaker nodig hebben. We horen van Jezus Christus als de Zaligmaker van zondaren bij Wie we welkom zijn. We horen ook wat er in Hem te vinden is. Hoe we God leren kennen in verborgen omgang met Hem. Ook dat Hij om meer dan één reden Zijn aangezicht voor ons kan verbergen maar niet minder dat Hij Zijn vriendelijk aangezicht laat zien en dat God zo voor iedereen die door Christus tot Hem nadert, het hoogste van zijn blijdschap is.

Het belangrijkste kenmerk van de ware kerk is de bediening van de verzoening. Een (Hersteld) Hervormde Gemeente vertoont dit kenmerk van de ware kerk als daar verkondigd wordt dat iedereen die gelooft in Gods beloften die in Christus ja en amen zijn volkomen vergeving van zonden heeft, maar ook dat de toorn van God rust op hen die niet geloven en zich niet van harte bekeren. De laatsten worden dan opgeroepen nog heden God te gaan zoeken en naar Hem te vragen in de wetenschap dat Hij Zich laat vinden. Elke nieuwe generatie moet voor deze boodschap worden gewonnen. Ook godvrezende ouders ontvangen kinderen die van nature kinderen des toorns zijn en het koninkrijk van God niet kunnen binnengaan tenzij ze opnieuw geboren worden.

*

Laten we nooit vergeten dat wij als kind des toorns worden geboren en alleen door wedergeboorte een levend lid worden van de gemeente van Christus

Er komen de laatste jaren vooral mensen uit kerken ter rechterzijde van de (Hersteld) Hervormde Kerk tot haar over. In het algemeen baren die overgangen mij meer zorgen dan overgangen die ik vroeger meemaakte uit de Gereformeerde Kerken en uit het brede midden van de Hervormde Kerk.

Met nadruk schrijf ik wel ‘in het algemeen’. Meer dan eens is de reden dat men in de gemeente de oproep tot geloof en bekering miste. Het bleef in de wens steken. Ook liep men vast met wel heel merkwaardige en onbijbelse opvattingen dat wij de heilsfeiten afzonderlijk na leren beleven en eerst zicht krijgen op Christus als Profeet, dan pas op Hem als Priester en ten slotte op Hem als Koning. Dat zulke opvattingen strijdig zijn met Schrift en belijdenis hoeft geen betoog. Kenmerkend voor elke ware christen is dat hij Christus als volkomen Zaligmaker omhelst en Hem leert kennen en nodig krijgt in elk van Zijn drie ambten. Dat wordt ook duidelijk verwoord in het vragenboekje van Hellenbroek dat nog altijd in catechisatielessen wordt gebruikt. Dan nog is de vraag niet alleen waarmee men vastliep, maar ook wat men wél wenst te horen. Dat was niet altijd even duidelijk.

Zaak is dan wel dat men gewonnen wordt voor, of bewaard blijft bij de boodschap van persoonlijke verzoening met God en persoonlijke wedergeboorte tot een levende hoop. In meerdere kerken aan de rechterzijde van de gereformeerde gezindte wordt in de prediking soms de indruk gewekt dat men wedergeboren kan zijn zonder dat men tot Christus heeft leren vluchten en Hem leerde omhelzen in elk van Zijn ambten en daarbij is Zijn hogepriesterlijk ambt het centrum en scharnier. Christus onderwijst ons als Profeet, zo leren wij Hem nodig krijgen en kennen als onze Hogepriester Die voor ons verzoening aanbrengt en als Koning Die ons beschermt en Die wij van onze kant wensen te gehoorzamen. Het lijkt dat er in plaats van drie stukken feitelijk maar kennis van één stuk nodig is om zalig te leven en te sterven, namelijk dat men weet hoe groot de zonde en ellende zijn. Van het gemis van God wordt geconcludeerd tot het bezit van God.

Verdrietig is als men van een onbewuste wedergeboorte vervalt in een vooronderstelde wedergeboorte en men op grond van het feit dat men als kind is gedoopt en – ziende het dankgebed dat daarbij is uitgesproken concludeert dat men gelooft en een kind van God is. Zo gaat men ten avondmaal, omdat de gemeenten een avondmaalsvierende gemeente hoort te zijn. Maar bij deze benadering wordt het vorm zonder inhoud.

Ik schrijf dit niet zonder reden, want ik hoor heel concreet in eigen kring deze geluiden. Voor kenners van de kerkgeschiedenis: Als dit typerend wordt voor de Hersteld Hervormde Kerk, is er sprake van een Doleantie 2.0. In de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft ds. W.L. Tukker, die jarenlang voorzitter is geweest van de Gereformeerde Bond, eens gezegd (het was nog voordat ‘Bewaar het Pand’ werd opgericht) dat hij zich buiten eigen kring het meest verwant wist met de oudchristelijk gereformeerden.

Hij voegde het woord ‘oud’ toe om aan te geven dat hij niet dacht aan de meer moderne stroming die toen al in de Christelijke Gereformeerde Kerken opkwam waarbij het uitgangspunt leek te zijn dat heel de gemeente in de genade deelt omdat het een verbondsgemeente is. Als het gaat om de christelijk gereformeerden met wie ds. Tukker zich verwant wist, moeten we denken aan mannen als prof. G. Wisse (door zijn prediking werd Tukker als jongeman diep geraakt), prof. L.H. van der Meiden, prof. J.J. van der Schuit en ds. W.F. Laman.

Ik denk ook aan ds. G. Boer. Boer was voorzitter van de Gereformeerde Bond totdat Tukker hem opvolgde. Op 23 April 1952 hield Boer op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond een referaat met de titel: ‘Crisis der Midden-Orthodoxie’ . Hij ontleende deze titel aan een boekje van dr. H. Berkhof met dezelfde titel. Hij ging in dit referaat onder andere in op kritische opmerkingen die Berkhof maakte over de prediking zoals die toen klonk in gemeenten die tot de Gereformeerde Bond werden gerekend. Boer bracht ook naar voren waar zijn zorgen lagen bij de midden-orthodoxie zoals toen de brede middenstroom in de Hervormde Kerk werd genoemd. Hij stelt dan het volgende:

‘Daarbij komt, dat men in midden-orthodoxe kringen te weinig ernst maakt met de prediking van de twee wegen; de brede en de smalle weg. De spanning die daardoor moet ontstaan in de prediking, wordt vaak dialectisch tot oplossing gebracht. Daar is —met handhaving van Verbond en Heilige Doop — een gebrek aan ernst met het feit, dat ook het kind des Verbonds onder de vermaning staat van: Strijd om in te gaan, want….Te weinig ernst met de ontzagwekkende werkelijkheid, dat een mens er krachtens geboorte buiten staat.’

Gelukkig zijn er nog meerderen in de Hersteld Hervormde Kerk die als het gaat om geestelijke verwantschap op dezelfde lijn zitten als destijds ds. G. Boer en ds. W.L. Tukker, maar er zijn er ook die zich juist meer verwant weten aan hen die de andere geschetste lijn voorstaan. Over doop en verbond wordt zó gesproken dat de notie van tweeërlei kinderen van het verbond nauwelijks meer een plaats krijgt.. Wedergeboorte wordt louter gezien als het meer gelijkvormig worden aan Christus. De wedergeboorte als de opening van het hart en de vernieuwing van de wil zodat we in staat worden gesteld te geloven, komt niet aan de orde. Men start niet bij de verloren zondaar die een kind des toorns is, maar het startpunt is de gelovige mens.

Helaas komt er anderzijds in de Hersteld Hervormde Kerk een prediking voor waarin Christus niet aan elke hoorder wordt verkondigd met bevel van bekering en geloof. Onbekeerd zijn krijgt dan een legitieme status en lijkt een lot te zijn in plaats van schuld. In de bijbelse prediking worden we gedaagd voor Gods rechterstoel en schuldig verklaard maar worden we er ook op gewezen om niet te wachten met het zien op het Lam van God Dat de zonde der wereld wegneemt.

*

Bij alle variëteit moet er ook eenheid van geloof zijn

Er mogen accentverschillen tussen predikers zijn maar in een klassiek hervormde gereformeerde prediking horen we dat we Christus de Zaligmaker nodig hebben en bij wie wij allen welkom zijn. Het tweede krijgt betekenis in het licht van het eerste. Wie Christus kent, heeft geleerd dat hij vanuit zichzelf God niet kon ontmoeten, zo leerde hij tot Christus vluchten en omdat God door Zijn Geest de liefde van Christus geopenbaard in Zijn lijden en sterven in ons hart uitstortte zijn we gaan leven voor Hem Die wij nu aan Gods rechterhand mogen zoeken.

Ik vat het altijd zo samen: één Naam, twee wegen en drie stukken. Ook al zou men deze terminologie niet kennen, in de zaken erachter herkennen kinderen van God wereldwijd elkaar. Verdrietig is het als de prediking kan worden getypeerd met de woorden: één Naam, één weg en één stuk. Zo schetste al weer enige maanden geleden een ambtsdrager de prediking in de gemeente waartoe hij behoorde. Hij zei: ‘We horen echt nog wel dat er maar één Zaligmaker is, maar in de prediking krijgen we de indruk dat wij allemaal de smalle weg bewandelen en dat wij eerder de vraag moeten stellen: ‘Wat moet ik doen om verloren te gaan?’ dan ‘Wat moet ik doen om zalig te worden?’. We worden aangesproken alsof we allemaal verlost zijn en over de wandel met God horen we wel heel weinig.’

Nu, het zal hopelijk duidelijk zijn dat het zo niet moet. Laten predikanten aan gemeenteleden vragen wie Christus voor hen is en hoe zij Hem hebben leren kennen. Predikanten moeten dat ook aan elkaar en aan hun kerkenraadsleden vragen. En gemeenteleden mogen het ook aan ambtsdragers vragen, de predikant niet uitgezonderd. Dat gaf ik al eerder aan bij de wijze waarop je zo’n vraag stelt, hoor je dan wel te verdisconteren dat het om een ambtsdrager gaat. Dan denk ik aan een van mijn overgrootvaders. Hij nam altijd zijn pet af als hij de vrijzinnig hervormde dominee tegenkwam. Toen hem gevraagd werd waarom hij dat deed, zei hij: ‘Niet vanwege zijn leer maar vanwege zijn ambt.’

Als het om het gesprek met elkaar gaat, dan kan bijvoorbeeld, zoals ik ook al eerder aangaf, het bekende lied van Robert Murray M’Cheyne Het wachtwoord der hervormers uitgangspunt zijn. Wat kennen we daarvan? Als gemeentelid, als ambtsdrager en als predikant. Laten we elkaar de weg wijzen, vermanen en vertroosten. De ene heeft dit nodig en de ander dat. De ene keer is er dit nodig en de andere keer dat. Elkaar de weg wijzen kan en mag in alle omstandigheden.

Hier op aarde zal de gemeente vlekken en rimpels houden. In de ene gemeente werkt God rijker dan in de andere. Dat zien we al wanneer we de brieven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië met elkaar vergelijken. Ik ben blij dat ik als hervormd predikant niet aan het Book of Common Prayer (Gemeenschappelijk gebedenboek) van de Anglicaanse Kerk ben gebonden en meen ook dat er voor het bisschopsambt geen grond is in de Schrift, maar afgezien daarvan voel ik mij erg verwant met klassiek gereformeerde anglicanen. Ik denk bijvoorbeeld aan John Newton en John Charles Ryle.

Newton kon zijn gehoor in drie soorten mensen verdelen. Allereerst toehoorders, dat dat waren allen die zijn diensten bezochten of zij nu anglicaan waren of niet. Vervolgens waren er de belijders. Daarbij dacht Newton aan hen die ten avondmaal gingen en tenslotte waren er de kinderen van God. Over de anglicaanse parochie van Olney merkte hij eens het volgende op: ‘Het verheugende is dat het verschil tussen het aantal belijders en kinderen van God niet zo groot is als in menig andere parochie.’ Hij bedoelde daarmee dat degenen die kenmerken van Gods kinderen vertoonden veelal ook ten avondmaal gingen maar vooral ook dat de meeste avondmaalgangers de kenmerken van de kinderen van God vertoonden. Dat was namelijk lang niet overal het geval en Newton wist echt wel dat wij niet over het hart kunnen oordelen.

Echt hervormd is dat wij niet idealistisch over de gemeente denken. Vooral in baptistenkringen dreigt dat gevaar. Meer dan eens wordt daar de indruk gewekt dat als je op volwassen leeftijd door onderdompeling bent gedoopt, je zonder meer een kind van God bent. Echter, nooit mag iemand zich ontslagen weten van de oproep tot zelfonderzoek en van het appel te volharden tot het einde. Bij alle zorgen die er over de Nederlands Kerk zijn en de Hersteld Hervormde Kerk en andere brokstukken van de Kerk van Nederland gaat God nog door met Zijn werk. Telkens weer merk je daarvan ook bewijzen. Dat wil ik met name jonge mensen voorhouden. Wie God aanroept om Zijn genade in Christus komt nooit beschaamd uit.

Laten we dan ook vragen of de Heere overal in Zijn kerk getrouwe predikers wil schenken en op de prediking de vrucht van bekering en geloof. We moeten het ook zo min mogelijk hebben over onze kerk. We moeten niet bij het kerkverband maar bij de Kerk beginnen en die is niet van ons maar van Christus. Dan verblijdt het ons als een gemeente een gestalte van de ene Kerk blijkt te zijn. Bij christen zijn en hervormd zijn behoort ook de houding: ‘Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen die Gods Naam ootmoedig vrezen.’ Daarom sprak in de negentiende eeuw Groen van Prinsterer over de gereformeerde gezindte of hervormde gezindheid. Die gaat over de grenzen van kerkverbanden – en trouwens ook over landsgrenzen – heen Dan gaat het om de gezindheid:

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;
Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,
Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.

Laten zo elkaar en anderen aansporen op weg te gaan naar de stad waar alle disharmonie die er is in de kerk op aarde voorbij is en God alles is en dat in allen.

Plaats een reactie