De eeuwen door is het in het leven van christenen gegaan om het leren kennen van Christus. Een kennis die mede ontstaat en gevormd wordt in de strijd tegen de wereld, de duivel en het eigen ik. De wereld neemt tot op zekere hoogte steeds andere vormen aan en de duivel past zijn tactiek daarop aan.
In nieuwe en zeker door alle technische ontwikkelingen sterk verhevigde vormen, komen oude verleidingen op ons af. Het eigen ik heeft al helemaal de eeuwen door hetzelfde karakter gehad. Het bedenken van ons vlees is vijandschap tegen God. Het wil zich niet aan de wet van God onderwerpen en kan dat ook niet (vgl. Rom. 8:7).
Wat is het ook belangrijk te beseffen dat wij altijd een leerling op de leerschool van Christus moeten blijven. Een ware christen is wel een gered mens. Zijn diepste levensvragen zijn beantwoord. Hij is echter geen gearriveerd mens. Hij is een geredde zondaar. Simul iustus ac peccator. Daarbij moet zowel het eerste als het laatste onderstreept worden.
Hoe oud we ook mogen worden, nooit zullen we uitgeleerd raken in de kennis van Christus. Gearriveerd zijn we pas als wij het nieuwe Jeruzalem binnengaan. Daarvoor zijn we in alle opzichten onderweg. John Bunyan verwoordde dat in de titel van zijn bekendste boekThe Pilgrim’s Progress. Met ‘progress’ bedoelt Bunyan niet alleen dat een christen, een kind van God, op reis is naar het Vaderhuis en dat steeds nadert, maar ook dat hij tijdens die reis geoefend wordt. Er is sprake van voortgang in het geestelijke leven.
*
Dan geef ik nu een passage door uit een preek van Maarten Luther waarin deze zaken treffend worden verwoord. Het is een preek over: ‘Wat dunkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij?’ (Mattheüs 22:42) (Predigten des Jahres 1531, Predigt in Torgau gehalten, am 3. August 1531, über Matth. 22:41 vv, vgl. WA 34.2, 64, 25 – 65).
‘Als ik nu in mijn geweten de zonde voel, de duivel en de hel, dan word ik beangst en verschrikt. Als ik de wereld bekijk zoals deze nu is, dan vrees ik ook – waardoor ik helemaal in verlegenheid raak. Hier moet ik leren, zodat ik kan zeggen: ‘Ik weet Eén Die van mijn vlees en bloed is, mijn beste Vriend, Hij heet Christus en is waarachtig God.’ Is dat waar? Welaan, dan zijn mijn vijanden Zijn vijanden. Waarom laat Hij hen dan toch de wereld regeren? Namelijk daarom, omdat Hij u wil leren en u weer naar school wil brengen, zodat u Hem goed leert kennen. Dit is de les: Hij heeft Zijn vijanden al overwonnen!
Ik echter voel wel hoe sterk ze zijn en hoe ze op me aandringen. Dat komt, omdat ik de Christus nog niet goed begrepen heb. Mijn leven lang, zolang ik vlees en bloed aan mijn hals draag, zal ik op de Christus niet helemaal uitgeleerd raken of Hem volkomen verstaan. Anders zou ik immers geen zonde meer voelen en zou ik ook niet vrezen voor de dood.
De wereld zal dan in uw ogen maar een dor blad zijn! Wanneer u echter nog ziet hoe de wereld in opstand is, vorsten en koningen zich tegen het Woord zetten, als dollen en dwazen ertegen tekeergaan – en u daarover tóch bevreesd bent: dan heeft de duivel u nog aardig te pakken. Men kan dan aan u ook wel vragen: wat ú van de Christus denkt, Wiens Zoon Hij is, en waar Hij zit.’