Een boekje over ds. G. van de Breevaart om kinderen aan te sporen de HEERE te zoeken en te vrezen

Wie was ds. G. van de Breevaart (1902-1974)?

Wim Visser, een gepensioneerde onderwijsman, schreef voor kinderen een boekje over ds. G. van de Breevaart. Hij heeft Van de Breevaart heel goed gekend. Samen met het gezin waartoe hij behoorde, zat hij toen hij vanaf zijn vierde jaar meeging naar de kerk onder deze predikant. Vanaf zijn zesde jaar volgde hij bij Van de Breevaart catechisatie. Omdat Van de Breevaart een vriend van zijn vader was, kwam hij ook regelmatig in het gezin Visser over de vloer. Dus Visser is echt de aangewezen persoon om iets over Van de Breevaart te schrijven.

Ζeker is dat Van de Breevaart op zijn gemeenteleden en vooral ook op de kinderen uit zijn gemeente een diepe indruk maakte. Van de kinderen werd verwacht dat zij vanaf hun zesde jaar naar catechisatie gingen. Met veel bewogenheid sprak hij dan met hen over het enige nodig. En zo niet altijd dan wel heel vaak werd de catechisatieles besloten met het zingen van Psalm 25:6: ‘Wie heeft lust den HEER’ te vrezen’.

Voor ik iets over het boekje van W. Visser meedeel, geef ik voor hen die nog nooit van deze predikant hebben gehoord wat informatie door.

Gerrit van de Breevaart kwam uit een arm gezin in Hendrik-Ido-Ambacht. Na de lagere school ging hij aan het werk in het tuindersvak. Op latere leeftijd kreeg hij de begeerte om het Evangelie te verkondigen. In 1936 trouwde hij met Pietje Snoei. Geestelijk waren Van de Breevaart en zijn vrouw zeer aan elkaar verbonden.

Vanaf 1940 ging hij een stichtelijk woord spreken in wat oorspronkelijk de Gemeenschap ter Verbreiding van de Gereformeerde Waarheid heette. Deze gemeenschap behoorde bij een kring van gemeenten die zich als noodafdak buiten de Hervormde Kerk zagen. In de jaren zestig nam men op initiatief van Van de Breevaart de naam Vrije Oud Gereformeerde Gemeente aan. De andere gemeenten uit de kring van gemeenten waartoe ook zijn gemeente behoorde, zijn zich altijd Hervormd Lokaal of Gereformeerde Samenkomst blijven noemen om daarmee te onderstrepen dat men zich als een noodgemeente buiten de Hervormde Kerk zag.

In 1942 werd hij door ds. H. Hofman uit Schiedam bevestigd tot dienaar van het Woord. Tot zijn overlijden in 1974 is Van de Breevaart de gemeente van Hendrik-Ido-Ambacht trouw gebleven. Hij had geen academische opleiding gevolgd, maar deed veel aan zelfstudie. Preken was zijn lust en zijn leven en hij wist het Woord met bewogenheid te brengen.

Tijdens zijn ambtsbediening groeide de gemeente. Het oorspronkelijke kerkgebouwtje werd op den duur te klein en in 1952 werd een nieuwe kerk in gebruik genomen. Op bid- en dankdagen en op tweede feestdagen reisden ook mensen van elders naar Hendrik-Ido-Ambacht om onder het gehoor van Van de Breevaart te zijn. Soms waren er wel duizend kerkgangers die tot op het trapje van de preekstoel een zitplaats innamen.

Na afloop van de diensten – en ook op andere tijdstippen – werden in de consistorie van de kerk gezelschappen gehouden, waar gesproken werd over de ervaringen met God. Er waren er meerderen die dan kwamen om te luisteren. Zo’n samenkomst was er ook altijd op zondagavond als die zondag het avondmaal was bediend. Aan het einde van zo’n samenkomst gaf Van de Breevaart de aanwezigen dan gelegenheid een Psalm op te geven en zong men een aantal Psalmen. De bijeenkomst na het avondmaal besloot men altijd met het zingen van het lievelingslied van mevrouw Van de Breevaart, namelijk: ‘Jezus, uw verzoenend sterven blijft het rustpunt van ons hart’.

Kerkmuren waren voor deze predikant van ondergeschikt belang. Zijn devies was dat er boven de hemelpoort geen naam van een kerk staat. In zijn prediking benadrukte hij dat een mens gewassen moet zijn door het bloed van het Lam. Omdat hij ook veel buiten de eigen kring van gemeenten preekte, was hij in het land veel bekender de andere predikanten uit deze kring, een bekendheid die toenam toen hij toetrad tot het bestuur van de Mbumazending.

Ook deze predikant had fouten en gebreken, maar die werden op 14 mei 1974 begraven. Opmerkelijk is dat ds. H. Hofman, de predikant die hem in het ambt bevestigde, ook zijn begrafenis leidde. Als het gaat om zijn persoon, zei Van de Breevaart zelf meer dan eens: ‘Een gemeente mag geen afgod van de dominee maken. Daar zijn er twee slecht mee, de gemeente en de leraar’ (een aanduiding voor een dominee die Van de Breevaart evenals anderen vaak gebruikte; P.d.V.).

Er zijn meerdere bundels met preken van de hand van ds. Van de Breevaart verschenen. Ik geef een tweetal citaten uit een van die bundels weer:

‘Erken eens, overdenk eens welke een waarde u voor Hem (namelijk de Heere Jezus Christus) gehad hebt, toen Hij voor u geen waarde had. O, welk een waarde, dat Hij troon en kroon verliet, dat Hij Zijn bloed voor u stortte en dat Hij voor u de dood inging. Welk een waarde. Zouden we dan Hem niet eren en verheffen tot het hoogste onzer blijd­schap?!’

‘Was er zondaar of zondares, die zo heeft moeten wenen dat ze niets meer overhield dan: verloren, van mijn kant verloren?! (…) Ik heb de maat vol gemaakt, maar ik heb gehoord dat de Heere Jezus, Uw Zoon, Zaligmaker is, Die in mensen een welbehagen heeft. Ik heb niets anders mee te brengen dan schuld. Ik heb niets anders mee te brengen dan mijn zonde. Ik heb niets anders mee te brengen dan dat ik onder de vloek lig. Ik kan geen deugd bij mij vinden. Ik kan niet één hoedanigheid meer vinden. Ik kan niets meer vinden. Hier ben ik. Ik kom tot u gevloden in mijn ellende en in mijn verlorenheid. Zou u denken dat die dierbare Christus u zou afwijzen?’

*

Het boekje dat Wim Visser over ds. Van de Breevaart schreef

Visser neemt kinderen als het ware bij de hand als hij vertelt over ds. Van de Breevaart. Hij vertelt over deze predikant en zijn levensgang om kinderen heilig jaloers te maken op hen voor wie Christus alles is geworden. Niet minder dan voor zijn geestelijke leermeester gold, merk je dat ook hij wenst dat kinderen al jong de HEERE gaan vrezen.

In kaders worden vragen aan kinderen gesteld over hun verhouding tot God en is een Psalm afgedrukt die zij kunnen zingen. In het boekje wordt nogal eens de uitdrukking ‘nieuw hart’ genoemd. De een gebruikt die uitdrukking vaak, terwijl de ander hem massief bekritiseert. Dan gaat het met name om de zin: ‘Bid maar veel om een nieuw hartje.’ Nu, dat lijkt ook mij niet de meest gelukkige manier om kinderen op Christus te wijzen. Vertel hun over de nood van de zonden en spoor hen aan de HEERE te zoeken en te vrezen Die ons in Christus Zijn vriendschap biedt.

Wie fundamentele bezwaren heeft tegen de uitdrukking ‘nieuw hart’, moet zich wel realiseren dat ze teruggaat naar Ezechiël 36 waar de HEERE belooft aan het volk Israël in ballingschap dat Hij het stenen hart wegneemt en een vlesen hart schenkt. David bidt in Psalm 51 na zijn diepe val in zonde met Bathseba of de HEERE hem een rein hart wil scheppen. Dan is veelzeggend dat David het woord ‘scheppen’ gebruikt.

Van onszelf uit zijn we onwillig de HEERE te zoeken. Als God het niet verhoedt, blijven we ondanks het feit dat wij voelen dat de boodschap van de Bijbel waar is, hinken op twee gedachten. Dat heeft de kerkvader Augustinus gemerkt. Hij ging tot God bidden met de volgende woorden: ‘Geef U mij wat U mij beveelt en beveel dan van mij wat U van mij wilt.’ Hij ging bidden om een nieuw hart. Deze bede werd verhoord toen Augustinus, gezeten in de tuin en sprekend met een vriend, een jongen of meisje uit de tuin van een nabijgelegen villa hoorde zingen: ‘Neem en lees’.

Augustinus nam toen het bijbelhandschrift dat hij bezat ter hand en las: ‘Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.’ (Romeinen 13:14) Toen brak het moment aan dat hij niet meer anders wilde dan naar deze roepstem luisteren. In tegenstelling tot wat hij tot dusver had gedacht, werd hij geen gekooid maar een bevrijd mens.

Al biddend om Gods Geest terwijl Augustinus die Geest helemaal niet wilde ontvangen (een dag vóór zijn dood was hem vroeg genoeg), leerde God Augustinus bidden door Zijn Geest. In De Spiritu en littera (Over de Geest en de letter) schreef de kerkvader: ‘De Geest zelf maakt dat wij bidden, Hij zucht in ons, Hij maakt dat wij geloven.’

Als predikanten fundamentele bezwaren hebben tegen de uitdrukking ‘een nieuw hart’, vraag ik mij af of zij ooit weleens hebben gepreekt over Johannes 3:3 en hoe zij dat dan hebben gedaan: ‘Jezus antwoordde en zei de tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.’

Mensen hebben hun gebreken. Dat geldt ook van boeken. Tegen mijn studenten zei ik toen ik nog lesgaf aan het Hersteld Hervormd Seminarie: ‘Elk boek, ook als het een heel goed boek is, moet je kritisch lezen. Er is slechts één boek waarbij je dit niet moet en zelfs niet mag doen, en dat is de Bijbel.’

Zo zal dit boekje voor kinderen ook wel gebreken hebben. Ouderen kunnen daar de vinger op leggen. Voor kinderen ligt dat anders. Ik hoop dat ouders het voor hun kinderen kopen en grootouders voor hun kleinkinderen, en hen de aansporing meegeven dat zij niet te jong zijn om God te gaan vrezen en Christus als Zaligmaker van zondaren lief te gaan hebben.

W. Visser, Door U, door U alleen! Over het leven van Ds. G. van de Breevaart uit Hendrik-Ido-Ambacht (1902-1974) (Krabbendijke: Drukkerij en boekhandel Van Velzen, 2025), gebonden, 76 pp., €12,50 (ISBN 9789070697839)

Plaats een reactie