Het Evangelie van Gods genade, Gods beloften en het appel om tot Christus te gaan

Mij werd alweer enige tijd geleden gevraagd hoe wij moeten denken over het onderscheid tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke beloften. Dit voorjaar bereikten de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Gemeenten in Nederland overeenstemming over de plaats van het aanbod van genade in de prediking. In 1953 gingen om die reden de wegen uiteen. Nu is er overeenstemming bereikt en in de verklaring daarover wordt het onderscheid tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke beloften gebruikt. Is er vanuit de Schrift aanleiding dit onderscheid te maken?

*

Het Evangelie: de boodschap van vrijspraak en verlossing voor schuldige zondaren die zichzelf niet kunnen redden

Het Evangelie van Gods genade zegt ons dat Christus in de wereld kwam om zondaren zalig te maken. Daarom mag en moet aan alle volkeren het Evangelie verkondigd worden met het appel van geloof en bekering. Om in de schatten van het Evangelie te delen – en dan denk ik aan de vergeving van de zonden en het eeuwige leven – is geloof en bekering nodig.

Geloven wil zeggen dat wij onszelf veroordelen, dat wij erkennen dat we schuldig staan voor God en zo op Christus als volkomen Zaligmaker leunen. Bekeren wil zeggen dat wij breken met zondige levenspatronen die ons van God scheiden, dat wij tegen onszelf gaan strijden, tegen zondige gevoelens en gedachten die wij tot onze dood toe houden, en dat wij naar al Gods geboden willen gaan leven en God willen verheerlijken.

Het Evangelie kan en mag nooit zonder de Wet verkondigd worden. Immers, de inhoud van het Evangelie is dat Christus ons van de vloek van de Wet, van de veroordeling door de Wet bevrijdt. Sinds de zondeval heeft de mens de eeuwige rampzaligheid verdiend. Zonder de boodschap dat de Wet ons veroordeelt, heeft de boodschap van vergeving van zonden en vrijspraak op grond van het werk van Christus geen betekenis.

Het Evangelie mag en kan niet zonder de Wet verkondigd worden, maar het omgekeerde is niet minder waar: de Wet mag nooit zonder het Evangelie worden verkondigd. Waar dat wel gebeurt, maakt de prediking van de Wet óf wanhopig en vervolgens vaak zorgeloos óf eigengerechtig. In het laatste geval vinden we dat er in ons toch nog pluspunten zijn.

Dat kan ook gebeuren als heel rechtzinnig wordt beleden dat wij verloren zondaren zijn. Maar dan vindt men toch nog houvast in het feit dat men onder een zuivere prediking komt, de middelen van genade trouw gebruikt, uiterlijk netjes leeft, enz. De Wet is echter bedoeld om ons uit te drijven tot Christus. Als een prediking echt bijbels is, wordt duidelijk dat er maar twee soorten mensen zijn: mensen die zich tegen God verzetten en mensen die zich aan Hem gewonnen hebben gegeven. Dan wordt ons geen enkele rust gegeven buiten Christus. Ook niet als onze gerustheid een rechtzinnige vorm heeft.

*

De oproep tot geloof en bekering

Verzet tegen het Evangelie kan allerlei vormen hebben. Het kan de vorm hebben van een gearriveerd geloof en ook de vorm van lijdelijk afwachten waarbij men zichzelf meer als een slachtoffer ziet dan als een schuldige. In een bijbelse prediking worden hoorders alle uitvluchten en argumenten om niet tot Christus te vluchten en onbekeerd voort te leven uit handen genomen. Dan gaat de veroordeling door de Wet samen met de uitnodiging om tot Christus te vluchten. En wie tot Christus vlucht en oog krijgt voor Zijn heerlijkheid, krijgt ook de wens om voor Hem te gaan leven. Zo is geloof nooit zonder bekering.

Het mooiste beeld voor de oproep tot geloof en bekering is dat van een huwelijksaanzoek. In de naam van Christus komt in de prediking – en trouwens ook in de christelijke opvoeding – het appel tot ons om ons aan Christus te verbinden als Bruidegom van onze ziel en zo een levend lid te worden van Zijn Bruidsgemeente. De prediking van het Evangelie is dan heel wat meer dan een mededeling van de rechtzinnige leer. Er wordt een appel op ons hart gedaan om niet te blijven wie wij zijn.

Niemand kan zeggen dat hij met deze boodschap niets doet. Wie niet in een waar geloof tot Christus vlucht, wijst Hem af. Dat afwijzen heeft allerlei vormen, maar de vorm maakt uiteindelijk niet uit. Als we tot Christus vluchten, komt dit omdat Hij ons hart inneemt. We krijgen oog voor de heerlijkheid en schoonheid van Zijn Middelaarswerk: Hij droeg de straf die wij hebben verdiend.

Er wordt wel gesproken over de ‘eis van geloof en bekering’, maar ik spreek liever van de ‘oproep tot geloof en bekering’. Het woord eis past veel meer bij de Wet dan bij het Evangelie. Alleen is de oproep tot geloof en bekering niet vrijblijvend. De oproep mag niet worden afgewezen. Ik wijs slechts op de woorden van Mozes aan het slot van zijn laatste toespraak tot het volk Israël: ‘Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen den hemel en de aarde; het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek! Kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw zaad.’ (Deuteronomium 30:19)

*

Is Gods genade voorwaardelijk of onvoorwaardelijk?

Er is wel gesproken over geloof en bekering als voorwaarde. We vinden dat al bij Zacharias Ursinus, de belangrijkste opsteller van de Heidelbergse Catechismus, in zijn Het Schatboek. Het Evangelie wordt ons verkondigd op voorwaarde (Ursinus gebruikt het Latijnse woord conditio) van geloof en bekering. Zonder geloof en bekering delen wij niet in Gods genade en dat kan en mag bijbels gezien niemand ontkennen.

Onder andere de Schotse theoloog Samuel Rutherford maakt in het verlengde daarvan verschil tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke beloften. Voorwaardelijke beloften zijn verbonden met het bevel van geloof en bekering. Dan kunnen we bijvoorbeeld denken aan Mattheüs 11:28: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.’ In de onvoorwaardelijke beloften betuigt God Zijn kinderen/de gelovigen van Zijn vergevende liefde, trouw en Vaderlijke zorg. Voorbeelden daarvan zijn: ‘Uw zonden zijn u vergeven’ (Lukas 7:48) en: ‘Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël. vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.’ (Jesaja 43:1)

In het licht van de tijd gelden bij de onderscheiding van voorwaardelijke en onvoorwaardelijke beloften de onvoorwaardelijke beloften de gelovigen. In het licht van de eeuwigheid zijn dat de uitverkorenen. Van groot belang is dan wel dat als wij zo spreken, we er direct bij zeggen dat Christus de spiegel is van de uitverkiezing. De uitverkiezing mogen we ook niet in mindering brengen op de oproep tot geloof en bekering die tot allen komt die met het Evangelie in aanraking komen. De uitverkiezing laat ons zien dat de zaligheid van het begin tot het einde genade is en wij daarom niet in onszelf mogen roemen. Alles wat wij hebben – en dat geldt ook van geloof en bekering – hebben wij ontvangen.

*

Hoe worden woorden gebruikt?

Van meerdere woorden geldt dat de een die heel anders gebruikt dan de ander. Dat is ook binnen de theologie het geval, als het gaat om zowel ‘onvoorwaardelijk’ als ‘voorwaardelijk’. Er zijn theologen en christenen die niet willen weten van het woord voorwaardelijk in relatie tot Gods genade omdat bij hen de oproep tot geloof – en zeker die tot bekering – geen plaats heeft. Ook zonder dat er sprake is van geloof en bekering deelt een mens in Gods genade. In dit verband denk ik aan Karl Barth. Hij stelt dat wij over de mens alleen vanuit Christus kunnen spreken. Verloren gaan is voor hem een onmogelijke mogelijkheid. Gods ja, zo kan Barth zeggen, is machtiger dan ons nee. En dan bedoelt hij niet dat God in Zijn onwederstandelijke genade onze wil vernieuwt, maar dat de mens ook zonder geloof in Gods genade kan delen.

Meerderen die niet zover willen gaan, menen wel dat je in ieder geval tegen ieder lid van de kerk kan zeggen dat hij onvoorwaardelijk door God geliefd is. Duidelijk is dat er dan geen enkele noodzaak is tot zelfonderzoek. Men hoeft zich niet af te vragen of er sprake is van een levend geloof dat blijkt in vruchten van bekering. Dat deze zienswijze leidt tot de gedachte dat wij ook niet aan de zaligheid hoeven te twijfelen van hen die met de kerk hebben gebroken is niet verwonderlijk. Gods genade is immers onvoorwaardelijk?!

Het zal duidelijk zijn dat als wij in deze context het woord onvoorwaardelijk gebruiken in relatie tot genade, we de Schrift niet aan onze kant hebben. We krijgen alleen deel aan Gods genade door geloof in Christus. Zolang we niet door een waar geloof in Christus zijn ingeplant, rust de toorn van God op ons. God kan ons alleen maar aanvaarden op grond van de gerechtigheid van Christus die Hij ons toerekent en die ons deel wordt door geloof. De waarachtigheid van het geloof blijkt uit de vruchten van bekering.

*

Het gebruik van het woord onvoorwaardelijk door de Marrowmen

Toch kan het woord onvoorwaardelijk ook anders worden gebruikt. Dan denk ik aan de Schotse Marrowmen van wie Thomas Boston en de broers Ralph en Ebenezer Erskine de belangrijkste vertegenwoordigers zijn. De Marrowmen zeggen niet dat Gods genade onvoorwaardelijk is, maar wel dat het aanbod van Gods genade of het aanbod van Christus onvoorwaardelijk is en dat de beloften die van Gods genade in Christus getuigen onvoorwaardelijk zijn. Hebben zij het over voorwaardelijke beloften, dan denken zij niet aan beloften die verbonden zijn met de oproep tot geloof en bekering, maar met het werk van Gods Geest in ons, of anders gezegd: aan de heiligmaking. Zij stellen daarom dat ons geloof zich allereerst moet richten op Gods beloften die spreken van het werk dat Christus buiten ons tot stand bracht. Die zijn onvoorwaardelijk.

In dit verband maken zij een onderscheid tussen het recht van aanneming en het recht van bezit. Elke hoorder van het Evangelie heeft zowel de plicht als het recht om Gods beloften aan te nemen. Hij moet niet gaan zoeken naar voorwaarden of geschiktheden in zichzelf. Juist daarom wilden de Marrowmen niet spreken van een voorwaardelijk aanbod van genade. Het aanbod van Gods genade is niet gebaseerd op iets dat in de mens is te vinden. Dat neemt niet weg dat het recht op het bezit van Gods beloften alleen geldt voor hen die de beloften in een waar geloof omhelzen.

In Nederland is, om deze zaak duidelijk te maken, vaak het onderscheid tussen ‘toezegging’ en ‘deelachtigmaking’ gebruikt. In de vorm van toezegging komen de beloften tot allen. Om er in te delen is geloof nodig. Dat geloof is overigens een gave van God. Maar dan hebben we het over de wortel of bron waaruit het geloof opkomt, namelijk de levendmakende werking van Gods Geest en de trekkende liefde van de Vader. We moeten echter de bron van het gaan tot Christus (de krachtdadige roeping) niet verwarren met het recht om tot Christus te gaan die ligt in de beloften of toezeggingen van het Evangelie.

Ds. C. Harinck, emeritus-predikant van de Gereformeerde Gemeenten, plaatste een kritische kanttekening bij de verklaring van overeenkomst over het aanbod van genade tussen de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Als men het gedachtegoed van de Marrowmen had verwerkt in deze verklaring – en dan denk ik vooral aan het recht van het aannemen van Gods beloften dat alle hoorders van het Evangelie geldt en het recht van bezit voor de gelovigen – dan had hij geen kritische kanttekening hoeven maken.

De Marrowmen waren ervan overtuigd dat het Evangelie een boodschap is voor schuldige zondaren. Daarom predikten zij Christus tegen de achtergrond van de aanklacht door Gods wet. Zij wilden echter niet zeggen dat alleen berouwvolle zondaren tot Christus mogen komen. Hun argument was dat echt berouw er nooit kan zijn voordat men tot Christus gaat. Zij wezen er daarbij ook op hoe de Westminster Confession of Faith over bekering/berouw spreekt.

Kennis van zonde zonder geloof, dat wil zeggen die er niet toe leidt dat men tot Christus vlucht, heeft geen waarde. Niet minder waar is dat geloof zonder kennis van zonde geen betekenis heeft. Wie in geloof tot Christus komt, komt immers tot Hem als Zaligmaker van zondaren. Kennis van zonde is een onderdeel van het geloof waarmee de zondaar Christus omhelst. De Marrowmen konden in dit verband zeggen dat alleen een mens die ontdekt is aan zonde tot Christus komt, maar dat het niet nodig is dat een mens van zichzelf weet dat dit zo is. Juist wie werkelijk overtuigd is van zonde, kan erover klagen dat zijn hart zo hard is. Wie van zichzelf vindt dat hij werkelijk en diep genoeg van zonde overtuigd is, maakt van deze overtuiging een grond terwijl de grond Christus moet zijn die in geloof wordt omhelsd.

*

Prediking is allereerst proclamatie

In de prediking mag het beschrijvende element een plaats hebben. Dan denk ik aan beschrijvingen van wie Gods kinderen zijn, hoe zij wandelen met God en ook aan beschrijvingen van hun aanvechtingen. Er kan ook beschreven worden hoe de Heere mensen tot inkeer brengt. Zaak is dat die beschrijvingen de toetssteen van de Schrift kunnen doorstaan. Dan nog moet worden gesteld dat prediking allereerst proclamatie is.

Een prediker moet mensen voor Gods rechterstoel dagen en verklaren dat zij schuldig staan aan al Gods geboden. Dan moet het niet alleen gaan over concrete overtredingen van Gods geboden, maar ook over ons zondige bestaan. In ons hart leven boze bedenkingen tegen al Gods geboden.

De zondaar die schuldig is verklaard, mag en moet ook gewezen worden op de Heere Jezus Christus als de volkomen Zaligmaker Die gewillig is iedere zondaar te ontvangen die tot Hem komt. Hij is het Lam van God Dat de zonde van de wereld wegneemt.

Laten predikers en christenen vasthouden aan, of terugkeren tot de bijbelse waarheden van volstrekte verlorenheid van de mens, van de verzoening door het bloed van Christus en van de noodzaak van wedergeboorte. Laten we er ook aan vasthouden dat God de vermaningen en aansporingen van de Schrift die in de prediking worden doorgegeven, gebruikt om door de Heilige Geest geloof en bekering te werken en in stand te houden. Daarom moet het Evangelie gepredikt worden met bevel van bekering en geloof.

We moeten ook niet denken dat heel exacte formuleringen misbruik kunnen voorkomen, hetzij van de wetenschap dat een mens verloren is hetzij van de wetenschap dat God ons in Christus Zijn vriendschap aanbiedt. Laat het Evangelie gepredikt worden met bevel van bekering en geloof, en laat in de prediking duidelijk worden wat verborgen omgang met God en leven met God inhoudt. In dat verband mag en moet dan gesproken worden over de kenmerken van de kinderen van God.

*

Leren van Robert Murray McCheyne

Heel de gereformeerde gezindte kan naar mijn diepe overtuiging in dit opzicht leren van de Schotse jong overleden prediker Robert Murray McCheyne. Allerlei weinig vruchtbare discussies kunnen dan worden gestaakt. De Heere trok mij rond mijn vijftiende levensjaar naar Zichzelf. In die tijd ging ik de boeken lezen die in de boekenkast van mijn vader stonden. Daar hoorde ook De Bron van zaligheid van McCheyne bij. Vooral de eerste preek uit deze bundel maakte op mij een onuitwisbare indruk.

Deze gaat over de woorden: ‘De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft Haar stem op de straten. Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad; Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest u overvloedig uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.’ (Spreuken 1:20–23)

Direct na de openingspassage lezen we van McCheyne de volgende woorden: ‘Voordat ik, mijn broeders, u deze ernstige en hartdoordringende roepstem des Heeren op uw gemoed wil drukken, begeer ik eerst u twee verklaringen onder de aandacht te brengen. Vooreerst, dat de roepstem van de Zaligmaker in de aangehaalde woorden en de belofte waarmee zij vergezeld gaat gericht is tot (ongeredde) zondaren en niet tot heiligen. Zij is ook niet gericht tot alle zondaren zonder onderscheid, niet tot hen, die wakker geschud zijn om hun zonde en gevaar in te zien en uitroepen “Mannenbroeders, wat zullen wij doen?” maar zij is gericht tot de slechten, die hun slechtigheid beminnen, tot de spotters die de spotternij begeren, tot de zotten die de wetenschap haten. (…)

Mijn tweede verklaring is, dat de roepstem van Christus aandringt tot een onmiddellijke bekering. Hij zegt niet: waarom wilt gij u slechtigheid beminnen, maar “hoelang zult gij uw slechtigheid beminnen?’’ Ook zegt Hij niet: Keer u te eniger tijd en Ik zal Mijn Geest uitstorten, maar: “Keert u tot Mijn bestraffing”; dat is: Keert u heden tot Mij, terwijl Ik u bestraf. Onmiddellijke bekering tot God, onmiddellijke aanneming van het bloed van Christus en de rechtvaardigheid Gods (McCheyne doelt hier op de door God aan de zondaar toegerekende gerechtigheid van Christus; P.d.V.), een bekering nu, dit en niets dan dit is het leerstuk van onze tekst.’

Plaats een reactie