Ach Heere, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.(Psalm 6:2)
God heeft twee manieren om te straffen. De ene manier is dat Hij straft in genade, als een vriendelijke Vader en slechts voor een tijd. De andere is dat Hij dat doet in toorn, als een strenge Rechter en dan voor eeuwig. Als God de mens aanraakt, dan is de menselijke natuur zwak en angstig. Zij kan eerst niet weten of God haar uit toorn of uit genade aanraakt. En omdat zij vreest voor de toorn begint zij te roepen: ‘Ach Heere, straf mij niet in Uw toorn.’ Dat is: laat Uw straf in genade zijn en tijdelijk; wees een Vader en geen Rechter. Zoals ook Augustinus zegt: Ach God, brand hier maar, hak hier maar, sla hier maar, maar spaar ons dáár voor Uw rechterstoel. Hij bidt niet om helemaal ongestraft te blijven, want dat zou immers geen goed teken zijn. Maar hij vraagt om als een kind door Vader gestraft te worden.
Dat hier in deze psalm door een zondaar – of eigenlijk door Christus, in naam van een zondaar – wordt gesproken, blijkt wel duidelijk als Hij ook over straf spreekt, want God straft ons niet om onze rechtvaardigheid.
Niet alleen de goddelozen, maar ook alle heiligen en christenen moeten daarom belijden dat zij zondaren zijn en vrezen voor de rechterstoel van God. Want deze psalm bedoelt alle mensen en zondert niemand uit. Daarom, wee over alle mensen die niet vrezen, hun zonden niet gewaarworden en rustig het ontzaglijke oordeel van God tegemoet gaan, tot Hem, aan Wie toch geen enkel goed werk behagen kan.
[Die sieben Bußpsalmen (1525) WA 18, 479 ff]