Hoor ik het goed in de kerk? Een Bijbels antwoord op vragen bij de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking

In het boekje Hoor ik het goed in de kerk? Een Bijbels antwoord op vragen bij de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking voert R.P. van Dijk een pleidooi om onder een prediking op te gaan waarin naar voren komt dat de zaligheid enkel uit genade is en God alle eer krijgt. Daarin kan ik hem alleen maar bijvallen. Hij gaat in op kritische vragen bij zo’n prediking en vanuit Gods Woord probeert hij op die vragen antwoorden te geven.

De Schriftuurlijk-bevindelijke prediking wordt in Nederland in meerdere delen van de kerk gebracht. De context van de vragen en van het boekje past meer bij een afgescheiden dan bij een hervormde gemeente. In een hervormde gemeente kan zo’n prediking klinken, terwijl een niet onbelangrijk deel van de gemeente heel anders georiënteerd is. Zo’n situatie komt in dit boekje niet aan de orde en dus ook niet wat onze houding in zo’n situatie moet zijn. We vinden geen personalia van de auteur, maar ongetwijfeld behoort hij tot een van de afgescheiden kerken.

Een zwakte is dat in het boekje weinig aandacht wordt gevraagd voor het feit dat binnen de kaders die worden genoemd, de accenten toch verschillend kunnen vallen. Dat zien we zowel in Nederland als daarbuiten. Ik beperk mij tot voorbeelden uit de kerkgeschiedenis. Wie de preken van M’Cheyne naast die van Philpot legt, bemerkt dat bij M’Cheyne een heel nadrukkelijke oproep klinkt om zonder uitstel tot Christus te gaan en zich te bekeren zonder dat hij iets afdoet van de verdorvenheid van de mens. Bij Philpot vinden we in zijn preken een dergelijk appel niet, maar hij spreekt wel heel diep over het werk van Gods Geest in de harten en levens van de Zijnen.

Als ik de naam van Philpot noem is dat als voorbeeld dat men iemands gemeente- en doopvisie kan afwijzen en tegelijkertijd waardering voor zijn prediking kan hebben. Ik denk in dit verband ook aan Spurgeon. Bij hem vinden we trouwens net als bij M’Cheyne een heel krachtig appel tot bekering en geloof. De grondtonen van een prediking kunnen bijbels zijn, terwijl een prediking toch kennelijke gebreken heeft. Het is niet altijd zwart-wit en soms is een situatie wel heel grijs. Een gemeente kan ook langzamer of sneller van kleur verschieten. Een predikant kan toenemen in helderheid maar ook verachteren in de genade. Van zowel het een als het ander geeft de kerkgeschiedenis voorbeelden. Dat zijn zaken die in het boekje Hoor ik het goed in de kerk? niet aan de orde komen.

Hoe dan ook is de Schrift het einde van alle tegenspraak en niet een predikant, ook al weet hij van een nauwe omgang met God. De auteur stapt soms iets gemakkelijk over van het Woord naar de predikant die een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking brengt. We moeten ook niet vergeten dat een predikant niet per definitie bekeerd is. Dat zijn gedachten die ik bij afgescheidenen nogal eens heb gemist, en als hersteld hervormd predikant hoop ik dat het zicht daarop in de Hersteld Hervormde Kerk niet verdwijnt.

Een inmiddels al langer geleden overleden goede vriend van mij die als ouderling vele jaren een Oud Gereformeerde Gemeente heeft gediend, achtte het wel heel erg opzien tegen predikanten een zwakte van zijn kring. Kritiek op een predikant was ongeoorloofd of het moest zijn dat men iemands genadestaat in twijfel trok, en dan was in zijn kring het einde van de loopbaan van een predikant in zicht. Óf men zag hoog tegen een predikant op óf men schreef hem helemaal af. Een oproep tot zelfonderzoek leek voor een predikant niet nodig te zijn. Hij had met dit alles moeite en verwoordde dat zo: ‘In de Hervormde Kerk komen ook nog weleens dominees tot bekering maar in kerken waar zij het allemaal bij voorbaat al denken te zijn gebeurt dat nooit.’

Ds. Jac. van Dijk begon zijn ambtelijke loopbaan in de Hervormde Kerk als links-vrijzinnig predikant. Toen hij als vrijzinnig predikant in ’s Gravezande stond, kwam hij tot bekering. Hij preekte sinds die tijd de ene Naam, de twee wegen en de drie stukken. Van Dijk is plotseling overleden. De jaren ervoor had hij geleden aan een ernstige depressie. Hij werd aangevochten of hijzelf wel deel had aan hetgeen hij anderen had gepredikt. Was hij geen toneelspeler geweest?

Op advies van begeleiders beschreef hij in een boekje zijn leven. Het kreeg de titel: Het nooit verloren vergezicht. Het laatste hoofdstuk luidt: ‘Kan ook een dominee zalig worden?’ Van Dijk wist dat het een wonder van genade blijft als een dominee die een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking heeft gebracht, voor zichzelf mag weten deel te hebben aan Christus en aan de door Hem verworven zegeningen. Deze overwegingen mis ik eigenlijk ook in het boekje Hoor ik het goed in de kerk?

Met de auteur houd ik vast aan het feit dat ook kinderen van christenouders gedoopt behoren te worden. Hij spreekt in dat verband over het erf van het verbond. Als erf als erfdeel wordt bedoeld, val ik hem bij. Hij kan echter erf ook als het erf van een boerderij opvatten. Echter, deze zienswijze dat kinderen zich wel heel dicht bij Gods kerk bevinden maar er toch geen deel van uitmaken is de zienswijze van (gereformeerde) baptisten.

Ook een baptist weet dat kinderen die mogen opgroeien in een christelijk gezin zeer bevoorrecht zijn. Zowel Engelse als Amerikaanse gereformeerde baptisten heb ik in dat kader een beeld horen gebruiken dat nog veel inniger is dan het erf van een boerderij. Kinderen bevinden zich naar hun overtuiging in het portaal van de kerk. Een gereformeerde baptist zal niet minder dan wij zijn kinderen willen winnen voor de boodschap dat Christus een volkomen Zaligmaker is. Maar hij ontkent dat kinderen erfgenamen van Gods verbond zijn en leden van Zijn gemeente en daarom acht hij het onjuist dat kinderen van christenouders worden gedoopt.

Wij mogen zeker weten dat God Zijn beloften in al Zijn uitverkorenen vervult, maar niet minder waar is dat Christus in Wie al Gods beloften ja en amen zijn, aan allen verkondigd moet worden met bevel van bekering en geloof. Als we spreken over Gods beloften moeten we dat ook gevarieerd doen en aansporen om tot Christus te gaan met de belofte dat Hij rust geeft. Er zijn beloften van Gods vaderlijke zorg over al de Zijnen.

De auteur beklemtoont de relatie tussen Gods beloften en Zijn eeuwige raad, maar andere verbanden worden minder nadrukkelijk belicht. Kohlbrugge heeft ervoor gewaarschuwd de leer van de verkiezing niet uit zijn bijbelse verband te rukken, en Calvijn zei meer dan eens dat Christus de spiegel is van de verkiezing.

Na deze kanttekeningen te hebben geplaatst wil ik onderstrepen dat ik bid dat alom de prediking van Wet en Evangelie klinkt: de Wet die ons schuldig verklaart en het Evangelie dat ons betuigt dat Christus stierf om zondaren zalig te maken en te reinigen van dode werken. Dan wordt ook duidelijk dat er maar twee soorten mensen zijn verloren zondaren en geredde zondaren. Dan kunnen we er helaas niet van uitgaan dat als de prediking helder is de gemeente voor een niet onbelangrijk deel uit geredde zondaren bestaat. Dat beweert de auteur ook niet. Het is gelukkig ook zo dat wij geredde zondaren tegenkomen die in een gemeente waar de prediking aan helderheid te wensen overlaat. Die notie mis ik in Hoor ik het goed in de kerk?

Het beste bewijs dat men het Evangelie echt verstaat en beleeft, is een nauwe wandel met God die blijkt in een godzalig leven. Dat vind je in de ene gemeente meer dan in de andere. Dat blijkt al uit de brieven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië. We mogen wel vurig vragen of daar waar een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking wordt gebracht het zo blijft, want dat is niet vanzelfsprekend. We mogen ook vragen of het daar komt waar het nu niet is. Laten wij onszelf afvragen of Gods Geest Zijn Woord ook in ons hart heeft geschreven, of wij gedaagd werden voor Gods rechterstoel en zo deel kregen aan het bloed van het Lam. Laat jong en oud zich onderzoeken of zij mogen zingen:

Hoe wonderbaar is Uw getuigenis!
Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren;
Want d’ oop’ning van Uw woorden zal gewis,
Gelijk een licht, het donker op doen klaren;
Zij geeft verstand aan slechten, wien ’t gemis
Van zulk een glans een eeuw’gen nacht zou baren.

R.P. van Dijk, Hoor ik het goed in de kerk? Een Bijbels antwoord op vragen bij de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking (Barneveld: Gebr. Koster, 2026), paperback 175 pp., €14,95 (ISBN 9789463703734)

Plaats een reactie