Mag je pleiten op Gods beloften?

Gods beloften en het gebed ‘O God, wees mij de zondaar genadig’

Wie de kerkelijke pers en het kerknieuws van het RD leest, weet dat daarover discussies worden gevoerd. De kwestie komt ook in boeken aan de orde. Vaak zijn discussies daarover gerelateerd aan de doop, waarbij het dan wel altijd over de doop van kinderen gaat. Eigenlijk vind ik het een vreemde vraag. Het zou hetzelfde zijn als je zou vragen: ‘Mogen wij bidden: “O God, wees mij de zondaar genadig” (Lukas 18:13)?’ Ik zou wensen dat ik in welke kerk ook en in welk verband ook meer mensen tegenkwam aan wie je bemerkt dat zij dit gebed hebben leren bidden.

Ik weet wel dat als de Heere Zijne goede werk in ons begint, er niet altijd evenveel vrijmoedigheid is. Hoe dan ook lopen we als het goed is niet met onszelf te koop, maar het verblijdt mij als ik merk dat mensen weet hebben van de bede: ‘Zie mijn berouw, hoor, hoe een boetling pleit,
En reinig mij van al mijn vuile zonden.’ Dan hebben mensen in beginsel hun doop leren verstaan. Zolang zij zo niet bidden  is dat niet het geval.

Mij is wel gevraagd: ‘Maar wat zou u mensen aanraden die er bevreesd voor zijn dat zij zo nog niet hebben leren bidden?’ Wel dan denk ik aan het gedicht van Guido Gezelle:

Gij bad op ene berg alleen,

en… Jezu, ik en vind er geen,

waar ‘k hoog genoeg kan klimmen

om U alleen te vinden:

Dan wijs ik op het vervolg daarvan:

de wereld wil mij achterna,
alwaar ik ga
of sta
of ooit mijn ogen sla;
en arm als ik en is er geen;
geen een,
die nood hebbe en niet klagen kan;
die honger, en niet vragen kan;
die pijne, en niet gewagen kan
hoe zeer het doet!
O leer mij, arme dwaas, hoe dat ik bidden moet!

Een godsdienstig mens die nog een vreemdeling is van God en Zijn eigen hart, pleit niet op genade maar op eigen verdiensten. Hij of zij gaat er ofwel van uit dat hij geen genade nodig heeft, óf uiteraard in de genade deelt. Als het gaat om het pleiten op Gods beloften en niet op eigen verdiensten en om het roepen om genade, is het mogelijk de juiste woorden te gebruiken en dat er toch geen sprake is van echt pleiten en echt roepen om genade.

De gedachte dat als wij de zaken maar op de millimeter nauwkeurig definiëren en de juiste formuleringen – dan wel naar ons gevoel juiste formuleringen – gebruiken, is een ernstig misverstand. Dan kan de Deense filosoof Kierkegaard ons helpen. Hij heeft geschreven dat sinds de Heere Jezus de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar vertelde, alle farizeeërs bidden: ‘O God, wees mij de zondaar genadig.’ Immers, een farizeeër redeneert: ‘Als het daarop vastzit en dat de bedoeling is, dan doe ik dat.’ Kierkegaard zei ook: ‘Er staan inmiddels zoveel tollenaars op het tempelplein, voor een farizeeër is helemaal geen plek meer.’

Wat Kierkegaard wilde zeggen, is dat mensen die bij het Evangelie zijn opgevoed zich voetstoots met de tollenaar kunnen identificeren, zonder dat zij ooit hebben leren beseffen dat zij schuldig staan voor God en genade nodig hebben. Om je met de verloren zoon of met de tollenaar te identificeren, is roeping uit de duisternis tot Gods wonderbare licht en wedergeboorte nodig. Toen Paulus – die was als de oudste zoon uit de gelijkenis van de verloren zoon (een gelijkenis die overigens beter de gelijkenis van de wachtende vader kan worden genoemd) – genade ontving, leerde hij zichzelf als de voornaamste van de zondaren kennen (1 Tim. 1:15-16).

Paulus heeft ons verteld hoe hij leerde leven bij Gods genade. Hij schreef aan de gemeente van Efeze: ‘Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden)’ (Efeze 2:4-5). In die wetenschap waren christenen met joodse wortels en heidense wortels één.

Naar ons toe vertaald kunnen wij zeggen: in deze wetenschap zijn mensen één die reeds van hun ouders als klein kind het Evangelie hoorden en degenen die het pas op latere leeftijd hoorden. Allen stonden van huis uit buiten – en dan maakt het tenslotte niet uit of je ver van de toegangsdeur tot de zaligheid verwijderd bent of er dicht bij stond. Wel is het een ongekend voorrecht als Christus ons van onze jeugd af al dichtbij werd gebracht en wij Zijn roepstem al heel vroeg hoorden: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven’ (Matth. 11:28).

*

Hebben wij Christus, Die bereidwillig is zondaren te ontvangen, reeds in een waar geloof omhelsd en leven wij uit Hem en voor Hem?

De grote vraag voor ons allemaal is of wij, als wij van die roepstem weten, er ook gehoor aan geven. Als het gaat om Gods beloften moeten we naar mijn diepe overtuiging niet bij de sacramenten, maar bij het Woord beginnen. Als we van harte een christen zijn van de Reformatie, behoeft dat geen enkel betoog. Het Evangelie wordt ons verkondigd. De eerste vraag is altijd of wij in ons geloof Christus hebben omhelsd, of wij Hem liefhebben als onze Zaligmaker. We moeten nooit beginnen met: ‘Hoe denk je over de doop of het avondmaal?’, maar: ‘Wie is Christus voor je? Hoe heeft Hij in je leven betekenis gekregen? Welke betekenis heeft Hij voor jou?’

In een Bijbelse prediking wordt Christus als volkomen Zaligmaker verkondigd en horen mensen dat zij als zondaar welkom zijn bij Hem. Wie met lege handen komt, vervult Hij met goederen van heil en zaligheid. Heel verdrietig is het als de prediking met een beroep op de verlorenheid van de mens heel vrijblijvend wordt en het appèl tot Christus te komen ontbreekt en gezwegen wordt over Zijn gewilligheid zondaren te ontvangen. In de prediking doet Christus als de hemelse Bruidegom een appèl op zondaren om tot Hem te komen en zo een levend lid van Zijn Bruidsgemeente te worden.

Als het gaat om Woord, geloof en doop, scheiden de wegen van Rome en de Reformatie. Volgens Rome geeft de doop ons deel aan Christus en gaan we verloren als wij de genade die we in de doop ontvangen verspelen. In sacramentalistische richtingen binnen het protestantisme huldigt men hetzelfde standpunt. Wie gedoopt is, heeft een liefdesrelatie met God. Meer dan eens wordt men heel vaag als erover gesproken wordt of gedoopten verloren kunnen gaan. Meer dan eens kunnen we horen dat ook bij gedoopten die met de kerk breken, wij het maar aan God moeten overlaten of zij verloren zullen gaan, ook als zij sterven zonder dat zij tot de Heere zijn bekeerd. Dan komt het zover dat ouders en anderen, zelfs met hen die wel heel nadrukkelijk tonen Christus niet toe te behoren, nalaten te spreken over de noodzaak van verzoening met God en wedergeboorte.

De genoemde zienswijze dat de doop een liefdesrelatie met God tot stand brengt of vooronderstelt, vinden we ook daar waar men met een beroep op het verbond en de doop meent dat alle leden in de genade delen zolang zij het verbond niet verbreken. Dan wordt miskend dat wij, tenzij de Heilige Geest het geloof in ons hart heeft ontstoken en wij wedergeboren werden tot een levende hoop, wel in de Kerk maar niet van de Kerk zijn. Zo leert de Hervormde of Gereformeerde Kerk dat in artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De gedachte dat het deelgenootschap aan de sacramenten een garantie is dat wij in de zaligheid delen, kunnen we niet krachtig genoeg van de hand wijzen. Ook het ambt is geen grond van de zaligheid. Dan maakt het echt niet uit in welke kerk men een ambt bekleedt.

*

De sacramenten zijn er om ons geloof te versterken en wij mogen ze niet ontheiligen of blijven ontheiligen

De sacramenten zijn gegeven om het zwakke geloof te versterken. Ze zijn ons vooral tot troost in geloofsworstelingen. Ze verzekeren ons dat het bloed van Christus van alle zonden reinigt en dat God het goede werk dat Hij in ons begon ook zal voltooien. Als het gaat om de doop maakt het niet uit of je als kind dan wel als volwassene bent gedoopt. Er is immers maar één doop, zoals er ook maar één Heere en één toegang tot God is.

Als de doop ons iets betekent en verzegelt, maakt het niet uit op welke leeftijd wij zijn gedoopt en ook niet of wijzelf of onze ouders ‘ja’ hebben gezegd. Terzijde merk ik op dat in lutherse en anglicaanse kerken de doopvragen ook bij het dopen van kinderen aan de kinderen worden gesteld. De ouder (vaak was dat alleen de vader) zei of zegt in dit geval namens het kind ‘ja’.

De doop betekent en verzegelt dat de drie-enige God onze God is, dat de Zoon ons met Zijn bloed heeft gereinigd, dat de Heilige Geest ons vernieuwd heeft en dat God de Vader ons liefheeft met een eeuwige liefde. De doop garandeert evenals het avondmaal de waarachtigheid van het Evangelie, maar ze garanderen ons niet dat wij metterdaad in de zaligheid delen. Daarvoor is een levend geloof nodig. Wie zijn doop verstaat, zoekt niet alleen zijn zaligheid en reinigmaking buiten zichzelf, maar betoont ook dat hij de oude mens heeft afgelegd en de nieuwe aangedaan en daarom zijn leden die op de aarde zijn doodt en de dingen die boven zijn zoekt.

Wij kunnen zuigelingen en ook kleine kinderen niet verwijten hun doop te ontheiligen. Daarom denk ik in de lijn van de reformatoren, van vertegenwoordigers van het puritanisme en van de Nadere Reformatie en van theologen als Newton en Kohlbrugge ruim over de zaligheid van jonggestorvenen, ook als kinderen ongedoopt stierven. Ik zal er niet over twisten met iemand die er anders over denkt. Voor hen die volwassen zijn of op weg naar de volwassenheid zijn, is de vraag: ‘Is Christus al het leven van je leven? Ben je opgewekt tot een nieuw leven?’ Voor mij en welke gedoopte ook is dan de vraag of wijzelf al strijden om straks eenmaal in te gaan door de enge poort die ons het vaderhuis van God doet binnengaan. Dat mag aan mij worden gevraagd. Ik voel mij zeker als dienaar van Christus vrij om het anderen te vragen.

Dan gaat het erom dat wij onze doop niet ontheiligen. Die laatste notie mis ik heel erg in allerlei discussies over de doop. Dat betekent dat óf de doop wordt gezien als een ceremonie die feitelijk weinig betekenis heeft, óf dat men ervan uitgaat dat alle gedoopten hun doop verstaan. Ik wijs het eerste grondig van de hand en kan het laatste niet beamen.

Meerdere predikanten geven, als je leest hoe zij over de doop schrijven en hoort hoe de doop in hun preken ter sprake komt, mij de indruk dat hun gemeente lijkt op die van Smyrna en Philadelphia uit het boek Openbaring. Nu, ik ken maar heel weinig gemeenten die dat portret vertonen. Van de gemeenten die ikzelf heb gediend, vertoonde geen enkele gemeente dat portret. Ik kwam naast waarachtig en levend geloof lijdelijkheid en zelfs onverschilligheid tegen, en ook vanzelfsprekendheid en wereldgelijkvormigheid. Naast troost en onderwijs geven aan Gods kinderen, moest ik en heb ik gemeenteleden ertoe opgeroepen zich te bekeren en Christus in een waar geloof te omhelzen.

*

De doop als trouwring, uniform of paspoort

De doop zie ik als een trouwring, maar het dragen van een trouwring betekent nog niet dat je getrouwd bent. Je zou een trouwring kunnen dragen zonder getrouwd te zijn. Zo betekent het feit dat je gedoopt bent, nog niet dat je naar lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom van Christus bent. De doop is een trouwring die je niet af kunt doen. Daarom is er maar één oplossing die Mozes zo verwoordde: ‘Ik neem heden tegen u tot getuigen de hemel en de aarde; het leven en de dood heb ik u voorgesteld, den zegen en de vloek! Kiest dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw zaad’ (Deuteronomium 30:19).

We kunnen ook het beeld van een uniform gebruiken en dat gaat het evenals bij de trouwring om een uniform dat je niet uit kunt doen. Het beeld van het uniform sluit aan bij het feit dat de doop ons ertoe verplicht onze oude natuur te doden en in een nieuw godzalig leven te wandelen. Als we doop hebben ontvangen en daarmee het uniform van Christus dragen, ontheiligen wij onze dop als we niet strijden tegen de duivel, de wereld en ons eigen ik.

Zoals de titel al aangeeft Het paspoort van het koninkrijk. Over de betekenis van de Heilige Doop gebruik ik in dit boekje voor de doop het beeld van het paspoort. Aan dit paspoort mankeert niets. Het is geen vervalsing, maar zolang wij niet wedergeboren zijn tot een levende hoop zit het gebrek (als we dit woord mogen gebruiken) aan onze kant. Zaak is dat wij door het geloof een levend lidmaat van Christus worden en daarmee deel krijgen aan zijn zalving om Zijn Naam te belijden, mijzelf als een levend dankoffer aan Hem te offeren en met een goed geweten tegen de zonde en de duivel te strijden.

Gaan we worstelen met de vraag: ‘Ben ook ik welkom bij Christus?’, dan mag je toch ook denken aan de trouwring; zou Hij die je deze ring gaf, je ook niet het geloof willen schenken om tot Hem te komen? Zou hij die ons het uniform aantrok, ons niet de kracht en de lust willen geven de goede strijd van het geloof te strijden? Zou Hij het goedkeuren dat je een deserteur bent en geen trouwe soldaat? Zou Hij willen dat je je doop blijft ontheiligen?

Zeker is hoe dan ook dat Hij je Zijn vriendschap aanbiedt. Zo mag je gaan pleiten op de beloften van het Evangelie en wie dat leert doen, heeft deel aan Christus. Die zal dat ook betonen in een godzalige wandel. De doop is immers ook het teken dat je de oude mens hebt afgelegd en de nieuwe aangedaan en daarom je leden die op de aarde zijn doodt en de dingen die boven zijn zoekt.

Zelf denk ik eigenlijk elke dag aan het feit dat ik gedoopt ben en pleit ik erop, en ik hoop dat tot mijn dood te blijven doen. De doop is immers volgens het formulier dat wij gebruiken ook een teken en zegel dat wij eenmaal onbevlekt en onberispelijk onder de gemeente van Gods uitverkorenen zullen worden gesteld. Dan komt het in mij op: ‘Gij toch, gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht.’

Pleiten onze kinderen niet op Gods verbond en op hun doop, dan mogen ouders dat doen. Grootouders mogen het doen voor hun kleinkinderen, ook als zij niet gedoopt zijn. Daar zien we ernaar uit dat zij het tollenaarsgebed met mond en hart gaan bidden: ‘O God, wees mij de zondaar genadig’ en de Heere Jezus in een leven en waarachtig geloof omhelzen. Dat heeft God van geslacht tot geslacht mensen geleerd. Mensen voor wie het zo wordt en zo ligt:

Vaste rots van mijn behoud,

als de zonde mij benauwt,

laat mij steunen op uw trouw,

laat mij rusten in uw schaûw,

waar het bloed door u gestort,

mij de bron des levens wordt.

Geef een reactie