Luther over de troost van de verkiezing

Uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader door de heiliging van de Geest; tot gehoorzaamheid en tot besprenkeling met het bloed van Jezus Christus. 1 Petrus 1:2

Deze tekst zegt: ‘Dat jullie uitverkoren zijn, dat hebben jullie niet verkregen door eigen krachten, werken of verdiensten, want deze schat is te groot, zodat alle menselijke heiligheid en gerechtigheid daartoe te gering zijn om deze te verkrijgen. Bovendien zijn jullie heidenen geweest die niets over God hebben geweten, die geen hoop hebben gehad, en de stomme afgoden hebben gediend. Daarom komen jullie helemaal zonder jullie toedoen, uit pure genade tot zo’n onuitsprekelijk grote heerlijkheid, namelijk, omdat God de Vader jullie van eeuwigheid daartoe heeft uitverkoren.’

Op deze manier maakt Petrus de uitverkiezing van God uiterst liefelijk en troostvol, alsof hij wilde zeggen: Uitverkorenen zijn jullie en blijven jullie ook wel, want God, Die jullie heeft uitverkoren, is sterk en trouw genoeg, zodat Zijn verkiezing niet kan falen. Dit echter, in zoverre jullie ook Zijn belofte geloven, en Hem voor een getrouwe God houden. Daaruit zullen we in het kort deze lering trekken: dat de verkiezing niet op onze waardigheid en verdienste of op iets anders van ons is gegrond. De uitverkiezing ligt echter helemaal in Gods hand, en is gegrondvest op Zijn barmhartigheid, die onwankelbaar en eeuwig is.

[Epistel S. Petri gepredigt und ausgelegt (1539), W(2) 9, 1114 ff]

Geef een reactie