Ook dominees kunnen nog bekeerd en zalig worden

Het ambt van predikant is geen grond om God te ontmoeten

Om anderen op Christus te wijzen en Christus uit te schilderen moet een dienaar van het Evangelie Christus ook zelf kennen. De kerkgeschiedenis leert ons dat er meerdere dienaren van het Woord zijn die pas in hun bediening tot bekering kwamen. Ook onze Nederlandse kerkgeschiedenis biedt daar voorbeelden van. Sommigen brachten vóór hun bekering bepaald geen bijbelse prediking. Anderen waren wel orthodox maar het was een orthodoxie van het hoofd en niet van het hart. Als voorbeelden van het laatste denk ik aan Abraham Hellenbroek. Hij kwam in zijn eerste gemeente Zwammerdam tot bekering. Voor Theodorus van der Groe gold hetzelfde en ook hij kwam in zijn eerste gemeente tot bekering. Dat was Rijnsaterwoude.

In de Hervormde Kerk zijn in de negentiende en twintigste eeuw meerdere predikanten in hun bediening tot bekering gekomen. Meerderen van hen waren op zijn best in de brede zin van het woord orthodox. Het is goed dat een kerk ernst maakt met de toetsing van aanstaande dienaren van het Woord. Dat liet in de Hervormde Kerk nogal wat te wensen over en naar mijn overtuiging schiet ook de Hersteld Hervormde Kerk daarin tekort.

Maar ook bij grondige toetsing moeten we niet de kant op dat iemand die met goed gevolg door die toetsing heen is, de oproep tot zelfonderzoek niet alleen als het gaat om de stand van zijn geestelijke leven maar ook als het gaat om zijn geestelijke staat niet meer nodig zou hebben. Mijn moeder had een vriendin die tot een wat kleiner afgescheiden kerkgenootschap behoorde en die zei dat haar kerkverband alleen maar bekeerde dominees had. Mijn moeder heeft toen gezegd: ‘Dat is fijn voor jullie dominees. Dan kunnen zij bij het Bijbellezen voor zichzelf de gelijkenis van de man zonder bruiloftskleed en van de wijze en dwaze maagden overslaan.’

Voor mijn moeder stond overigens vast dat ook een predikant – en dan maakte het voor haar niet uit tot welk kerkverband hij behoorde – zichzelf moet onderzoeken. Immers, zelfs onder degenen die Christus Zelf riep tot het ambt was nog een Judas. Gaat een kerkverband ervan uit dat in principe al haar predikanten, hoe dan ook, delen in Gods genade, dan is het niet erg waarschijnlijk dat in zo’n kerkverband een predikant tot bekering komt. Zij zijn het toch allemaal al.

Wat mij altijd weer ontroerd is dat de Hervormde Kerk ook mannen kent die als predikant tot bekering kwamen. Dat waren mannen die of niet wisten van de noodzaak van bekering of zelf dachten bekeerd te zijn. In het laatste geval kwamen zijn erachter dat wat zij voor bekering hadden gehouden geen waarachtige bekering was. Het zou een groot verlies zijn als men binnen de Hersteld Hervormde Kerk bij voorbaat zou menen: ‘Al onze predikanten zijn bekeerd.’ Immers, dan wordt ook de Hersteld Hervormde Kerk een kerk waarin geen predikanten tot bekering komen. Trouwens wie tot God bekeerd is, weet dat hij enkel met Christus en Zijn gerechtigheid God kan ontmoeten.

Ds. Jac. van Dijk (1913-1984) begon zijn loopbaan als links-vrijzinnig predikant. Toen hij in ’s Gravenzande stond kwam hij tot waarachtige bekering. Dat was tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog. Van Dijk werd een prediker die sprak over het eeuwig wee voor iedereen die niet in Christus is geborgen en het eeuwig wel voor iedereen die door een waar geloof in Hem is ingeplant. Hij preekte altijd de ene Naam, de twee wegen en de drie stukken. Van Dijk is plotseling overleden. De jaren ervoor had hij geleden aan een ernstige depressie. Hij werd aangevochten of hijzelf wel deel had aan hetgeen hij anderen had gepredikt. Was hij geen toneelspeler geweest?

Op advies van begeleiders beschreef hij in een boekje zijn leven. Het kreeg de titel: Het nooit verloren vergezicht. Het laatste hoofdstuk luidt: ‘Kan ook een dominee zalig worden?’ Het enige wat hij overhield, verwoordde hij met de regels van Psalm 27:7 berijmd:

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Van Dijk wist dat het een wonder van genade blijft als een dominee die een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking heeft gebracht, voor zichzelf mag weten deel te hebben aan Christus en aan de door Hem verworven zegeningen. Er komen geen dominees in de hemel maar alleen zondaren gereinigd door Christus’ bloed.

*

Hendrik Bax (1829-1911). Een hervormd predikant die in zijn eerste gemeente tot bekering kwam

Uitvoeriger wil ik nu iets meedelen over een predikant die als laatste gemeente Doornspijk diende en in zijn eerste gemeente Lage Vuursche tot bekering kwam. Het gaat om Hendrik Bax. Hij werd in 1829 geboren. Zijn ouders waren liberaal hervormd. De godsdienst waarin hij werd opgevoed was een godsdienst van deugden en plichten. Een godsdienst waarin de Heere Jezus gezien werd als het grote Voorbeeld dat wij moeten navolgen, maar niet als de Zaligmaker Die met Zijn dierbaar bloed zondaren verlost van de toekomende toorn.

Bax wilde predikant worden. Wat ook zijn motieven waren, in ieder geval was het niet de begeerte om Christus als de enige en volkomen Zaligmaker te prediken. In 1852 werd hij tot de evangeliebediening toegelaten. Hij ontving een beroep van de gemeente van Lage Vuursche. De grote meerderheid van deze gemeente wenste een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking te horen. In Lage Vuursche gold in die dagen echter het collatierecht. Dat hield in dat de stem van adellijke families of grootgrondbezitters beslissend was bij de keuze van een predikant. Daar kwam bij dat Bax in zijn kennismakingspreek zo rechtzinnig mogelijk had voorgedaan. Vandaar dat de jonge kandidaat een beroep van Lage Vuursche gekregen had. Een beroep dat hij ook aannam. Hij werd daar op 9 oktober 1853 in het ambt bevestigd.

Bax was toen nog ongetrouwd. Daarom ging zijn zus Elisabeth Hendrina die als roepnaam Lize had, met hem mee de pastorie in. Zij was in dezelfde geest opgevoed als haar broer en wist evenals hij niets van de waarheid van vrije genade. Nu had deze zus al jaren niet rustig geleefd. Dat was begonnen toen zij in Zutphen als jong meisje de naailes bezocht van een zekere juffrouw Schuilenburg.

Na een naailes kwam zij thuis en zei ze tegen haar moeder: ‘Ik ben toch blij dat ik daar naar toen moet want nu weet ik dat ik mij bekeren moet. Wat is dat moeder, je bekeren?’ Haar moeder gaf als antwoord: ‘Waar heb je het toch over Lize?’ Daarop ging Lize verder: ‘De juffrouw heeft gezegd: weten jullie wel dat je bekeerd moet worden? Anders gaan jullie verloren.’ Moeder Bax ging niet in daar niet op in. Maar sinds die tijd voelde Lize aan dat er wat met een mens moet gebeuren om God zonder vrees te kunnen ontmoeten. Door zo nauwkeurig mogelijk haar godsdienstige plichten na te komen, door te proberen zachtmoedig te zijn, enz. zocht zij rust voor haar ziel. De vrede bleef echter weg.

Toen haar broer haar vroeg met hem de pastorie in te trekken, voldeed zij graag aan zijn verzoek. Niet alleen ter wille van haar broer, maar vooral ook omdat zij wel eens gehoord had dat er in de omgeving van Lage Vuursche meerdere kinderen van God woonden. Op deze manier kon zij met kinderen van God in contact komen en hen vragen hoe je rust kon krijgen voor je ziel. Dit laatste motief vertelde ze echter niet aan haar broer.

Bax kreeg het in Lage Vuursche niet gemakkelijk. Zijn voorganger ds. Lieuwe Steinfort was en gereformeerd man geweest van wiens prediking kracht uitging. Degenen die de waarheid van vrije genade wensten te horen gingen al heel spoedig niet meer bij hem naar de kerk. Zij groepeerden zich onder een oefenaar met de naam Pieter Vervat, een hoefsmid en wagenmaker die echt gaven had het Woord van God zowel uit te leggen als toe te passen. Mensen uit de wijde omgeving kwamen naar zijn woning om het Woord van God te horen. Ook bij zijn werk sprak hij over God en Zijn dienst.

Toen haar broer haar vroeg met hem de pastorie in te trekken, voldeed zij graag aan zijn verzoek. Niet alleen ter wille van haar broer, maar vooral ook omdat zij wel eens gehoord had dat er in de omgeving van Lage Vuursche meerdere kinderen van God woonden. Op deze manier kon zij met kinderen van God in contact komen en hen vragen hoe je rust kon krijgen voor je ziel. Dit laatste motief vertelde ze echter niet aan haar broer.

Bax kreeg het in Lage Vuursche niet gemakkelijk. Degenen die de waarheid van vrije genade wensten te horen gingen niet bij hem naar de kerk, maar bezochten de samenkomsten van een oefenaar met de naam Vervat. De verhouding tussen ds. Bax en de mensen die de samenkomsten van de genoemde oefenaar bijwoonden was zeer gespannen. Bax had een hartgrondige afkeer aan deze mensen. Eens kwam hij boos van een huisbezoek thuis. Hij luchtte zijn hart aan zijn zus.

Hij vertelde haar dat hij een vrouw bezocht had die er een verschrikkelijke leer op na hield en met wie hij daarom een hooglopend meningsverschil gekregen had. Zijn zus zei niets, maar dacht bij zichzelf: ‘Misschien is dat wel zo’n bekeerde vrouw.’ Zij wilde die vrouw ook wel eens ontmoeten. Via de dienstbode kwam zij erachter wie de bewuste vrouw was.

Op een middag ging de zus van de dominee erop uit om deze vrouw te bezoeken. De vrouw was juist bezig met de was. Zij stelde zichzelf voor als de zus van de dominee. Dat was geen goed begin. Een zus van de man die de gemeente stenen voor brood gaf. Zij kreeg dan ook maar een heel kort antwoord namelijk: ‘Zo’. De vrouw ging ondertussen gewoon verder met haar werk.

De zus van de dominee dacht bij zichzelf: ‘Als dit nu een bekeerde vrouw is, dan zijn bekeerde mensen toch minder vriendelijk dan ik me altijd heb voorgesteld.’ Toch wilde zij niet weggaan zonder het doel van haar komst aan de orde gesteld te hebben. Wat verlegen zei ze: ‘Vrouw, (zo werd in die tijd een vrouw uit het gewone volk aangesproken; P.d.V.) ik zal het u ronduit zeggen. Eén ding wil ik zo graag van u weten. Ik doe al vanaf mijn kinderjaren mijn best om bekeerd te worden, maar het lukt me niet. Nu zou ik zo graag van u willen horen wat ik moet doen.

De vrouw legde haar wasborstel neer en zei: ‘Ga maar zitten, juffrouw’ (zo sprak men in die tijd een vrouw aan die tot de burgerklasse behoorde; P.d.V.) Vervolgens vertelde zij de zus van de dominee over Gods opzoekende zondaarsliefde, over onze verdorvenheid en Gods ontferming. De zus van de dominee dronk de woorden van de vrouw als water in. De eerste lichtstraal van Gods genade mocht ook in haar ziel vallen.

Ds. Bax die zo slecht overweg kon met de kinderen van God in zijn gemeente, kreeg er nu één onder zijn eigen dak en dat maakte het er voor hem niet makkelijker op. Echter ook Bax zelf werd voor de leer van vrije genade gewonnen. Oefenaar Vervat werd ziek en het was duidelijk dat zijn levenseinde naderde. Onder Gods kinderen was grote verslagenheid. Zo lag het ook bij een zekere Rijk Hasselaar. Dat was een eenvoudige landbouwer die niet kon lezen of schrijven, maar wel wist van de heilsgeheimen Gods.

Terwijl hij op zijn akker bezig was, overdacht hij de toestand in de gemeente. Hij was zeer bezwaard. Hoe moesten ze verder als Vervat stierf? Met kracht kwam hem voor de geest: ‘De stammen, naar Gods naam genoemd, gaan derwaarts op, waar elk zich buigt naar d’ ark, die van Gods gunst getuigt.’ Hij voelde de mogelijkheid dat de Heere ds. Bax kon bekeren. Die mogelijkheid werd voor hem een zekerheid: ‘De Heere zou ds. Bax bekeren.’ Zo ging Rijk Hasselaar naar huis. Toen hij thuis aankwam, waren de eerste woorden waarmee zijn vrouw hem begroette: ‘Heb je al gehoord wat er gebeurd is? God heeft de dominee bekeerd.’

Wat was er gebeurd? Ds. Bax had oefenaar Vervat op zijn sterfbed bezocht. Hij kon daar moeilijk omheen. Vervat was immers een lid van zijn gemeente. Vervat getuigde van de hoop die in hem was. Het gevolg was dat ds. Bax in geestelijk opzicht ondersteboven ging. Al de zekerheden die hij tot dusver gehad had raakte hij kwijt. Net als de tollenaar ging hij smeken: ‘O God, wees mij zondaar genadig.’ En de Heere verhoorde zijn bede. Het zal geen toelichting behoeven dat deze verandering ook in zijn prediking merkbaar werd. Met vreugde gingen de kinderen van God nu onder zijn prediking op.

Vanuit de wijde omgeving zetten degenen die de waarheid van vrije genade begeerden te horen zich onder de prediking van Bax. Het kerkje van Lage Vuursche kon de mensen nauwelijks bevatten. Dertien jaar heeft Bax de gemeente van Lage Vuursche gediend. In 1865 vertrok hij naar Ouddorp. In 1867 nam hij een beroep aan naar Waarder. Vandaar ging hij in 1872 naar Poortvliet. Zijn laatste gemeente was Doornspijk. Deze gemeente diende hij van 1875 tot 1911. Toen zag hij zich genoodzaakt met emeritaat te gaan. Hij begon namelijk tekenen van dementie te vertonen.

Zo kwam het dat hij zijn leven in de psychiatrische inrichting ‘Veldwijk’ te Ermelo eindigde. Op 83-jarige leeftijd eindigde ds. Hendrik Bax zijn aardse loopbaan en werd hij opgenomen in de hemelse heerlijkheid waar Gods kinderen voor goed verlost zijn van de zonden en al haar gevolgen. ‘En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.’ (Jesaja 33 vers 24).

Plaats een reactie