Het geloof in Christus en het ontvangen van de sacramenten

Een van de grote verschillen tussen Rome en de Reformatie ligt in de visie op de betekenis van het geloof en van de sacramenten. Voor Rome is geloven het instemmen met de leer van de kerk. Daarom is het geloof als zodanig onvoldoende, maar moet het door de liefde werken.

Voor de Reformatie is geloven niet alleen een zeker weten waardoor ik alles voor waarachtig houd wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard, maar vooral een vast vertrouwen dat, enkel en alleen op grond van het werk van Christus, mij de zonden vergeven zijn. In het antwoord op vraag 21 van de Heidelbergse Catechismus vinden we deze twee elementen terug. Achter en onder deze omschrijving zit het onderscheid tussen historisch en zaligmakend geloof. Bijbelkennis is van groot belang en het is een goede zaak dat wij instemmen met en voor waarachtig houden wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard. Echter, we delen alleen in de zaligheid als wij als een schuldig zondaar de toevlucht nemen tot Christus.

Calvijn omschrijft het geloof als een vaste en zekere kennis van Gods goedheid jegens ons, die gegrond is op de waarheid van de genadige belofte in Christus, en door de Heilige Geest aan ons verstand geopenbaard en in ons hart bezegeld wordt. Het lijkt erop dat Calvijn de kennis hoger aanslaat dan de Heidelbergse Catechismus. Dat is echter schijn. In de Latijnse uitgave van de Heidelbergse Catechismus wordt voor ‘weten’ het woord notitia gebruikt. Dat laat zien dat het gaat om kennis van het verstand. Calvijn gebruikt het woord cognitio. Dat is kennis van het hart.

In een regel uit een gezang van de Engelse predikant Joseph Hart wordt dat verschil duidelijk verwoord: ‘True religion is more than notion, something must be known and felt.’ Ware godsdienst is meer dan beschouwende kennis; het is een zaak die innerlijk gekend en gevoeld wordt. Dan zijn we weer bij Calvijn, die stelt dat de Heilige Geest ons Gods genadige belofte aan het hart verzegelt.

Volgens Rome word je een levend lid van de Kerk bij de doop. Dan ga je de nieuwe werkelijkheid van het Koninkrijk van God binnen en ben je — tenzij je een doodzonde bedrijft en nalaat die te biechten — een kind van het Koninkrijk. Terwijl Rome leert dat je door de doop een levend lid van de Kerk en een geliefd kind van God wordt, stelt de Reformatie dat wij en onze kinderen kinderen des toorns zijn zolang we niet wedergeboren zijn. Volwassenen en opgroeiende jongelui horen dit bij elke doopbediening wanneer het klassieke doopformulier wordt voorgelezen.

Dat is voor allen een appel tot zelfonderzoek: ‘Nu ben ik met water gedoopt, maar heb ik reeds deel aan datgene waarvan de doop een teken en zegel is, namelijk het bloed van Christus dat van alle zonden reinigt en de vernieuwende werking van Gods Geest?’ Dat is alleen het geval als wij de dood in onszelf hebben gevonden, een mishagen aan onszelf hebben gekregen en onze reinigmaking en zaligheid buiten onszelf hebben leren zoeken. Voor allen voor wie dat geldt, mag niet alleen het teken en zegel van de Heilige Doop, maar (als wij ouder zijn geworden) ook het teken en zegel van het Heilig Avondmaal ons zwakke geloof versterken.

Helaas moeten wij zeggen dat er binnen het protestantisme stemmen klinken die een opvatting van de Heilige Doop weerspiegelen die wel heel dicht tegen die van Rome aanzit. Dat gaat ook de gereformeerde gezindte niet voorbij. Pas kreeg ik een vraag van iemand die een voorganger had horen zeggen: ‘Door de Heilige Doop verzekert de Heilige Geest dat God voor ons een God van heil is.’

Nu, als deze predikant niet duidelijk heeft gemaakt dat dit alleen geldt als wij door een levend geloof aan Christus zijn verbonden, dan ben ik met Ryle van mening dat deze predikant zielen vergiftigt voor de eeuwigheid. Immers, de sacramenten verzeker aan de gelovigen dat zij deel hebben aan Christus en niet allen die de sacramenten ontvangen hebben een levend geloof . Ik zou niemand met een opgroeiend gezin durven aanraden onder een  prediking op te gaan waarin dit niet heel duidelijk wordt verwoord. De allerbelangrijkste is niet: ‘Wat jij gedoopt?’ maar ‘Wat dunkt  u van de Christus?’ Wij en onze kinderen zijn op reis naar de rechterstoel van God en kunnen Hem alleen zonder verschrikking ontmoeten als de Heilige Geest het levende geloof in ons heeft gewerkt en ons zo aan Christus heeft verbonden.

In de genoemde zienswijze zijn er nog wel twee wegen, maar verzekert de Heilige Doop alle gedoopten dat zij op de smalle weg wandelen. Helaas hoor ik ook in eigen kring geluiden die moeilijk anders dan tot deze conclusie kunnen leiden. De nood van de kerk is de nood van de prediking. Sinds 2004 spreken we over de Hersteld Hervormde Kerk, maar als het gaat om de prediking is t in meerdere gevallen een vervallen Hervormde Kerk en mogen we wel vurig vragen, zoals we dat ook voor 2004 deden, of God de Hervormde Kerk uit haar val wil oprichten.

Een ambtsdrager zei mij onlangs: We horen in onze gemeente nog wel van de ene Naam, maar helaas horen we maar van één weg. We zitten allemaal kennelijk op de smalle. We horen ook maar van één stuk. We zijn allemaal verlost en ook als het leven duidelijk van het tegendeel getuigt worden mensen niet gewaarschuwd en erop aangesproken dat zij de Heilige Doop ontheiligen. Gelukkig klinkt er ook nog een eerlijke Bijbelse prediking. De prediking van de ene Naam, de twee wegen en de drie stukken. Het is Gods onverdiende goedheid als wij in eigen gemeente die prediking horren. Laten we vragen dat het zo blijft en dat dit ook elders mag blijven of zo mag worden. Dan denken we als het goed is niet in termen van kerkverbanden.

Dat geloof kan heel zwak zijn en zwaar worden bestreden, en juist dan mag de Heilige Doop ons tot troost zijn. Maar als wij ons niet als een arm zondaar aan Christus vastklemmen, zijn we wel in de Kerk, maar nog niet van de Kerk. Dan zijn we wel gedoopt met water, maar nog niet met de Heilige Geest. Is dat laatste wél het geval, dan is er niet alleen een levend geloof, maar door de inwoning van Gods Geest ook droefheid naar God en vreugde in God.

Laten we smeken om predikers die ons dagen voor Gods rechterstoel en verklaren dat wij schuldig staan, en ons zo op het Lam van God wijzen, Wíens bloed van alle zonden reinigt. Als we gedoopt zijn, is verloren gaan geen ‘onmogelijke mogelijkheid’, zoals tegenwoordig wel wordt beweerd. Laten we bidden om de bekering van predikers die dat beweren. Immers, zo misleiden zij niet alleen zichzelf, maar ook anderen. Wat is de taak van een prediker gewichtig! Als een prediker zijn hoorders niet eerlijk de weg wijst, zal hun bloed van zijn hand worden geëist.

Abraham Kuyper, die men niet ten onrechte wel eens verbondsoptimisme heeft verweten, had een zoon die helemaal afgroeide van de Kerk en meeging met oosterse filosofie en mystiek. Wij zouden tegenwoordig van newage-denken spreken. Het was voor Kuyper een zware last dat deze zoon meende de Zaligmaker niet nodig te hebben. Voor Kuyper bleef alleen het wapen van het gebed over. Hij kon alleen geloven dat zijn zoon behouden was en zijn doop had leren verstaan als zijn zoon zou gaan roemen in het kruis van Christus als enige grond van zaligheid. Dan valt het verbondsoptimisme van Kuyper volstrekt in het niet vergeleken bij de vormen van verbondsoptimisme die wij nu in de gereformeerde gezindte tegenkomen.

Ook als een of meerdere kinderen in leer en leven betonen de doop kennelijk ontheiligen zijn er toch ouders die beweren dat alt hun kinderen hun doop verstaan. Dat kunnen we toch alleen zegen als wij aan onze kinderen kunnen merken dat zij alle dingen schade hebben leren achten om de kennis van Christus en hun leven gekenmerkt wordt door godzaligheid. Met al hun goede bedoelingen staan deze ouders de zaligheid van hun kinderen juist in de weg. Zij laten dan wel heel duidelijk zien dat niet alleen hun kinderen maar ook zijzelf nog wedergeboren moeten worden.

Over de zaligheid van jonggestorven kinderen mogen wij zeer ruim oordelen. Zelf zit ik dan meer op de lijn van Brakel dan van Van der Groe. Van der Groe durft dit alleen te zeggen van ouders die een levend geloof hebben. Met Brakel en ook Kohlbrugge denk ik aan alle kinderen die bij Gods Kerk behoren en daarom gedoopt werden of gedoopt hadden mogen worden.

Als het gaat om volwassenen en opgroeiende jongelui, kan alleen tegen hen die hebben leren roemen in het kruis van Christus worden gezegd dat de Heilige Geest door de Heilige Doop hen verzekert dat God voor hen een God van heil is. Zolang het vluchten als een schuldig zondaar tot Christus ontbreekt, getuigt de Heilige Doop tegen ons — zoals ook het Heilig Avondmaal tegen ons getuigt als wij zonder geloof tot het Heilig Avondmaal toetreden.

Laat iedereen die deze woorden leest en gedoopt is, zich de vraag stellen: wie is Christus voor hem of haar? Is Hij ons alles geworden? Is dat nog niet het geval, dan geldt dat wij nog in het heden der genade zijn en komt nu het woord tot ons:

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;

Verhardt u niet, maar laat u leiden.

Ontzagwekkend is als wij wel gedoopt zijn maar het levende geloof in Christus missen en nog nooit echt hebben leren kiezen tussen de dienst van de wereld en de dienst van God. De Schotse theoloog John Duncan zei in dit verband: ‘Het water van de doop kan nooit van het voorhoofd worden afgewist en als het gevolgd wordt door de weigering van de Goddelijke genade moet het de meest ont­zettende zaak voor de onboetvaardige zijn om te sterven met de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes op het voorhoofd.’

Het is ook zeker dat als God ons tot een levend lid van Zijn Kerk heeft gemaakt, de Heilige Doop ons betuigt dat wij eenmaal onbevlekt en onberispelijk onder de gemeente van Gods uitverkorenen zullen worden gesteld. Het is onmogelijk de genade van de wedergeboorte te verliezen. God zal de Zijnen nooit verlaten. Zo leren wij hier zingen:

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ’t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,

en onze Koning is van Isrels God gegeven.

Plaats een reactie