De relatie tussen doop, belijdenis en avondmaal

Hoe moeten we de relatie tussen die drie zien? Laat ik allereerst opmerken dat de genoemde volgorde ervan uitgaat dat de persoon die tot het avondmaal wenst toe te treden, reeds als kind is gedoopt. Anders moet de trits luiden: belijdenis, doop en avondmaal. Een levend lid van de Kerk wordt men door een waarachtig geloof. Treedt men uit de wereld tot de Kerk toe, dan zal er de begeerte ontstaan om ook het zichtbare teken van het lidmaatschap van de Kerk te ontvangen. Dat is het water van de doop dat wijst op het bloed van Christus dat ons van alle zonden reinigt en op de werking van de Heilige Geest Die ons innerlijk vernieuwt.

In de Vroege Kerk werd het al spoedig de gewoonte dat men in principe minimaal drie jaar catechetisch onderwijs moest volgen voordat men kon worden gedoopt. Grondige kennis van de Bijbelse waarheid die gepaard ging met de keuze zich van de wereld en haar begeerlijkheden af te keren was nodig om gedoopt te worden. Daarop was het dooponderwijs gericht. Het ontvangen van de doop gaf dan direct ook het recht om het tweede sacrament, namelijk dat van het avondmaal te gebruiken. In de Vroege Kerk werd in dezelfde samenkomst de doop aan volwassenen en het avondmaal bediend.

De achtergrond van het doen van belijdenis
Hoe moet gehandeld worden met hen die als kind zijn gedoopt? Ontvangen zij bij het be­rei­ken van de volwassenheid automatisch het recht om aan het avondmaal te gaan? De rooms-ka­tho­lieke kerk kent de confirmatie of vormsel als sacrament dat de genade van de doop ver­vol­maakt. Volgens de leer van Rome moet een kandidaat voor het vormsel gedoopt zijn, zijn geloof belijden met de apostolische geloofsbelijdenis, in staat van genade zijn, de intentie hebben het sacrament te ontvangen en voorbereid zijn om de rol op zich te nemen van leerling en getuige van Christus. In principe wordt het vormsel door de bisschop bediend. De leeftijd waarop het vormsel of de confirmatie wordt toegediend, is per bisdom verschillend, maar valt aan het einde van de basisschool of het begin van de middelbare school. De Kerk van de Reformatie heeft het vormsel als sacrament afgewezen. Immers de doop is het teken van opname in de gemeente van Christus en heeft geen aanvulling of vervolmaking nodig. Wel is van belang dat degenen die als kind gedoopt zijn, de inhoud van de Bijbelse leer van zaligheid kennen en welbewust leren beamen dat zij het teken van de doop ontvingen. In de klassieke doopsformulieren zowel van volwassenen als kinderen wordt gesproken over de leer van het Oude en Nieuwe Testament. Van die leer wordt gezegd dat zij samengevat is in de Twaalf Artikelen van het christelijke geloof en dat zij in de christelijke kerk alhier wordt geleerd. Met dat laatste wordt bedoeld dat het gaat om de leer van de christelijke kerk in haar gereformeerde of hervormde gestalte. De gereformeerde belijdenisgeschriften zijn een nadere ontvouwing van de Twaalf Artikelen. Wie als volwassene wordt gedoopt, betuigt met die leer zijn instemming. Dat doen ook ouders als zij hun kind ten doop houden in een hervormde of gereformeerde kerk.

Wat betekent belijdenis doen voor hen die als kind zijn gedoopt?
Soms wordt gezegd dat het ja-woord dat ouders bij de doop van hun kind hebben gegeven, bij het doen van belijde­nis door degene die als kind werd gedoopt, wordt overgenomen. Dat is een minder gelukkige benaming. Immers, ouders blijven hun levenslang krachtens dit ja-woord verplicht hun kinde­ren in gebed aan de Heere op te dragen en met hen – als de mogelijkheid daartoe aanwezig is – over de eeuwige dingen te spreken. Belijdenis van het geloof op vol­was­sen leeftijd is nodig opdat zo degenen die als kind zijn ge­doopt, het recht ont­vangen het avondmaal te mogen gebruiken. Dat is de historische achter­grond van het belijdenis-doen. Meer nog dan het beamen van de doop, is het toe­gang vragen tot het avondmaal. Een ouder die in waarheid ‘ja’ zegt bij de doop van zijn of haar kind, zal ook in gebed vragen of zijn kind een­maal in de rechte weg het avondmaal mag gebruiken. Onder andere de oudvader Koelman noemt dit als toetssteen voor ouders. Hieraan kunnen zij weten of zij hun kind ten doop te houden op een wijze die God welbehaaglijk is.

Aan de ene kant zijn er ouders die het heel vanzelfsprekend vinden dat hun kind als het vol­was­­sen is geworden aan het avondmaal zal gaan. Evenals de doop hoort het avondmaal erbij. Ech­ter, over de andere kant van de noodzaak van wedergeboorte en van een levend geloof wordt niet met kinderen ge­sproken en de praktijk van godzaligheid wordt niet voorgeleefd. Helaas komt ook heel veel voor dat ouders aan het verband tussen de doop van hun kinderen en het avondmaal zelfs hele­maal nooit hebben gedacht. Dat verraadt dat men de doop feitelijk niet als een sacrament beschouwt, maar meer als een uiterlijke ceremonie ziet.

Wie zijn leden van de Kerk van Christus?
De doop is het teken van inplanting en lidmaatschap van de christelijke kerk. Wij dopen daarom niet alleen volwassenen die het christelijke geloof belijden, maar ook de kinderen van christenouders. Dat gebeurt omdat wij weten en geloven dat ook deze kinderen lidmaat van de Kerk van Christus zijn. Bij het opgroeien is het de vraag of kinderen ook de kenmerken van geloof en bekering gaan vertonen. Immers de doop is bedoeld tot versterking daarvan. Dan is wel de vraag of van geloof en bekering sprake is. In de weg van geloof en bekering opent God de toegang tot het avondmaal en zal er ook een verlangen ontstaan de dood des Heeren te verkondigen totdat Hij komt. Calvijn kan zeggen dat wij hen als leden van de Kerk moeten erkennen die door deelgenootschap aan de sacramenten God in Christus als de God van zalig-heid belijden. Dat heeft een aantal puriteinen ertoe gebracht om degenen die wel gedoopt waren maar niet aan het avondmaal gingen, als onvolledige leden van de Kerk te zien en zo te noemen. Dat gold dus in ieder geval de kinderen. Voetius, één van de grote voormannen van de Nadere Reformatie, heeft dit spraakgebruik overgenomen. Je vindt het ook in de Schotse presbyteriaanse kerken. Deze maken een verschil tussen degenen die de Kerk toebehoren (adherents) en de leden in volle gemeenschap van de Kerk (members in full communion). Bij de laatsten gaat het om de avondmaalgangers. In de Schotse kerken wordt het trouwens zo geformuleerd – en naar mijn diepe overtuiging is dat juist – dat de kerkenraad aan hen die een kerkelijk recht begeren om tot het avondmaal toe te treden, na gedaan onderzoek toestemming geeft belijdend lid te worden. Men kent daar niet belijdenisdiensten zoals wij die in Nederland hebben. Een belijdend lid ben je als je toetreedt tot het avondmaal. De eerste avondmaalsgang maakt je tot een belijdend lid van de kerk. Het betekent ook dat als iemand – afgezien van ziekte, verblijf in het buitenland enz. – niet meer aan het avondmaal deelneemt, hij niet meer tot de belijdende leden wordt gerekend. Men kan dan ook geen aanspraak meer maken op de voorrechten die daaraan zijn verbonden. Ook als men moeite heeft met de uitdrukking onvolledige leden, dan blijft nog staan dat het gebruik van het avondmaal de door Christus ingestelde weg is het geloof telkens weer te belijden. Het avondmaal is evenals de doop bedoeld ter versterking van het geloof. Het is toch echter ook een belijdenis. Wie aan het avondmaal gaat, belijdt – met alle strijd en aanvechting die er zijn – dat hij Christus toebehoort. Wie niet aan het avondmaal gaat, geeft aan – bij alle godsdienstige verrichtingen en gevoelens die er kunnen zijn – dat hij buiten staat. Dat betekent overigens niet dat elke avondmaalganger Christus werkelijk toebehoort of dat onder degenen die niet aan het avondmaal gaan geen ware kinderen van God kunnen zijn. Echter de Bijbelse norm is dat alleen kinderen van God aan het avondmaal mogen gaan en ook dat alle kinderen van God – afgezien van hen die de volwassenheid nog niet hebben bereikt – aan het avondmaal behoren te gaan. Dat maakt de heilige spanning van de bediening en praktijk van het avondmaal uit.

Wie mogen aan het avondmaal gaan?
De Heere kent degenen die de Zijnen zijn. Hij schenkt heel persoonlijk het goddelijke recht van toegang tot het avondmaal. Daar komen geen mensen aan te pas. De kerkenraad verleent het kerkelijk recht om het avondmaal te gebruiken. Het kerkelijk recht is geen goddelijk recht. Dit onderscheid is een bijbels onderscheid. Wij mensen zien aan wat voor ogen is, maar God ziet het hart aan. Dat betekent echter niet dat het kerkelijk recht om aan het avondmaal te gaan zomaar aan iedereen die als kind gedoopt is en als volwassene trouw naar de kerk gaat, mag en moet worden gegeven. De puriteinen en de mannen van de Nadere Reformatie hebben het belang van grondige catechese benadrukt. Zij wensten dat degenen die toegang tot het avondmaal ontvingen de Bijbelse leer niet alleen grondig kenden, maar ook van harte beleden en die leer met een godzalige levenswandel gepaard deden gaan. Het feit dat degenen die het kerkelijk recht om het avondmaal te ontvangen zichzelf moeten beproeven, voordat zij aan het avondmaal gaan, doet niets af aan de noodzaak van een eerlijk, liefdevol maar toch grondig ambtelijk onderzoek. Dat is iets waarin de mannen van de Nadere Reformatie en de puriteinen nog altijd actueel zijn.

Een godzalige wandel

Een echt godzalige levenswandel is een vrucht van de inenting in Christus. Anders kan er ten diepste nooit meer zijn dan een rijke-jongelingsgodsdienst. Toch stel ik allereerst het toetsen van de levenswandel door de kerkenraad aan de orde. Immers de levenswandel is uiterlijk zichtbaar en de boom wordt aan zijn vruchten gekend. Als ik mij beperk tot de levenswandel, kan ik helaas alleen maar constateren dat ook in de rechterflank van de gereformeerde gezindte meer dan eens het kerkelijk recht om aan het avondmaal te gaan gegeven wordt aan hen die dit kerkelijk recht niet toekomt. Ik denk bijvoorbeeld aan de wijze waarop men zich presenteert op facebook, in de muziekkeuze, het bekijken van films waarin alle geboden van God worden overtreden (een goede richtlijn is trouwens hoe dan ook geen speelfilms te bekijken) en ook kleding. De Bijbel wijst erop dat vrouwen en meisjes eerbaar gekleed moeten gaan. Helaas moeten we over de hele linie van de gereformeerde gezindte constateren dat dit vaak niet het geval is. Dan kunnen we een voorbeeld nemen aan christenen in Oost-Europa en in Azië. Een leraar van een reformatorische middelbare school vertelde mij dat hij zijn leerlingen voorafgaande aan een excursie moest vertellen dat zij in de kleding waarop zij naar school kwamen, de Sint Pieter in Rome niet mochten betreden. Een leerlinge die dacht dat dit overdreven was, had geen rekening met het gegeven kledingadvies gehouden, maar zij mocht toch echt de Sint Pieter niet in. Hoe dan ook laten velen in de gereformeerde gezindte in hun leven zien dat zij Christus niet toebehoren en de waarde van hun doop niet kennen. Hoe kan hen dan een kerkelijk recht om avondmaal te vieren worden gegeven?!

Nu weet ik dat er ook jongelui zijn van wie geldt dat zij de ernst van de zonde hebben leren kennen, dat Christus hun hart heeft genomen en zij daarom tot Gods eer willen leven. Afgaande op de vruchten vormen zij helaas toch echt een minderheid en meer dan eens zelfs een kleine minderheid. Er zijn gelukkig ook kerkenraden die ernst maken met het toetsen van de levenswandel van degenen die belijdenis van het geloof willen afleggen. Er zijn echter ook kerkenraden voor wie het genoeg is als zij weten dat de jongelui trouw de diensten bezoeken. Soms wordt dan met trouw eenmaal op een zondag verstaan. Zondagsheiliging in de zin van zondag 38 blijkt dan geen criterium voor het doen van belijdenis te zijn.

Een levend geloof
Een levend geloof is nodig om in Gods gunst avondmaal te vieren. Hoe toetst een kerkenraad het levende geloof? Dat is wat minder eenvoudig dan het toetsen van de levenswandel. De kerkgeschiedenis kan ons leren dat daar op verschillende wijze mee omgegaan is. In de Angelsaksische wereld wilde men in congregationalistische en baptistische kringen veelal graag een bekeringsgetuigenis horen. Echter, hoe helder moet dat getuigenis zijn en wat moet er allemaal in dat getuigenis naar voren komen? Presbyterianen benadrukten dat het om een hartelijk belijden van de bijbelse waarheid gaat van de Drie-enige God als God van zaligheid en Jezus Christus als volkomen Zaligmaker. In die lijn lagen in ons land ook mannen als Voetius en Brakel.

De tegenstelling tussen belijdenis van de leer of van het geloof is bijbels en kerkhistorische een onjuiste tegenstelling. Dat komt mede omdat men de Bijbelse betekenis van het woord ‘leer’ niet goed verstaat. Bij de leer gaat het om de Bijbelse boodschap van zaligheid. De vraag is of men die boodschap van harte bijvalt en daaruit leeft. Een kerkenraad moet naar de kennis van die boodschap – en in het algemeen naar Bijbelkennis – vragen. Zij mag en moet vragen wat deze boodschap voor degenen die het kerkelijk recht om avondmaal te vieren wenst te ontvangen, betekent voor de persoon in kwestie. Wat zijn de motieven om nu en in de toekomst openlijk in het midden van de gemeente de naam des Heeren te willen belijden?

Als we verder gaan, wordt het gevaar groot dat een kerkenraad meent met onfeilbare zekerheid te kunnen vaststellen of iemand al dan geen genade bezit. Dat betekent overigens niet dat er geen gelegenheid mag worden gegeven dat mensen die belijdenis wensen te doen op een aannemingsavond iets uit hun leven vertellen. Dan nog blijft van belang het onderscheid tussen een kerkelijk en goddelijk recht op het avondmaal te onderstrepen. Een kerkenraad geeft het eerste, God het tweede. Daar waar men een bekeringsgetuigenis als uitgangspunt stelde, werd dat onderscheid veelal weinig benadrukt. Dan zien we dat de keerzijde is dat op avondmaalgangers nauwelijks meer een appèl tot zelfonderzoek wordt gedaan.

Wij kunnen hier ook een parallel trekken met het onderzoek naar toelating van studenten in de theologie tot de dienst van het Woord. Ook dan geldt dat een kerkelijke vergadering niet behoort te beoordelen of iemand een goddelijk recht heeft om het Woord te gaan verkondigen. Dat recht geeft ook in dit geval alleen God Zelf. Een kerkelijke vergadering onderzoekt kennis, bekwaamheden, levenswandel en motieven. Bij het laatste kan de innerlijke betrokkenheid van de student breed aan de orde komen. Het laatste oordeel blijft altijd aan God. Ook voor predikanten blijft zelfonderzoek nodig.

Hoe wordt er catechisatie gegeven?
Terugkomend op het doen van belijdenis van het geloof, is het niet onbelangrijk hoe er cate­chi­satie wordt gegeven. Catechisatie is allereerst onderricht in de geloofsleer. Het accent valt op de boodschap van de Bijbel. Dat betekent dan ook dat catechisatie wil bijdragen aan ver­meerdering van alle facetten van Bijbelkennis. Binnen de Bijbel zelf kan voor dit aspect verwezen worden naar Psalm 78. De ene generatie moet en mag de bijbelse boodschap aan de volgende generatie doorgeven. Die moet als het ware worden ingescherpt. Ook het zendings- en doopbevel uit Mat. 28:19 wijst erop. Wij moeten een leerling worden en leerling blijven.

Helaas staat het overdragen van kennis in het kader van catechisatie niet meer hoog aangeschreven. Meer dan eens wordt het geheel of zo goed als geheel achterwege gelaten. Niet de bijbelse boodschap is het uitgangspunt, maar de vragen van jongeren. Hun vragen vormen de rode draad van de catechisatielessen. Zo komen allerlei – veelal actuele – onder­werpen aan de orde. Echter, als het zo wordt aangepakt, wordt er feitelijk geen catechisatie gegeven. Het uitgangspunt is niet het bijbelse uitgangspunt voor onderwijs. Nu zeg ik niet dat de vragen van jongeren – of ouderen die catechese volgen – niet aan de orde mogen komen. Integendeel. Alleen, het kader is de Bijbelse boodschap. Vanuit die boodschap en het onderricht erin mogen en moeten vragen worden beantwoord. Door het onderricht zelf ver­dwijnen dan vragen, maar komen ook vragen die eerst geheel niet werden gesteld naar voren.

Catechetisch onderwijs moet erop gericht zijn dat catechisanten ware belijders van Christus worden. De catecheet dient uit te stralen dat hij dat zelf is. Geloof als geloofsleer kan worden overgedragen. Dat geldt echter niet van geloof als vertrouwen. Iemand tot een ware belijder maken kunnen wij echter niet. Dat kan alleen de Heilige Geest. Die doet het door het Woord van God in het binnenste van het hart te schrijven.

Een nog niet beantwoorde vraag
Ik heb de vraag nog niet beantwoord welke kinderen gedoopt mogen worden. Als wij zeggen kinderen van gelovige ouders zijn wij nog niet klaar. Want hoe vat je de aanduiding ‘gelovige ouders’ op? Allereerst moeten we denken aan de kinderen van hen die het christelijk geloof be­lijden. De vraag of dat een hartelijke belijdenis is, is in eerste instantie nog niet aan de orde. Vanaf het moment dat hier in Nederland de Gereformeerde of Hervormde Kerk de gevestigde en door de overheid begunstigde kerk werd, is de dooppraktijk ruimer geweest dan de avondmaalspraktijk. Tussen avondmaal en belijdenis werd een nauwe band gelegd, maar ook niet-avondmaalgangers konden hun kinderen laten dopen. Zo is het ook vastgelegd in de Dordtse Kerkorde.

De kerken die uit de Afscheiding en Doleantie voortgekomen zijn, volgen op dit punt de Dordtse Kerk­orde niet. Alleen de gemeenten binnen de noordelijke classes van de Christelijke Gerefor­meerde Kerken hebben de vrijheid dit wel te doen. In de kring van de afgescheiden ker­ken verwacht men dat iedereen die als kind is gedoopt ergens tussen het 18e en 25e levens­jaar belijdenis doet. Een deel vraagt/eist dan van de belijdende leden dat zij aan het avond­maal gaan. Anderen kennen het kerkelijk recht om aan het avondmaal te gaan toe, zonder te verwachten dat van dit recht daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt.

Hendrik de Cock hield ook als afgescheiden predikant vast aan de dooppraktijk die hij vanuit de Hervormde Kerk kende. Hij wist dat als hij van al degenen die hun kind ten doop wenste te houden, zou eisen dat zij belijdenis zouden doen, hij meerderen van hen in een gewetens­con­flict bracht. Zij durfden het recht om aan het avondmaal te gaan niet aan te vragen zonder er daadwerkelijk gebruik van te maken. Rechtlijnigheid zou ertoe hebben geleid dat deze ouders hun kinderen ongedoopt hadden gelaten. Met Hendrik de Cock durf ik die consequentie niet te aanvaarden. Evenmin heb ik de vrijmoedigheid mensen tot het doen van belijdenis aan te sporen die de kenmerken van godsvrucht missen. Ik durf dat ook geen enkele collega aan te raden. Op de tegenwerping dat een gemeente leden moet hebben, is mijn antwoord dat een gemeente levende leden moet hebben. Daarbij benadruk ik altijd weer dat God wel de laatste en uiteindelijke Rechter is.

Slot
Wie nadenkt over doop, belijdenis en avondmaal, zal moeten erkennen dat het niet zo moei­lijk is om vast te stellen hoe het moet zijn. Is de gemeente ook in Gods ogen die zij werkelijk moet zijn? Dat te beweren leidt of tot sektarisme waarbij de kring steeds kleiner wordt, of tot oppervlakkigheid. Zonder dat dit blijkt uit het geestelijk gehalte en de levenswandel van de gemeente wordt aangenomen dat alle leden levende leden zijn. De brieven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië laten ons zien dat het geestelijke gehalte van de ene gemeente niet gelijk is aan dat van de andere.

Dat laatste is nodig, maar het is niet zo dat een bepaalde aanpak of methode daartoe automatisch leidt. Allereerst is nodig dat het Woord wordt gepredikt in betoning van kracht en van de Heilige Geest. De wasdom van de prediking is geen zaak van mensen maar van God. Getrouw en liefdevol ambtelijk toezicht en onderzoek is van groot gewicht. Dan nog blijft de boodschap van de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden staan. Tot aan de wederkomst zal de gemeente in haar midden niet alleen levende maar ook dode leden hebben. Van de levende leden geldt dat ook de allerheiligsten onder hen maar een klein beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid hebben. De gemeente zonder vlek en rimpel wordt alleen in het nieuwe Jeruzalem gevonden. Juist daarom ziet de Bruid van Christus zo vurig uit naar de wederkomst. Moge de bede ‘Maranatha’ ook onze bede zijn.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s