Is de hel wel eeuwig?

Verschuivingen in kerkelijk Nederland

In onze tijd merk ik dat je dat ook in kringen, waar het tot voor kort vaststond dat het voor de mens eeuwig wel of eeuwig wee zal zijn, de opvattingen daarover beginnen te verschuiven. De schrijfster Corien Oranje zei in een interview in het ND dat zij met de hel niets kan. Zij was blij dat zij in een kerk zat waarin je mag twijfelen en vragen mag stellen. Ik plaats daarbij deze kanttekening dat je kennelijk nooit de vraag hoeft te stellen of je zelf wel het waarachtige geloof bezit. Je mag aan van alles en nog wat twijfelen, maar je mag nooit betwijfelen dat je een kind van God bent. Diezelfde sfeer ademt het jongste boek van Reinier Sonneveld Het einde van de hel. Waarom niemand wordt afgeschreven. Overigens leidt het voor Sonneveld geen twijfel dat tenslotte iedereen behouden wordt.

Zowel Oranje als Sonneveld groeiden op in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt; een kerk waarvan het buitenstaanders al decennia geleden opviel hoe vanzelfsprekend men ervan uitging dat, zeg maar, alle kerkleden ware gelovigen waren. Een oproep tot zelfonderzoek of men wel de merktekenen (om een uitdrukking van de Nederlandse Geloofsbelijdenis te gebruiken) van een kind van God vertoonde, leek overbodig te zijn.

De gereformeerde gezindte is geen constante grootheid en altijd is er variëteit geweest. In mijn jeugd werden de Gereformeerde Kerken synodaal en in ieder geval een deel van de confessionele richting in de Hervormde Kerk er nog toe gerekend. Dat geldt nu niet meer. In de Gereformeerde Kerken synodaal was het geestelijke klimaat anders dan in de Gereformeerde Gemeenten (in Nederland).

Tegenwoordig is de gereformeerde gezindte anders van samenstelling dan in mijn jeugd, maar de variëteit is er nog steeds. Er zijn delen waar het appel tot bekering en geloof niet of nauwelijks klinkt omdat men dat appel niet kan verbinden met de totale verlorenheid van de mens. In andere delen klinkt het appel niet of nauwelijks omdat men ervan uitgaat dat elke gedoopte zich in de nieuwe werkelijkheid van Gods koninkrijk bevindt.

Als zo wordt gedacht, is het niet vreemd dat de vraag wordt gesteld of de rampzaligheid wel eeuwig is. Concreet heb ik dat meer dan eens zien gebeuren als eigen kinderen die men altijd als kinderen van God had gezien en aangesproken en met wie men nooit had gesproken over de noodzaak van wedergeboorte en persoonlijke verzoening met God braken met de kerk. Dan kon je horen: Zou Gods trouw toch niet groter zijn dan het ongeloof van mijn kinderen?! Maar als dat eigen kinderen geldt, waarom moet je de kring dan niet breder trekken?

De bekende Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968) zag verloren gaan als een onmogelijke mogelijkheid. Omdat hij geen gesloten theologie wilde, leerde hij niet nadrukkelijk de alverzoening, maar feitelijk laat zijn theologie geen andere conclusie toe. Gerhard Ebeling (1912-2001) , een geestverwant van Barth, stelde dat de Schrift het geheim van de alverzoening fluistert. Terwijl Karl Barth in de kringen van wat nu de Nederlands Gereformeerde Kerken zijn werd afgewezen evenals in de Christelijke Gereformeerde Kerken en in de Gereformeerde Bond zien we nu ook daar de invloed en doorwerking van de theologie van Barth. Dan is altijd de consequentie dat verloren gaan steeds meer een theoretische mogelijkheid wordt; een mogelijkheid ook die je voor jezelf hoe dan ook van de hand kunt wijzen.

*

Sonneveld doet noch aan de Schrift noch aan de kerkgeschiedenis recht

Reinier Sonneveld schrijft met grote stelligheid en gedrevenheid over het einde van de hel. Volgens hem zelf is de inhoud van zijn boek in één zin samen te vatten: er is een hemel (deel 1) en daar gaat uiteindelijk iedereen heen (deel 2). Dat er een hemel is onderbouwt hij met name met bijna-dood-ervaringen. Die zijn wel niet uitsluitend maar voor het overgrote deel wel positief. Men ging voor het gevoel een heerlijke werkelijkheid binnen.

Als het gaat om recht en straf, wijst Sonneveld onder meer op het verschil tussen vergeldingsrecht en herstelrecht. Naar zijn overtuiging past alleen het laatste bij God als Rechter. Ten slotte zal er tussen allen herstel en verzoening plaats vinden. Er is volgens Sonneveld zeer zeker naast de hemel ook de hel, maar deze kan nooit een laatste realiteit zijn.

De Schrift gaat bij Sonneveld pas open, nadat reeds is vastgesteld dat een eeuwige rampzaligheid niet past bij een goede God. De vraag wie God is, is al beantwoord voor de Bijbel open gaat. Als het gaat om de mens, wordt wel zijn uniciteit beklemtoond, maar niet dat ieder mens sinds de zondeval een kind des toorns is, dat wil zeggen Gods toorn rust op hem of haar.

Sonneveld doet aan het Schriftgetuigenis geen recht. Dat geldt ook voor de kerkgeschiedenis. Hij suggereert dat de leer van de eeuwige rampzaligheid pas bij Augustinus zou zijn te vinden. Echter, die komen we buiten het Nieuwe Testament al bij de vroegchristelijke apologeet Justinus Martyr tegen. Wel zien we dat de oosterse theologen vaak vooral het eeuwig gescheiden worden van God onderstrepen, terwijl westerse theologen naast de scheiding ook aandacht vragen voor de straf. In de Vroege Kerk leerde alleen Origenes de alverzoening, maar dat is ook een van de redenen dat zijn inzichten werden veroordeeld op het vijfde oecumenische concilie dat in 553 in Constantinopel werd gehouden.

*

Sonneveld wijst én de hel als eeuwige straf af én als eeuwige scheiding

Iemand als C.S. Lewis vraagt wel aandacht voor de hel als scheiding maar nauwelijks voor de hel als straf. Ik meen dat Lewis daarmee niet ten volle recht doet aan wat de Schrift zelf over de hel zegt maar terecht merkt Lewis op dat zij die verloren gaan zich in de hemel niet thuis voelen. In de hemel zal men zich alleen thuis voelen als men hier op aarde weet kreeg van de allesomvattende verandering die de Schrift onder andere met de naam wedergeboorte beschrijft. Nergens en dan ook nergens geeft de Schrift aanleiding tot de gedachte dat men ook na het sterven nog wedergeboren kan worden en dat ook na de dood nog het appel komt van bekering en geloof.

Uitvoerig besteedt Sonneveld aandacht aan wat hij noemt de absurditeit en wreedheid van een eeuwige straf voor mensen die een beperkte levenstijd op aarde hebben doorgebracht. De hel is volgens hem open en uiteindelijk zal de hel helemaal leeg zijn. Dat God grote aantallen van zijn schepselen voor eeuwig wegdoet in helse verschrikking is niet te rijmen met het optreden van Jezus, van wie de kerk toch gelooft dat Hij op niet te evenaren wijze God zichtbaar heeft gemaakt.

Bij Sonneveld gaat de Schrift niet echt open. Nergens komt in het Nieuwe Testament de hel als plaats van eeuwige straf en scheiding zo expliciet naar voren als in het onderwijs van de Heere Jezus Zelf. Inderdaad hoeft het Griekse woord aionios niet altijd ‘eeuwig’ te betekenen, maar verbonden met de toekomende eeuw is dit juist wel het geval. Aan deze eeuw komt namelijk een einde, maar aan de toekomende niet. Dat geldt zowel voor de zaligheid als voor de rampzaligheid.

De Heere Jezus sprak niet voor niets over een vuur dat niet wordt uitgeblust en een worm die niet sterft. Dat wij vuur en buitenste duisternis niet met elkaar kunnen verbinden, laat alleen maar zien dat in beelden ontleend aan deze werkelijkheid gesproken wordt over een werkelijkheid die ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Dat geldt zowel voor het nieuwe Jeruzalem als de hel.

*

De Heere Jezus is niet alleen Zaligmaker maar ook de toekomende Rechter

Sonneveld gaat volledig voorbij aan het feit dat Jezus Die bij Zijn eerste komst als Zaligmaker en Redder verscheen bij Zijn tweede komst als Rechter zal verschijnen. Of wij dan de eeuwige heerlijkheid binnengaan wordt bepaald door het feit of wij in dit leven aan de roepstem tot Hem te komen en Hem na te volgen gehoor hebben gegeven. Anders zullen we naar het getuigenis van het Nieuwe Testament uit Zijn mond horen: ‘Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt.’ (Matth. 7:23).

Zowel als het gaat om de vraag wie God is en wie de Heere Jezus is citeert Sonneveld de Schrift wel heel selectief. Een onverdacht getuige als de rabbijn Jacob Neusner heeft in zijn boek A Rabbi Talks with Jesus aangegeven dat een van de redenen waarom hij Jezus niet als de Messias kan erkennen is dat Jezus niet onomwonden leerde dat bij alle onderlinge meningsverschillen die er zijn, heel Israël deel heeft aan de toekomende wereld. Trouwens, als Sonneveld stelt dat in het Jodendom het gehènna niet eeuwig zou zijn, doet hij ook weer een heel selectief beroep op de feiten. Dat geldt zeker als wij denken aan het Jodendom van de Tweede Tempel.

De bekende hervormde dogmaticus Hendrikus Berkhof heb ik persoonlijk bij een studieweek de taal van een dogmaticus horen vergelijken met iemand die met Bijbelse gegevens een puzzel legt en dan altijd een paar stukjes overhoudt. Een van die stukjes waar hijzelf niets mee deed, was het getuigenis van de eeuwige rampzaligheid. Berkhof ontkende echter niet dat het Nieuwe Testament daar zeer nadrukkelijk over sprak.

*

De universele reikwijdte van Christus werk wordt in de Schrift met de persoonlijke verlossing verbonden

Er is een groot aantal Bijbelteksten die de universele reikwijdte en uitstraling van Gods heil voor Israël en de volkeren alsook de kosmische betekenis van Christus en Zijn verlossingswerk beklemtonen. God zal in het eschaton alles in allen zijn (1 Kor. 15: 28). B.B. Warfield kon in dat verband spreken over eschatologisch universalisme. Dat deed voor hem terecht niets af van de realiteit van de eeuwige rampzaligheid. Allen zijn allen die Christus toebehoren. Allen die Hem door de Vader zijn gegeven worden door Christus naar Zich toegetrokken. Echter dat zijn niet alle mensen, al is het ongetwijfeld waar dat iedereen die in dit leven het Evangelie hoort, hoort dat hij tot Christus mag en moet komen.

Nergens is het Nieuwe Testament onduidelijk over de noodzaak van geloof in Christus om in de zaligheid te delen en de toekomende toorn te ontgaan. Over deze teksten waarin het woord ‘allen’ voorkomt in relatie tot het verlossingwerk van Christus en hun relatie tot de teksten die spreken over de noodzaak van geloof en bekering om de zaligheid te beërven is in de loop der eeuwen door Schriftuitleggers en theologen nagedacht waarbij de eenheid van de Schrift uitgangspunt was. Sonneveld heeft het niet nodig gevonden aan hun antwoorden ook maar enige aandacht te schenken.

Merkwaardig is trouwens dat Sonneveld als hij ons in gedachten verplaatst naar de tijd van de Vroege Kerk tot twee keer toe een vrouw op kansel laat horen: een die gelooft in de eeuwige rampzaligheid en een die gelooft in de alverzoening. In de Vroege Kerk kwamen diaconessen voor met diaconale taken. Echter, het voorlezen van de Schrift (een belangrijke taak in een tijd dat menigeen analfabeet was) en het geven van catechisatie aan de catechumenen was de taak van mannelijke diakenen. Van vrouwelijke opzieners of presbyters was al helemaal geen sprake.

*

Gods liefde is altijd een heilige liefde en daarom is er ook een eeuwige toorn

Voor Sonneveld stond en staat Gods toorn altijd onder de koepel van Zijn liefde tot alle schepselen. Zijn toorn is volgens hem een goede en genadige toorn. Echter, wie Gods toorn met Zijn liefde verbindt, moet allereerst bedenken dat God Zijn eigen Naam liefheeft. Zijn liefde tot de mensheid en dat geldt voor mensen die verbondskinderen zijn gaat nooit ten koste van de liefde tot Zijn eigen Naam. Gods liefde is altijd een heilige liefde en daarom is er ook een eeuwige toorn.

Als het gaat om Gods toorn met het oog op het laatste gericht, echt niets en totaal niets in de Schrift dat met het oog op de mens er aanleiding toegeeft over Gods goede en genadige toorn te spreken. Veelzeggend is dat geen enkele klassiek theoloog over Gods goede of genadige toorn spreekt, wel over Gods vaderlijke toorn over hen die in Christus geborgen zijn en van Hem afwijken. Dan gaat het over hen die delen in de vrijspraak van de straf en die verloste zijn van de schuld. We worden geboren als kinderen des toorns. Daarom is het voor ons nodig wedergeboren te worden. Dat is een allesomvattende verandering. Niet is zo ingrijpend om als een kind des toorns die leven te verlaten.

Sonneveld neemt zijn uitgangspunt in de mens die zich voorstelt hoe God is en niet in Gods openbaring waarin God Zich aan ons openbaart Wie Hij is. Ik denk dan in het bijzonder ook aan de notie van Gods heiligheid. Die ontbreekt volledig bij Sonneveld. Hij stelt dat een eindig mens een oneindige God alleen iets eindigs kan aandoen, wat verhoudingsgewijs iets oneindig kleins zou zijn en daarom zou een oneindige straf ongepast zijn. Echter, hier geldt het woord van Anselmus tot Boso gericht: ‘U hebt het gewicht van de zonde nog niet genoeg overwogen.’

Noch de heiligheid van God noch de ernst van de zonde worden door Sonneveld recht gedaan. Dat maakt begrijpelijk dat hij ook geen recht kan doen aan de noodzaak en inhoud van het verzoeningswerk van Christus. Dat heeft meer kanten, maar kern is dat de Heere Jezus Christus plaatsvervangend Gods toorn wegdroeg.

De Schrift – en met name het Nieuwe Testament en dan weer in het bijzonder het onderwijs van de Heere Jezus – staat vol van woorden die beeldend spreken over de ernst en de eeuwigheid van de verwijdering tussen God en mens en van de uitsluiting en vernietiging. Als het gaat om vernietiging wil dat niet zeggen dat wij ophouden te bestaan, maar dat wij voor eeuwig niet beantwoorden aan wat wij moten zijn. Een mens dan als een stad die altijd een ruïne blijft of als een vat dat altijd gebroken blijft. Wie meent tot de alverzoening te moeten concluderen aanbidt en belijdt kennelijk een andere God en een andere Christus dan die God en die Christus van Wie de Schriften ons spreken.

*

Wordt de ernst van verloren gaan nog wel benoemd?

Het boek van Sonneveld past in het klimaat waarin in prediking en pastoraat de ernst van de eeuwigheid en de mogelijkheid van verloren gaan geen plaats heeft. Sonneveld trekt de uiteindelijke conclusie. Voor meerderen zal dat net een stap te ver zijn, maar is de hel eigenlijk alleen een theoretische optie. Zelf heb ik meerdere begrafenissen bijgewoond waar het uitgangspunt van de toespraak bleek te zijn allen die mij horen zijn op weg naar het nieuwe Jeruzalem. En dan zijn er op een begrafenis altijd wel mensen onder het gehoor die geen band hebben met de christelijke kerk.

De Schrift zelf zegt ons dat ook voor verbondskinderen geldt dat zij als bomen zullen zijn die uitgehouwen en in het vuur geworpen zullen worden, als zij geen vruchten van bekering hebben voortgebracht. Ik kan bij Sonneveld niet merken dat het ooit in zijn eigen leven een worsteling werd dat hij als kind des toorns werd geboren en alleen door wedergeboorte het nieuwe Jeruzalem kan binnengaan.

In de negentiende eeuw moest Charles Haddon Spurgeon constateren dat vanaf steeds meer kansels niet of nauwelijks over de toekomende toorn werd gesproken. Het was een van de belangrijkste redenen van de zogenaamde Down-Grade-Controversy. Zijn anglicaanse tijdgenoot J.C. Ryle heeft opgemerkt dat veel predikanten hun gemeenteleden er niet op wijzen dat zij zonder persoonlijke verzoening met God en wedergeboorte in dit leven, de eeuwigheid in de rampzaligheid doorbrengen. Een predikant van wie dat geldt, zo stelt hij, bewerkt naar de mens gesproken dat degenen die hem horen daar juist wel zullen komen.

Spurgeon en Ryle hebben op heel krachtige wijze het Evangelie gepredikt. Zij riepen hun hoorders en in hun geschriften hun lezers op de bekering niet uit te stellen maar onmiddellijk in geloof tot Christus te vluchten en daarbij verzekerden zij hun hoorders dat zij bij Hem welkom waren. Zo’n prediking is ook vandaag nodig. Laten christenouders zo met hun kinderen over de bijbelse boodschap spreken en in het licht van deze dingen voor hen bidden. Voor ons zelf krijgt het Evangelie pas waarde als wij leren belijden: ‘Ik ben, o HEERE, Uw toorn en gramschap dubbel waardig.’ En wie zo om genade bidt is reeds verhoord.

Ook daar waar men het boek van Sonneveld bepaald niet zal bijvallen, wordt lang niet altijd de ernst van het verloren gaan concreet benoemd. Ik zou hen die catechisatie geven zeer dringend willen aanraden om al hun catechisanten het Wachtwoord van de hervormers van de Schotse prediker Robert Murray M’Cheyne uit het hoofd te laten leren. Laat dat ook gebeuren om basisscholen. De Nederlandse herdichting begint met de woorden: ‘Eens was ik een vreemd’ling voor God en mijn hart’ en eindigt met ‘Mijn Jezus geleidt door d’ aardse woestijn, gestorven voor mij zal mijn zwanenzwang zijn.’

Waar we men de boodschap van dit lied weg groeit, omdat zichzelf er niet in herkent en wil herkennen, zal de realiteit van de rampzaligheid naar de achtergrond wijken. Wie mag weten dat hij door Christus van de toekomende toorn werd verlost, kan met de woorden van dit lied zijn of haar geloof en vertrouwen verwoorden.

Reinier Sonneveld Het einde van de hel. Waarom niemand wordt afgeschreven (Utrecht: KokBoekencentrum, 2025), paperback 288 pp., €23,99 (ISBN 9789043542326)

Plaats een reactie