Judah ha-Nasi. Een rabbijn die mede het gezicht van het rabbinale Jodendom heeft bepaald

De christelijke kerk leest Mozes en de Profeten (het Oude Testament) in samenhang met het Nieuwe Testament. We kunnen de plaats van de Talmoed in het rabbinale Jodendom niet vergelijken met die van het Nieuwe Testament in de christelijke kerk, maar voor het rabbinale Jodendom is de Talmoed wel het prisma waardoor Mozes en de Profeten (de Tenach) worden gelezen. Dat geldt uiteindelijk ook voor het liberale Jodendom, al neemt die in onderscheid met het orthodoxe Jodendom een veel vrijere houding aan ten opzichte van de halacha. Het rabbinale Jodendom is allereerst een ethische religie, terwijl het christelijk geloof een religie is van verzoening met God en verlossing van zonde.

Bij de Talmoed denken we eigenlijk altijd aan de Babylonische Talmoed (Bavli), maar feitelijk zijn er twee. Naast de Babylonische Talmoed is er de Jeruzalemse Talmoed. Beide geven in hun Gemara commentaar op de Mishna, zij het dat de Jeruzalemse Talmoed op minder traktaten uit de Mishna commentaar geeft dan de Babylonische.

De Mishna is in de tweede eeuw na Chr. geredigeerd en definitief schriftelijk vastgelegd. Aan dit proces is onlosmakelijk de naam van Judah ha-Nasi verbonden. Judah ha-Nasi was zonder twijfel de belangrijkste leider van het Joodse volk in de Romeinse periode na de val van de Tweede Tempel en de Byzantijnse periode. Over hem verscheen al weer een aantal jaren geleden bij uitgeverij Mohr Siebeck een studie van de hand van Aharon Oppenheimer, emeritus-hoogleraar Joodse studies van de Universiteit van Tel Aviv.

Oppenheimer baseert zijn studie op materiaal zowel uit de Jeruzalemse als Babylonische Talmoed. Daarnaast betrekt hij ook zijdelings archeologische vondsten in zijn studie. Buiten rabbinale bronnen wordt Judah ha-Nasi niet genoemd. Zo vinden we zijn naam bij geen enkele kerkvader. Oppenheimer is zich ervan bewust dat veel gegevens uit de rabbinale bronnen over Judah ha-Nasi, die ook zonder verdere toevoeging Rabbi kan worden genoemd, legendarisch zijn of in ieder geval legendarische elementen bevatten. Echter, hij is ervan overtuigd dat het mogelijk is om toch met behulp van deze bronnen een betrouwbaar beeld te schetsen van Judah ha-Nasi. Naar mijn overtuiging is hij daarin geslaagd.

Na de val van de Tweede Tempel was Jochanan ben Zakkaj degene die initiator was om het Jodendom een nieuwe vorm te geven nu het instituut van de tempel er niet meer was. Feitelijk bracht Judah ha-Nasi dat proces tot voltooiing. De redactie van de Mishna begon al kort na de val van de Tweede Tempel in Jamnia. Het werd in de volgende eeuw met name door rabbi Aquiba en rabbi Meir voortgezet. Judah ha-Nasi had zoveel gezag dat hij een uiteindelijke en gezaghebbende redactie kon bewerken.

Judah ha-Nasi was degene die het Joodse volk in het land van de vaderen naar de Romeinse overheid vertegenwoordigde. Vandaar zijn titel Nasi of patriarch. Samen met de exilarch die in Babylonië het aanspreekpunt was voor de Parthische overheid. Daarbij overtrof het aanzien van de patriach dat van de exilarch. Judah ha-Nasi, zo blijkt uit de studie van Oppenheimer, genoot het volle vertrouwen van de Romeinse overheid. Hij had feitelijk koninklijke macht en was ook zeer rijk. Hij combineerde in zijn persoon de functies van patriarch, voorzitter van het sanhedrin (av beth dín) en chakam, die na de av beth dín de belangrijkste man van deze vergadering was. Voor hem waren deze functies gescheiden en dat zou na zijn dood ook weer zo zijn.

In de Mishna werden tal van verordeningen en gebruiken verbonden met de Tweede Tempel vastgelegd. Daaraan werd behoefte gevoeld toen de tempel verwoest was en daaruit sprak ook de hoop dat de tempel nog eens zou worden herbouwd. Judah ha-Nasi voerde taqqanot (hervormingen) in het licht van de omstandigheden in en probeerde mitzvoth (religieuze regels) af te schaffen, zoals de regels over shemita (het land niet gebruiken in het sabbatjaar), wat moeilijkheden met zich meebracht voor de Joden van zijn tijd.

Door zijn gezag kon hij deze maatregelen doorvoeren. Zijn poging om de negende van de maand Av als vastendag af te schaffen, lukte echter niet. Judah ha-Nasi meende dat onder zijn bestuur een zodanig heerlijke tijd was aangebroken dat dit vasten overbodig was, maar zijn rabbinale collega’s konden hem daarin niet volgen.

Judah ha-Nasi gaf het Joodse volk een werk dat in belang alleen door de Thora werd overtroffen. Met de Mishna kwam er een bindend uitgangspunt voor verder mondelinge wetgeving die de Thorah verder uitbouwde. Met de uiteindelijke redactie van de Mishna kwam er een einde aan de periode van de tannaim en brak de periode van amoraim aan. Bepalingen en inzichten uit de periode van de tannaim die niet in de Mishna werden opgenomen, kregen een plek in de Tosefta (Toevoegingen) en de baraita in de Gemara van de Jeruzalemse en Babylonische Talmoed.

De uitdrukking Mishna is afgeleid van šānāh (herhalen), zoals midraš is afgeleid van dāraš (zoeken) en Talmoed van lāmad. Oppenheimer geeft aan dat šānāh in dit verband niet een tweede wetgeving betekent maar hij wil zeggen dat je je verordeningen je eigen maakt door die in te prenten.

Oppenheimer tekent het karakter en probeert tevens het leven van Juda ha-Nassi te presenteren, evenals het belang van zijn werk voor zijn eigen generatie en latere generaties te onderzoeken. Judah ha-Nasi komt over als een doortastende maar ook dominante persoonlijkheid. Naar buiten toe was hij een vriendelijke diplomaat, maar naar binnen toe verwachtte hij loyaliteit en gehoorzaamheid. Ik teken nog aan dat Judah ha-Nasi zeer het belang van het gebruik van het Hebreeuws heeft benadrukt, terwijl voor het gewone volk Aramees de eerste taal was en menigeen ook Grieks beheerste. Die laatste taal moest men namelijk kennen in verband met contacten met de overheid.

Onder het dak van Judah ha-Nasi werd welbewust geen Aramees maar Hebreeuws gesproken. Voor Judah ha-Nasi was dit de taal die gebruikt moest worden in rabbinale discussies en in gebeden tot God. Wie een goed beeld wil krijgen van Judah ha-Nasi en zijn betekenis voor het rabbinale Jodendom kan niet om de studie van Oppenheimer heen. Zijdelings kan de studie christenen leren dat het rabbinale jodendom Mozes en de Profeten echt anders leest en verstaat dan de christelijke kerk.

Aharon Oppenheimer, Rabbi Judah ha-Nasi. Statesman, Reformer, and Redactor of the Mishnah (Tübingen: Mohr Siebeck, 2017), paperback xiv + 291 pp., €29,- (ISBN 978-3161506857)

Plaats een reactie