Een eerlijk en indringend appel tot kerkelijke eenheid

Reeds eerder verscheen onderstaande recensie in het Kerkblad (uitgave Hersteld Hervormde Kerk)

In 2019 verscheen van de hand van ds. G. Hoogerland een klein boekje in de vorm van een brief. Hij doet daarin een appel op allen die van hartelijke de gereformeerde belijdenis onderschrijven uit te zien naar kerkelijke eenheid en de verdeeldheid als zonde te belijden. De titel Om vriend en broed’ren spreek ik nu is ontleend aan Psalm 122:3 berijmd. Pas doordat er in het RD een interview stond met Hoogerland, kwam ik achter het bestaan van dit boekje. Dit boekje is een eenvoudig, eerlijk en indrin-gend appel op gereformeerde belijders eenheid met elkaar te zoeken. Ik zou willen dat iedereen het las en de zaak die er aan de orde wordt gesteld, in voortdurend gebed brengt.

Eerst stelt Hoogerland de Schriftgegevens over eenheid aan de orde. Daarna komt naar voren wat de belijdenis over eenheid zegt. Vervolgens wordt de feitelijke verbrokkeling van Nederlands kerk onder de aandacht van de lezer gebracht. Het laatste deel geeft de huidige stand van zaken weer. Wat behoort bij elkaar? Wie zijn er van elkaar gescheiden? Waar ligt de schuld en hoe moeten we verder?

Hoogerland ontwikkelt geen actieprogram voor eenheid, maar verwoordt hoe hij meer en meer onder de kerkelijke verdeeldheid is gaan lijden. Hij brengt naar voren dat hijzelf in het verleden veel te weinig heeft meegeleefd met hen die in de vaderlandse kerk opkwamen voor een prediking naar Schrift en belijdenis. In het interview in het RD wees hij nadrukkelijk op de geschriften van ds. G. Boer, een van de vroegere voorzitters van de Gereformeerde Bond. Dat hem tot voor kort de inhoud van die geschriften hem onbekend was, heeft hij als schuld gaan zien. Schuld wil hij ook belijden over de fouten die gemaakt zijn in de jaren vijftig en die in de Gereformeerde Gemeenten tot een breuk hebben geleid. Schuld die niet alleen bij de andere partij lag. Echter, bij zijn uitzien naar eenheid wil hij geen enkele gereformeerde belijder uitsluiten. Het gaat hem er niet slechts om dat de breuk van 1953 wordt geheeld.

De auteur geeft aan dat eigenlijk vanaf 2004 de vaderlandse kerk niet meer valt aan te wijzen. Wanneer we als hersteld hervormden stellen dat wij in confessioneel opzicht de vaderlandse kerk hebben voortgezet, moeten we toch wel erg onderstrepen dat dit een gebroken voortzetting is. Gebroken omdat 2004 een breuk is in de geschiedenis van de vaderlandse kerk zoals die in de zestiende eeuw gestalte kreeg. Een gebroken voortzetting omdat er na 2004 onder ons veel is gebeurd dat bepaald de naam van Christus als Koning van de kerk geen eer heeft aangedaan.

Wanneer Hoogerland schuld belijdt dat hij te weinig zicht heeft gehad op de vaderlandse kerk, past menig hervormde schuld te belijden, omdat soms wel heel neerbuigend op afgescheiden kerken is neergezien en wel heel weinig schuld naar de kerken die uit de Hervormde Kerk zijn voortgekomen is beleden. Dat element was trouwens in de eerste helft van de vorige eeuw veel nadrukkelijk in de hervormd-gereformeerde beweging aanwezig dan later het geval was. Wat de oorzaken daarvan zijn, weet ik niet precies. Wel was het meer dan eens zo dan mensen die overkwamen tot de Hervormde Kerk uit de kerken van de afscheiding zich veel meer tegen hun achtergrond verzetten dan dat zij de gemeenschappelijke schuld beklemtoonden.

Er kan alleen meer eenheid komen zowel geestelijk als kerkelijk als ieder niet de ander op diens schuld wijst, maar eigen persoonlijke en kerkelijke schuld echt erkent. Dat maakt mensen tot gebroken mensen die naar elkaar toegroeien, omdat er bij God vergeving en het voortbestaan van Zijn kerk niet op onze prestaties berust maar Zijn trouw. Het appel van Hoogerland typeer ik als een eerlijk appel, omdat het geen kerkpolitieke kleur heeft of een bepaalde agenda verraad. Vanuit Schrift en belijdenis wordt de nood van de verdeeldheid gepeild en onder woorden gebracht. De verdeeldheid maakt het getuigenis van de kerk naar de samenleving en de overheid krachteloos. Hij doet naar een nieuwe generatie ook af aan de werfkracht en geloofwaardigheid van de kerk.

Hoogerland verwacht geen kerk die volmaakt zal zijn. Hij vraagt ook niet dat al haar leden en predi-kanten in alles hetzelfde denken en allen dezelfde accenten leggen. Ik merk terzijde op dat dit hoe dan ook niet mogelijk is en suggereert men dat dit eigen kring wel zo is, dan krijgt dit iets gekunstelds. De auteur pleit voor een gereformeerde kerk waarin men elkaar in accentverschillen verdraagt. Expliciet noemt hij de leer van het verbond. De een zal aan de ene formulering hechten en de ander weer aan een andere.

Terecht wijst hij een verbondsleer van de hand die geen recht doet aan de noodzaak van persoonlijke wedergeboorte. Hij stelt ook de vraag of binnen de kring van de kerken van de afscheiding allen nog wel zonder reserve belijden wat de Dordtse Leerregels stellen over de reikwijdte en kracht van de verzoening. Ons derde belijdenisgeschrift stelt dat de kracht van Christus’ verzoeningswerk zich uitstrekt tot de uitverkorenen. Ik versta Hoogerland niet zo dat hij moeite heeft met wat in datzelfde belijdenis-geschrift staat over de algenoegzaamheid van de verzoening. Zou dat worden gesteld, dan wordt mijns inziens de auteur geen recht gedaan.

De Dordtse Leerregels beklemtonen zowel de algenoegzaamheid van de verzoening als dat Christus met Zijn kruisdood metterdaad alle uitverkorenen heeft vrijgekocht. De betekenis daarvan voor prediking en pastoraat is dat ons geloof geen aanvulling op het werk van Christus is maar een vrucht ervan. Het kruis van Christus is de enige en ook volkomen grond van zaligheid. Wie de verzoening algemeen maakt, doet daar feitelijk afbreuk aan. Ook naar hervormd-gereformeerde is dit een vraag? Geloven we werkelijk dat als Christus voor ons stierf niets ons van Gods liefde kan scheiden en dat de wetenschap Christus stierf ook voor mij niet een wetenschap is die aan het geloof voorafgaat maar me met door Gods Geest gewerkte geloof wordt gegeven?! Ik kan niet anders zeggen dat er veel prediking is die veel te vaag, te algemeen en te vrijblijvend is.

Wat Hoogerland betoogt is dat er eenheid moet er zijn in de erkenning dat tot zaligheid de bevin-delijke doorleving van de drie stukken van ellende, verlossing en dankbaarheid nodig is. Zo verbindt hij de eenheid in belijdenis met de doorleving van het geloof. Gebeurt dat niet dan krijgt de band aan de belijdenis een heel formeel karakter. De auteur onderstreept wel dat wij niet over het hart van mensen moeten oordelen of het nu gewone gemeenteleden of ambtsdragers inclusief predikanten zijn.

Mijn advies is dat dit boekje de komende maanden op alle kerkenraadsvergaderingen een plaats krijgt. Hij biedt stof tot bezinning over wat in de prediking aan de orde moet komen. Hij biedt een handvatten zowel binnen de grenzen van een kerkverband als daarover heen elkaar aan te spreken en op te scherpen. Al beveel ik dit boekje allereerst ambtsdragers aan, daarmee bedoel ik niet dat ik meen dat het tot die kring moet worden beperkt. Laat iedereen het ter hand nemen.

Als het gaat om de vraag hoe wij verder moeten, wordt gewezen op de noodzaak van gebed per-soonlijk en in de samenkomsten van de gemeente. De noodzaak om eigen schuld aan het kerkelijke verval en de kerkelijke verbrokkeling voor Gods aangezicht te belijden en dat telkens weer. Het geluid van Hoogerland is een geluid dat in kerkelijk Nederland vroeger meer gehoord werd dan nu. Dat gold voor ledeboeriaanse kringen, het gold voor kringen waar men eigen kerk als niet meer dan een nooddak zag. Ik denk ook eenvoudige hervormde gelovigen die hun staan in de hervormde kerk niet verdedigden met de fouten of vermeende fouten van de kerken van de afgescheiden om de eenvoudige reden dat men de handen vol had aan eigen kerkelijke en persoonlijke gebreken.

Zelfgenoegzaamheid is nooit een goede voedingsbodem voor een bloeiend geestelijk leven. Zowel persoonlijk als kerkelijk geldt dat hoogmoed voor de val komt. We mogen ook weten dat God én persoonlijk én gemeenschappelijke verootmoediging wil zegenen. Het boekje van Hoogerland vormt daartoe een krachtig appel. Een appel dat ik met verwondering en vreugde las. Zou de Heere in de eenentwintigste eeuw nog wonderen in Nederland gaan doen?! Laten wij er vurig om vragen en betonen dat wij een vriend en metgezel willen zijn van allen die Gods naam ootmoedig vrezen.

N.a.v. ds. G. Hoogerland, Om vriend en broed’ren spreek ik nu (Barneveld: Gebr. Koster, 2019), hardcover 75 pp.,  € 5,95 (ISBN 9789463700801)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s