De laatste Bijbellezing die ik in de Hersteld Hervormde Gemeente van Nunspeet ging over Markus 16:15-16: ‘En Hij zei tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen (schepselen), die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.’
Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de eerste Bijbellezing dit seizoen de betekenis van de Heilige Doop aan de orde zou worden gesteld. Echter, deze Bijbellezing bleek toen juist in de voorbereidingsweek op de bediening van het Heilig Avondmaal te vallen. De kerkenraad vroeg toen de lezingen om te wisselen. Achteraf kwam dit goed uit.
Mij wordt wel eens gevraagd of ik elke week een nieuwe preek voorbereid. Dan moet ik eerlijk zeggen dat mij dit niet lukt mede omdat ik nog altijd lector ben bij de stichting ‘Godsvrucht en wetenschap’. Zeker als ik een cursus voor het eerst geef, eist dat veel voorbereiding. Daarnaast houd ik nogal eens lezingen en zeker als het over een onderwerp gaat waarover ik nog niet eerder een lezing hield kost dat heel wat tijd. Mij althans wel. De weken na Hemelvaartsdag moest ik een viertal lezingen voorbereiden.
Daarom sprak ik op Hemelvaartsdag, in de doopdienst van mijn kleinzoon Lukas de zondag erop en op de Bijbellezing die ik in Nunspeet hield, over dezelfde woorden. Omdat ik alleen een schets meeneem naar de kansel, valt wel de ene keer een preek toch wat anders uit dan de andere keer, al zijn de hoofdlijnen gelijk. Op Hemelvaartsdag heb ik in het verleden trouwens wel over het zendings- en doopbevel in de weergave bij Mattheüs en Markus gesproken en ook over de laatste woorden van beide evangeliën.
*
Met Zijn hemelvaart heeft de Heere Jezus Christus Zijn kerk niet in de steek gelaten. Met Zijn Woord en Geest blijft Hij bij haar. Hijzelf heeft Zijn kerk beloofd: ‘En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.’ (Mattheüs 28:20) De ten hemel gevaren Middelaar heeft aan Zijn kerk ambtsdragers gegeven en geeft die nog altijd. Dat wordt ons heel duidelijk geleerd in Efeze 4:9-11: ‘Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde? Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. En Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars.’
Uit deze woorden blijkt ook het nauwe verband tussen de hemelvaart van de Heere Jezus Christus en de uitstorting van de Heilige Geest. In Efeze 4:8 lezen we dat de ten hemel gevaren Christus aan Zijn kerk gaven heeft gegeven. Die gave is allereerst de Heilige Geest Zelf maar als wij over gaven in het meervoud spreken mogen en moeten wij ook aan de ambten denken. De tegenstelling die meer dan eens wordt gemaakt tussen de gaven van de Heilige Geest en de ambten is onjuist. De ambten behoren bij de belangrijkste gaven van Christus aan Zijn kerk.
*
Nu hebben wij geen apostelen en profeten meer in ons midden, maar nog altijd geeft Christus aan Zijn kerk herders en leraars, predikers van het Woord. De opdracht het Evangelie aan heel de mensheid te prediken geldt nog steeds. Dan hebben ambtsdragers in het bijzonder een taak. Die taak is er ook voor ouders ten opzichte van hun kinderen en grootouders ten opzichte van hun kleinkinderen. Leerkrachten hebben die taak naar de leerlingen die hen zijn toevertrouwd. Wat is het belangrijk dat er onderwijs wordt gegeven met een open Bijbel.
Uiteindelijk is het de roeping van alle christenen het Evangelie met anderen te delen. Er is het ambt aller gelovigen. Dat ambt heeft iedereen die bij de christelijke kerk behoort en dat wordt wel heel bijzonder onderstreept als wij ook het teken en zegel van de Heilige Doop hebben ontvangen. Wie echt de betekenis van zijn of haar doop heeft leren verstaan, is ‘een beminnaar van de HEER en verbreider van Zijn eer.’
Het ambt aller gelovigen is het enige ambt dat niet kan worden neergelegd; zelfs niet als je de kerk de rug toekeert. Uit dit ambt word je nooit gezet. Op de jongste dag is de vraag of er hier in dit leven bij ons sprake mocht zijn van een waarachtig geloof, een vaste hoop en een vurige liefde. Deze woorden vinden we in de gebeden van de formulieren zowel voor het dopen van volwassenen als van kleine kinderen die in de kerken van Nederland van gereformeerde belijdenis worden gebruikt.
Om het geloof te werken laat God het Evangelie verkondigen. Dan horen we van onze schuld ten opzichte van God, maar ook van de ene Middelaar Jezus Christus Die plaatsvervangend aan het kruis is gestorven en met Zijn opstanding de dood heeft overwonnen. De Heere Jezus Christus zorgt er als Koning van Zijn kerk Zelf voor dat de prediking vrucht draagt. Aan het slot van het evangelie naar Markus lezen we: ‘En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere werkte mee, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen.’ (Markus 16:20).
Wie het Evangelie gelooft, leert met Paulus belijden: ‘Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft.’ (Galaten 2:20).
*
Ons geloof is niet altijd even sterk en daarom heeft de Heere Jezus Christus ons ook de sacramenten gegeven. Die zijn niet gegeven om het geloof te werken. Daarvoor gebruikt de Heere Zijn Woord. De sacramenten zijn er om het geloof dat de Heilige Geest in ons hart heeft ontstoken te versterken. Het sacrament van Heilige Doop is het sacrament dat ons de reiniging door Christus’ bloed en de vernieuwing door Zijn Geest betekent en verzegeld. Het is ook het teken en zegel van inplanting in de gemeente van Christus.
Wie op volwassen leeftijd in contact komt met het Evangelie en tot Christus leert vluchten, zal zich ook openlijk bij Zijn gemeente willen voegen: de gemeente die Hij kocht met Zijn bloed en die een woonplaats is van de Heilige Geest. De Heilige Doop mag, als wij die hebben ontvangen, ook een pleitgrond zijn: ‘Heere verlaat niet wat Uw hand begon’. ‘Zie op mij in gunst van boven.’
Wie zich in de apostolische tijd liet dopen, gaf daarmee ook naar buiten toe aan dat hij een volgeling van Jezus was geworden. Niet alleen in de apostolische tijd maar ook in de eeuwen daarna kon dat niet ongevaarlijk zijn. En nog altijd zijn er landen waar dat geldt. Dan is er de verzoeking om zich niet bij de kerk te voegen. Maar wie echt gemeenschap met God heeft gekregen, verlangt ook naar de gemeenschap van de heiligen en wenst samen met anderen de dood des Heeren verkondigen totdat Hij komt.
Dan nog moeten we niet vergeten dat de Heilige Doop als zodanig ons niet zalig maakt en in Christus inplant. Dat doet de Heilige Geest door het geloof in ons te werken. Het is niet zo dat als wij op volwassen leeftijd zijn gedoopt ons geloof per definitie waarachtig is. Spurgeon, die zelf baptist was, heeft er in zijn preek Baptismal Regeneration (Wedergeboorte door de doop) op gewezen dat ook als wij op volwassen leeftijd zijn gedoopt, dit geen grond is voor de eeuwigheid. Ook wie op volwassen leeftijd is gedoopt, mag zich evenmin als welke avondmaalganger ook ontslagen weten van de opdracht tot zelfonderzoek.
Markus 16:16 wordt eigenlijk altijd als eerste geciteerd door hen die er niet van willen weten dat ook kinderen gedoopt mogen worden. Moeten we uit deze tekst afleiden dat alleen volwassenen die hun geloof in Jezus als de Zoon van God belijden, gedoopt mogen worden. Die conclusie is wel getrokken, maar dan wordt deze tekst overvraagd. Deze tekst geeft geen antwoord op de vraag of de kinderen van hen die toetreden tot de christelijke kerk ook bij de christelijke kerk gaan behoren en daarom gedoopt moeten worden. Dat ook de kinderen bij de kerk behoren blijkt in het Nieuwe Testament op meer dan één manier. Hele huisgezinnen werden gedoopt en daar zaten ongetwijfeld ook kinderen bij.
Met de komst van de nieuwe bedeling werd de muur van afscheiding tussen Israël en de volkeren afgebroken maar nergens lezen we dat er een nieuwe muur werd gebouwd en dat nu de nieuwe bedeling is aangebroken kinderen niet meer bij het verbond behoren. Er wordt wel tegengeworpen dat kinderen niet kunnen geloven, maar dan moeten we antwoorden dat van huis uit volwassenen dat evenmin kunnen. Het geloof is een gave van God. In de vorm van een zaad kan God het geloof reeds aan kinderen schenken, als Hij dat wil zelfs al vóór hun geboorte.
Daarom mogen we ruim denken over de zaligheid van jonggestorven kinderen als wij naar het oordeel van de liefde oordelen, kunnen we van kinderen niet zeggen dat zij betoond hebben de Heere niet te willen dienen en vrezen. Als wij wanneer het over volwassenen loopt oordelen naar belijdenis en wandel en niet over het hart oordelen, moet dat al helemaal voor kinderen gelden.
Dat ruim mogen denken over de zaligheid van jonggestorven kinderen was een oordeel dat door oude gereformeerde theologen breed werd gedragen. Mannen als Brakel en Kohlbrugge stellen heel nadrukkelijk dat de zaligheid van jonggestorven kinderen niet gebaseerd is op de oprechtheid van het persoonlijk geloof van ouders, maar op Gods verbond.
Zoals het feit dat iemand op volwassen leeftijd is gedoopt nog geen garantie is dat hij het levende geloof echt bezit, zo mogen we niet vergeten dat de Heilige Doop niet alleen als wij die op volwassen leeftijd gedoopt werden ontvingen maar ook als wij de Heilige Doop als kind ontvingen ons alleen van nut kan zijn als er sprake is van een levend geloof.
Daarom moeten ouders met hun kinderen allereerst over de betekenis van het Evangelie spreken. Wie we ook zijn: we hebben een Middelaar nodig, omdat wij van huis uit kinderen des toorns zijn. Dat geldt ook voor het kleinste kind. Wat zijn kinderen bevoorrecht als zij uit de mond van hun ouders horen niet alleen dat zij een Middelaar nodig hebben, maar dat God een Middelaar heeft gegeven en dat wij welkom zijn bij Hem. De Heere kan de opvoeding, prediking en het onderwijs reeds heel jong toepassen aan het hart van een kind.
Toch is het eerder uitzondering dan regel dat een kind al van jongs aan de Heere vreest. Brakel constateerde dat de meeste mensen die als kind gedoopt zijn ergens tussen hun vijftiende en dertigste levensjaar tot bekering komen. Een enkeling ervoor en sommigen erna. Bij het geven van het onderwijs aan de jeugd kon ik zelf bemerken hoe moeilijk menigeen het vond om de onberouwlijke keuze te maken om God te dienen. Dan wees ik de jongelui erop dat zij aan God mochten vragen of Hij hen wilde geven wat Hij van hen vroeg en het feit dat je gedoopt bent ook een pleitgrond is.
Immers zonder geloof en bekering ontheiligen we onze doop en dat is niet tot eer van God. Wat is het verheugend als bemerkt mag worden dat degenen die als kind gedoopt zijn als een arm zondaar tot Christus leren vluchten en voor Hem willen leven. Wie echt zijn of haar doop verstaat weet van de drie stukken die nodig zijn om zalig te leven en te sterven. Zo wordt ook het verlangen geboren de dood des Heeren te verkondigen totdat Hij komt en de weg daartoe gebaand.
Niets is zo erg om wel het sacrament van de Heilige Doop te hebben ontvangen en eventueel ook dat van het Heilig Avondmaal en zonder in dit leven gewassen te zijn door Christus’ bloed en vernieuwd te zijn door Zijn Geest God te ontmoeten. Dat moet bij ons allen tot zelfonderzoek leiden en hebben we nog niet leren vluchten tot Christus dan is het zaak dat wij dat vandaag nog gaan doen, dat wij onze knieën gaan buigen en gaan vragen: ‘O God wees mij de zondaar genadig.’
*
Het feit dat wij onze kinderen hebben laten dopen, wil niet zeggen dat elk van hen bij het opgroeien de HEERE blijkt te vrezen en bij het Evangelie en bij de doop leert leven. Het kan zijn dat onze kinderen de kerk de rug toekeren, zoals de jongste zoon in de gelijkenis van de verloren zoon het huis van zijn vader verliet. Al pleiten onze kinderen niet op hun doop, wij mogen het wel doen. Dan mogen we de HEERE vragen of Hij Zelf Zijn verbond wil gedenken alhoewel onze kinderen dat niet doen.
Trouwens, kinderen die met de oudste zoon uit de gelijkenis vergeleken kunnen worden, pleiten evenmin op Gods beloften. Zij pleiten – ook al zouden ze het zelf zo niet aanvoelen – op eigen verdiensten. Zij menen behouden te zijn zonder ooit geleerd te hebben wat het wil zeggen verloren te zijn. Dan zullen christenouders toch aan de HEERE vragen of Hij hun kinderen wil leren om met de tollenaar uit de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar te bidden: ‘O God, wees mij zondaar genadig.’ (Luk. 18:13) Wie zo om genade leert vragen, heeft reeds genade. Dat behoort bij het heilige geheim van het ontvangen van genade. Wie echt leert pleiten op Gods beloften, deelt in de inhoud ervan.
Voor elke echte christenouder blijft de deur naar de ouderlijke woning openstaan, of het nu voor een jongste of oudste zoon is (er wordt weleens vergeten dat de oudste ook buiten stond en niet binnen wilde komen). Het feit dat onze kinderen zich net afgewend hebben van de kerk is nog geen garantie dat zij God werkelijk kennen. Niet alleen een jongste zoon moest wedergeboren worden, ook de oudste.
Dit moet vaststaan: de opvattingen en levensgedrag van kinderen kunnen nog zozeer met Gods Woord strijden, het blijven onze kinderen. Afwijzing van zondig gedrag en onbijbelse opvattingen gaan samen met liefde voor onze kinderen en met het uitzien naar hun bekering.
Het kan zijn dat kinderen na de dood van een van hun ouders of van beide ouders tot bekering komen. Toen Manasse tot bekering kwam, was zijn godvruchtige vader Hizkia allang overleden. Ook ik ken voorbeelden van kinderen die volledig met de kerk braken en tot inkeer kwamen. Sommigen bij het leven van hun ouders, anderen na hun dood.
Heel ingrijpend is als je in contact komt met ouders of grootouders die het verdriet kennen zoals David dat over Absalom had: ‘Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon.’ (2 Sam. 18:33) We mogen dan wel vragen of God een scheidslijn in onze gedachten wil maken en ons wil leren Hem God te laten zijn. Dit mogen we weten, dat God ook eenmaal dit verdriet wegneemt. In het nieuwe Jeruzalem blijven alleen de geestelijke banden over. We zullen elkaar daar herkennen, maar we zullen er niemand missen. Dat zijn zaken die ons begrip te boven gaan.
*
Het Evangelie is geen vrijblijvende boodschap. Er staat ook heel wat op het spel. Het loopt over eeuwig wel of eeuwig wee. Het eeuwige wee hebben wij van huis uit verdiend. Plaatsvervangend droeg de Heere Jezus Christus de toorn van God weg. Hij werd door Zijn Vader verlaten opdat iedereen die in Hem gelooft nooit door God verlaten zou worden, maar eenmaal eeuwig bij God zou mogen zijn.
Buiten Christus en het levende geloof in Hem is er geen zaligheid. Als wij door geloof deel krijgen aan Zijn werk mogen we weten: er is ook voor mij betaald. Als wij zonder gereinigd te zijn door Christus’ bloed God moeten ontmoeten, staat onze schuld nog open. En dan is zelfs de eeuwigheid tekort om die zelf af te lossen. Laten we toch daarom gehoor geven aan Jezus’ roepstem: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.’
De Heere Jezus voer ten hemel op om na tien dagen Zijn Geest uit te storten. Tussen de uitstorting van de Heilige Geest en de wederkomst van de Heere Jezus vindt de uitvoerig van het zendings- en doopbevel plaats. In de naam van de Heere Jezus wordt het Evangelie verkondigd en in Zijn namen wordt de doop bediend. De Heere Zelf zorgt voor vrucht. De Heere neemt mensen in Zijn dienst. Dat geldt heel in het bijzonder voor predikers van het Woord. Maar dat de prediking echt vrucht draagt is niet aan mensen te danken.
Aan het slot van het Evangelie naar Markus lezen we: ‘En de Heere werkte mee.’ (Mark. 16:20) Ten slotte is Hij het Die mensen naar Zich toe trekt. Dat heeft Hijzelf gezegd: ‘En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.’ (Joh. 12:32). Wij hebben het niet verdiend, maar laten we smeken of de Heere ook in Nederlands kerk wil blijven werken. Dan denk ik in dit verband aan het eerste couplet van de prachtige herdichting van Psalm 90 door Isaac Watts:
O God, die droeg ons voorgeslacht
in nacht en stormgebruis,
bewijs ook ons uw trouw en macht,
wees eeuwig ons tehuis!