Inleiding
Die vraag is mij meer dan eens gesteld en ik heb die vraag altijd weer met klem ontkennend beantwoord. Noch de Schrift noch de gereformeerde belijdenis geeft enige grond voor deze gedachte. Wie wedergeboren is, is wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, en krijgt Hem lief hoewel hij Hem niet heeft gezien (vgl. 1 Petrus 1:3v.) In de Dordtse Leerregels III/IV, 13 lezen we: ‘De wijze van deze werking (de wederbarende werking van Gods Geest; P.d.V.) kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomen begrijpen; ondertussen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods met het hart geloven, en hun Zaligmaker liefhebben.’
Ik wijs ook op de Korte Catechismus van Westminster. Daar wordt de effectieve roeping als volgt omschreven: ‘De krachtdadige roeping is het werk van Gods Geest waardoor Hij ons overtuigt van onze zonde en ellende, ons verstand verlicht in de kennis van Christus, onze wil vernieuwt en ons in staat stelt om Christus te omhelzen, Die ons in het Evangelie om niet wordt aangeboden.’
Als ik zeg dat er geen wedergeboorte is zonder kennis van Christus, bedoel ik niet dat elke gelovige evenveel weet van Christus. Er zijn trappen in de kennis van Christus. Als het goed is, is er opwas in de genade en kennis van Christus. Veelzeggend is dat de oproep tot die opwas de laatste geschreven woorden van Petrus zijn (2 Petrus 3:18). Altijd dreigt weer verachtering in de genade en kennis van Christus.
Uiteindelijk staat ook een geoefend christen aan het einde van zijn geestelijke loopbaan nog maar aan het begin. Daar was de grote puriteinse theoloog John Owen diep van overtuigd. Op de dag van zijn overlijden kwam William Payne, aan wie hij de uitgave van zijn werk Meditations and Discourses on the Glory of Christ (Meditaties en verhandelingen over de heerlijkheid van Christus)had toevertrouwd, hem ’s morgens vertellen dat het werk reeds ter perse was gegaan. Owen reageerde daarop: ‘Ik ben blij het te horen, maar, o broeder Payne, de lang verwachte dag is uiteindelijk gekomen, waarop ik die heerlijkheid op een andere manier zal zien dan ik ooit tevoren heb gedaan, of in staat was te doen in deze wereld.’
Zelfs al de heiligen bij elkaar kunnen Gods liefde in Christus niet omvatten. Dat blijft een doel waar wij altijd op moeten blijven jagen. Daarom bad Paulus voor de gemeente van Efeze: ‘Opdat gij ten volle kon begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.’ (Efeze 3:18-19).
*
Orthodoxie en ook ernst zijn nog geen levend geloof
Het feit dat wij de naam van Jezus kennen, op de hoogte zijn met de inhoud van de Bijbel en orthodox zijn in ons denken over de persoon en het werk van Christus, wil nog niet zeggen dat wij Hem kennen. Als het niet meer is dan dat, dan kennen wij Jezus zoals een blinde van kleuren weet. Nodig is een kennis van het hart. De waarachtige kennis van Christus is verbonden met verootmoediging en met liefde tot Hem.
Godsdienstige overtuigingen en ernst zonder kennis van Christus zijn op zich geen bewijs dat de Heere reeds Zijn goede werk in ons begon. De puriteinen konden spreken van voorbereidende werkingen. Nu kan ik begrijpen dat men met de aanduiding ‘voorbereiden’ moeite heeft. Zeker is dat wij onszelf niet kunnen voorbereiden op het ontvangen van Gods genade.
Men kan de term voorbereidende werkingen afwijzen, maar dan is het wel zaak een verschil te maken tussen algemene en zaligmakende werkingen van Gods Geest. Ik zeg niet dat er altijd algemene werkingen van Gods Geest aan de zaligmakende voorafgaan, maar meer dan eens is dit wel zo. Hoe dan ook moeten zij onderscheiden worden.
Ik denk aan de voorrede van Van der Groe op de werken van de Erskines met de titel Het schadelijk misbruik van een algemene overtuiging tot een valse grond van rust voor de ziel. In zijn Redelijke godsdienst schrijft Wilhelmus à Brakel dat de wedergeboorte daar plaatsvindt waar de zondaar Christus omhelst. Daarbij is hij er wel van overtuigd dat iemand bepaald niet altijd exact kan aangeven waar dat het geval was, zeker als wij bij Gods Woord zijn opgegroeid, maar wie meent dat ernst en verontrusting als bewijzen voor de wedergeboorte kunnen gelden heeft het mis.
Als wij wedergeboorte en het kennen van Christus van elkaar losmaken, is de onvermijdelijke conclusie dat er feitelijk twee wegen naar de zaligheid zijn: één zonder Christus en één met Hem. De Heere Jezus Zelf zegt ons echter heel duidelijk niet alleen dat Hij de Zijnen kent maar ook door hen gekend wordt (Joh. 10:14).
*
De Christenreis en De Christinnereis
Soms wordt gedacht dat men wedergeboren kan zijn zonder Christus te kennen, en dat wordt wel verdedigd met een beroep op De Christenreis van John Bunyan. Genadeloos ontving immers de naam Christen al voordat hij de Enge Poort doorging. Dat is echter geen argument, deze naam werd hem proleptisch gegeven, dat wil zeggen: met het oog op het grote werk dat God aan hem ging volbrengen.
Met de genoemde wijze van denken hadden Christiana en vrouwe Barmhartigheid de stad Verderf nooit hoeven te verlaten omdat zij al nieuwe namen hadden. Het feit dat zij verontrust werden was dan al voldoende geweest. Echter, ook deze namen werden proleptisch gegeven. In De Christenreis is het feit dat Christen zijn rol (die echt onmisbaar was en bij de hemelpoort moest worden getoond om binnengelaten te worden) pas bij het Kruis ontving, geen argument voor de bewering dat hij toen pas deel kreeg aan de genade. De Christenreis is een allegorie en die stijlvorm kent beperkingen. Dat moeten we als het gaat om deze dingen meenemen, en voor wie Bunyan hier goed wil begrijpen, kan het geen kwaad zijn niet-allegorische werken te lezen. Ik noem slechts: Komen tot Jezus Christus (Come and Welcome to Jesus Christ).
Bunyan was er diep van overtuigd dat niet elke christen evenveel geloofszekerheid en kennis van Christus heeft. Dat blijkt met name uit De Christinnereis, maar al die wankelmoedige christenen die onder leiding van de heer Groothart op weg waren naar de hemelstad, waren wel de Enge Poort doorgegaan.
*
Wedergeboorte en het appel tot geloof en bekering
Mij is vaak opgevallen dat zij die beweren dat wedergeboorte en kennis van Christus van elkaar kunnen worden losgemaakt, eigenlijk altijd moeite hebben met het appel om zondaren aan te sporen direct tot Christus te vluchten. Immers, dat is immers feitelijk niet echt nodig. Maar dat leert de Schrift anders. Ik denk aan 1 Johannes 5:12: ‘Die de Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.’ Ik noem ook Johannes 3:17–18: ‘Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.’
We mogen wijzen op de geopende deur naar het koninkrijk van God. De Heere Jezus Christus Zelf zegt: ‘Ik ben de Deur der schapen.’ (Johannes 10:7). Verdrietig is het als deze Deur maar op een kier lijkt te staan, en verontrustend is het als vervolgens achterdeuren worden geopend. Er is maar één Deur en één Poort die toegang geeft tot het koninkrijk van God.
Het Evangelie zelf en de prediking van het Evangelie geven ons niet alleen het recht om tot Christus te gaan, maar ook de plicht. De prediking van het Evangelie mogen we met een huwelijksaanzoek vergelijken. Christus wil ook onze Zaligmaker zijn en ons tot een levend lid van Zijn Bruidsgemeente maken.
Wij doen altijd iets. Van huis uit wijzen we dit aanzoek af. Het interesseert ons niet. We voelen de noodzaak niet erop in te gaan. Of als we die noodzaak wel voelen, gaan andere zaken voor. Het kan ook zijn dat wij tevreden zijn met ons huidige godsdienstige bestaan. Dat zijn allemaal zaken waar wij van afgebracht moeten worden. Dat heeft de grote Schotse prediker Thomas Boston helder verwoord in zijn werk De viervoudige staat.
De grond van het geloof ligt in de uitnodiging van Christus Zelf om tot Hem te komen. De bron van het geloof is de vernieuwende bewerking van Gods Geest. We moeten het ene niet tegen het andere uitspelen en die twee ook niet met elkaar vermengen.
Als wij Christus omhelzen is het omdat God door Zijn Geest daartoe de lust en kracht gaf. Hoe dan ook worden we ertoe opgeroepen Christus te omhelzen. Ik denk weer aan een preek van Boston met de titel Het gevaar van het uitstellen van bekering. Daarom geldt: ‘Heden, zo gij zijn stem hoort, verhardt uw hart niet.’ (Psalm 95:7b-8). Laat iedereen die niet weet hoe dat moet, vragen met de Bruid: ‘Trek mij, wij zullen U nalopen.’ (Hooglied 1:4).
*
Kennis van het hart
Dit is zeker, dat de werkelijke kennis van Christus kennis van het hart is. Mannen als Joseph Hart en George Whitefield, Engelse predikers uit de achttiende eeuw, spraken daarom van een ‘felt Christ’ (die Christus waarvan je voelt dat je Hem liefhebt). Heel mooi is dat verwoord in het gezang van John Newton: How sweet the Name of Jesus sounds in a Believer’s Ear! (O Jezus, hoe vertrouwd en zoet klinkt mij Uw Naam in ’t oor).
Ik besluit met een gezang dat ik vorige week voor het eerst onder ogen zag. Het werd mij door een Amerikaanse vriend gemaild (met excuses aan hen die het Engels niet beheersen):
And have I, Christ, no love for thee,
No passion for thy charms?
No wish my Saviour’s face to see,
And dwell within his arms?
*
Is there no spark of gratitude
In this cold heart of mine,
To him whose generous bosom glow’d
With friendship all divine?
*
Can I pronounce his charming name,
His acts of kindness tell;
And, while I dwell upon the theme,
No sweet emotion feel?
*
Such base ingratitude as this
What heart but must detest!
Sure Christ deserves the noblest place
In every human breast.
*
A very wretch, Lord! I should prove,
Had I no love for thee:
Rather than not my Saviour love,
O may I cease to be!