Een gedegen commentaar op de brieven van Paulus aan de gemeente van Kolosse en aan Filemon

Onder de commentarenreeksen die ik als docent bijbelse theologie en ambachtelijke exegese mijn studenten heb aanbevolen behoort ook de Baker Exegetical Commentary on the New Testament. Kracht van deze reeks is dat zij door de opzet ervan zowel geraadpleegd kan worden door hen die dieper zicht willen krijgen op de Griekse brontekst van het Nieuwe Testament als door hen die het Grieks niet machtig zijn. Ze is van hoog academische niveau én zeer gebruiksvriendelijk opgezet. Daarom kunnen zowel Bijbelwetenschappers als predikanten en studenten er hun voordeel mee doen.

In elk deel waarin een Bijbelboek wordt uitgelegd, gaat aan de uitleg een uitvoerige introductie vooraf. Bij de concrete uitleg wordt begonnen met een inhoudelijke samenvatting van de passage die wordt besproken. Vervolgens wordt tekst voor tekst de passage uitvoerig toegelicht. Er wordt besloten met toegevoegde noten waarin gedetailleerd op bepaalde kwesties wordt ingegaan.

G.K. Beale is de auteur van het deel op de brieven aan de Kolossenzen en Filemon. Hij is een zeer bekwaam exegeet. Zijn behandeling van de grammatica werpt veel licht op de betekenis van de tekst. Hij geeft ook nuttig inzicht in de vele oudtestamentische zinspelingen in de brief aan de Kolossenzen.

Uitvoeriger gaat Beale op het auteurschap van de brief aan de Kolossenzen in. Een niet onaanzienlijk deel van de nieuwtestamentici ontzegt deze namelijk aan Paulus. Taal en stijl zouden niet bij Paulus passen. Beale laat de zwakte van deze argumentatie zien. Als het gaat om woordgebruik wijst hij erop – in aansluiting bij Harold Hoehner – dat ook de brief aan de Galaten dertig hapax legomena (woorden die maar eenmaal voorkomen) bevat.

Als op grond van het woordgebruik wordt bepaald of een brief al dan niet van Paulus is, zijn de criteria niet objectief. Als uitgangspunt heeft men al dat slechts een zevental brieven onbetwistbaar authen-tiek zijn. Vrijwel alle ongebruikelijk stilistische kenmerken in de brief aan de Kolossenzen komen we ook wel in een van zijn andere brieven tegen.

Als men meent dat bepaalde theologische concepten in de brief aan de Kolossenzen niet van Paulus zijn, is die zienswijze altijd verbonden met de gedachte dat de theologie van Paulus een soort lineaire ontwikkeling heeft doorgemaakt. Maar afhankelijk van de situatie is het niet ondenkbaar dat meer ontwikkelde gedachten in vroegere brieven voorkomen. Van belang is ook te beseffen dat Paulus gebruik maakte van secretarissen. Evenals nu kon men in de oudheid woord voor woord dicteren, maar ook aangeven wat in een brief moest staan en die vervolgens autoriseren. In Kol. 1:1 wordt trouwens Timotheüs als medeauteur genoemd.

Voor de Vroege Kerk was pseudepigrafie onverenigbaar met authenticiteit. Nooit hebben de kerk-vaders vragen gehad bij het auteurschap van de brief aan de Kolossenzen. Bij onbetwiste voorbeelden van pseudonieme geschriften is de afstand in de tijd ook groter dan hoe dan ook bij de brief aan de Kolossenzen het geval is.

Als plaats van ontstaan wordt traditioneel Rome genoemd. Tegenwoordig geeft een aantal nieuw-testamentici de voorkeur aan Efeze. Dan moet wel woorden aangenomen dat Paulus ook daar enige tijd gevangen heeft gezeten, al wordt dat in Handelingen niet vermeld. In dat geval is de brief tijdens de derde zendingsreis geschreven. Beale spreekt met betrekking tot deze kwestie geen voorkeur uit. Voor de uitleg heeft een keuze geen consequenties. Zeker is dat de gemeente van Kolosse ontstaan is tijdens de derde zendingsreis van Paulus zonder dat de apostel daar zelf was geweest. Wel blijkt uit de brief dat hij een aantal leden van de gemeente kent.

Beale gaat ervan uit dat de dwaalleer waartegen Paulus zich in de brief aan de Kolossenzen keert, een Joodse achtergrond heeft. De rede dat een significant deel van de bevolking van Kolosse Joodse wortels had, maakt dit des te waarschijnlijker. Zeker is dat de dwaalleraars meenden dat het nodig bleef de oudtestamentische spijswetten en feestkalender te onderhouden. De auteur heeft als these dat men  ervan uitging dat men alleen zo werkelijk toegang tot de hemelse tempel kreeg waar engelen Gods troon omringen. (Vgl. Kol. 2:18).

Beale stelt dat de achterliggende gedachte van meerdere uitspraken van Paulus in de brief aan de Kolossenzen is dat de vervulling van de tempel en haar dienst alleen in Jezus Christus als de ware tempel is te vinden. Dat geldt bijvoorbeeld voor Kol 1:19-20. Zoals de Heere eenmaal op bijzondere wijze met Zijn heerlijkheid aanwezig was in de tempel, woont nu al de volheid van de Vader in de Zoon als Middelaar. Ik moet zeggen dat hij deze aantrekkelijke these voor mij op overtuigende wijze uitwerkt.

Dat de brief aan Filemon in dezelfde tijd is ontstaan als de brief aan de gemeente van Kolosse, blijkt wel uit het feit dat de naam Onesimus, de weggelopen slaaf die de aanleiding vormde tot het schrijven van deze brief, samen met nog andere namen in Filemon ook voorkomt in Kolossenzen. Onder de brieven van Paulus is het een unieke brief. Het is de kortste brief en ze is voornamelijk tot één persoon gericht.

Over het instituut slavernij is veel te doen. Terecht wijst Beale dat dit instituut dat een grote plaats had in de maatschappij en economie van die tijd meerdere kanten had. Tenzij het ging om criminelen of krijgsgevangenen was het niet ongebruikelijk dat een slaaf op een bepaalde moment de vrijheid kreeg. Meer dan eens gingen mensen ook vrijwillig in slavernij om een ambacht te leren of omdat men meende onder een heer beter af te zijn.

Zeker is dat Paulus wenst dat Filemon Onesimus als een broeder ontvangt. Mogelijk is dit zo te inter-preteren dat Paulus ook om de vrijlating van Onesimus vraagt. Dan nog plaatst Paulus niet radicaal  vragen bij het instituut van slavernij als zodanig. Terecht wijst Beale erop dat wij slavernij in de oudheid bepaald niet een op een gelijk kunnen stellen met het verschijnsel van de Afrikaanse slaven-handel en slavernij. Duidelijk is dat voor Paulus het Evangelie menselijke verhoudingen transformeert ondanks verschillen in ras of maatschappelijke positie. Dat is een belangrijk gegeven juist in een samenleving waar het instituut van slavernij allang is verdwenen.   

G.K. Beale, Colossians and Philemon, Baker Exegetical Commentary on the New Testament (Grand Rapids: Baker Academic, 2019), hardcover 544 pp., $54,99 (ISBN 9781493416653)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s