Een aantal citaten over de prediking van Wet en Evangelie

Een aantal citaten over de verhouding van Wet en Evangelie toegespitst op de Wet als kenbron van zonde.

Het eerste citaat is van John Bunyan (1628-1688) en vinden we in zijn boek The Saints’ Privilege and Profit Or, The Throne of Grace (Het voorrecht en de winst van de heilige, of de troon van genade).

‘Een aanblik van de vuiligheid, en een besef van de schuld van de zonde, maakt vergeving voor een ziel meer dan een nietszeggend idee; en maakt het middel waardoor de vergeving tot stand komt meer begerenswaardig dan leven of ledematen. Dit is het, dat de verstandige ziel de Heere Jezus doet prijzen, terwijl de zelfgerechtvaardigde Hem uitlacht om Hem te verachten. Dit is het, wat de ontwaakte zondaar zijn eigen gerechtigheid doet verwerpen, terwijl de verwaande haar tot zijn voorspraak bij de Vader maakt.’

*

Het tweede citaat komt uit een brief van Selina Hastings (1707-1791), de vrouw van de negende graaf van Huntingdon. Zij schreef hem aan de Anglicaanse predikant Henry Venn (1724-1797). Deze brief was het middel waardoor deze predikant meer zicht kreeg op de vrijheid van de kinderen van God.

‘O mijn vriend, wij kunnen niet aan de eisen van een door ons overtreden wet voldoen – wij hebben geen innerlijke heiligheid in onszelf waarmee wij voor God kunnen bestaan; de Heere Jezus Christus is ‘de HEERE onze gerechtigheid’. Klem u daarom niet vast aan zulke arme eerste beginselen, aan zulke wegwerpelijke klederen – slechts spinnenwebben van farizeïstische trots – maar zie toch op Hem Die een volkomen gerechtigheid voor Zijn volk heeft verworven.

U vindt het een moeilijke opgave om naakt en ellendig tot Christus te komen, ontdaan van elke vorm van aanbeveling maar slechts verdorvenheid en schuld bezittend, en om zo vanuit de uitgestrekte handen van onze goddelijke Immanuël de rijkdommen, ja de overvloeiende rijkdommen van verlossende genade te ontvangen. Maar als u komt, moet u zo komen en niet anders, zoals de moordenaar aan het kruis, de roep van uw hart moet zijn: “Heere gedenk mijner.”

Er moeten geen voorwaarden worden gesteld. Christus en Christus alleen moet de enige Middelaar zijn tussen God en mensen. Er kunnen geen armzalige plichtplegingen gesteld worden tussen Christus en de zondaar. Laat het oog van het geloof altijd gericht zijn op de Heere Jezus Christus (…)

En nu, mijn geliefde vriend, laat niet langer een valse leer uw preekstoel ontsieren. Preek Christus de Gekruisigde als de enige grond van hoop voor de zondaar. Predik hem als de Leidsman en Voleinder van het geloof, alsook als het enige Voorwerp van het geloof – dat geloof dat een gave van God is. Spoor zondaren die nog zonder Christus zijn aan om onmiddellijk tot deze Vrijstad te vluchten, om op Hem te zien Die verhoogd is tot een Vorst en Zaligmaker om te geven bekering en vergeving van zonden. Ga zo voort en moge uw boog in kracht blijven.’

*

Het volgende citaat is van John Berridge (1716-1793). Het komt voor in een brief die hij in het voorjaar van 1785 aan Charles Simeon (1759-1836) schreef.

‘Begin met het wakker schudden van je hoorders. Mozes stelt je een scherp mes ter hand dat vaak geslepen moet worden aan zijn slijpsteen. Leg de totale zondigheid van de menselijke natuur bloot, de verduistering van het verstand, de verkeerdheid van het gemoed en aardsgezindheid en zinnelijkheid van de gevoelens. Spreek over de aard van het kwaad van de zonde, het verzet tegen God als onze Weldoener en het verachten van Zijn gezag en liefde.

Verklaar het kwaad van de zonde in haar gevolgen, omdat ze onze ziekten, pijnen en verdriet over ons heeft gebracht, al het kwaad dat wij voelen en al het kwaad dat wij vrezen. (…)

Leg het geestelijk karakter van de wet bloot en haar omvang die elke gedachte, woord en daad betreft en wijs elke overtreding aan of het er een van bedrijf of nalatigheid is. Wijs aan dat het voor de mens volstrekt onmogelijk is zijn natuur te veranderen.

Vergeving van zonde en heiligheid moeten van de Zaligmaker komen. Maak uw hoorders bekend met het allesonderzoekend oog van God. Hij ziet ons altijd en elke gedachte, woord en daad slaat Hij gade en schrijft Hij op in Zijn gedenkboek. Voor elke verborgen daad moet in Gods gericht verantwoording worden afgelegd of hij nu goed is of slecht.

Wanneer uw hoorders zo als het ware geploegd en geëgd zijn en als kleiklonten uiteen beginnen te vallen, leidt hen dan tot Christus en breng Hem vanuit het hart met de lippen tot hen, terwijl je Zijn genade proeft, als je die verkondigt.

Leg de almachtige kracht van de Zaligmaker bloot om het hart te verzachten en het ware bekering te geven, om vergeving te brengen tot een gebroken hart en de geest van gebed tot een biddeloos hart, heiligheid tot een vuil hart en geloof tot een ongelovig hart.

Laat uw hoorders weten dat alle schatten van genade in Christus verborgen zijn ten behoeve van arme, behoeftige zondaren en dat Hij vol van zowel liefde als macht is, dat Hij zondaren niet van Zijn poort wegstuurt maar hen allen die tot Hem komen, vriendelijk ontvangt, ervan houdt hen te zegenen en voor niets al Zijn zegeningen schenkt. (…)

Moedig het volk aan om de genade onmiddellijk, voortdurend en ijverig te zoeken en maak hen duidelijk dat allen die zo zoeken, de zaligheid van God vinden.’

*

Het vierde citaat wordt gevormd door een vijftal vragen en antwoorden in een vragenboekje dat H.F. Kohlbrugge (1803-1875) schreef voor belijdeniscatechisanten.

‘Vr. 13 Weet je iets van God zonder Christus?

Antw. Nee, dan is Hij mij óf onbekend, óf een verterend vuur.

Vr. 14 Hoe wens je dan alleen met God te wandelen of aan Hem te denken?

Antw. Nooit zonder Christus, Zijn lieve Zoon, mijn Heere.

Vr. 15 Waaraan ken je God in Zijn ernst?

Antw. Aan het schrikken van het ontwaakt geweten, aan Zijn toorn in mijn binnenste over mijn zonden.

Vr. 16 Waaraan ken je God geheel in al Zijn goedertierenheid?

Antw. Aan de vergeving van al mijn zonden, Jeremia 31:34, Micha 7:18.

Vr. 17 Wat weet je daarvan ondervindelijk te vertellen?

Antw. Ps. 66:16: Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.’

*

Tot slot een citaat uit een preek van ds. H. Hofman (1902-1975). Hofman diende vanaf 1927 tot aan zijn dood een vrije gemeente in Schiedam. Hij heeft niet eens de basisschool volledig kunnen doorlopen. Toch was hij, al was hij niet universitair geschoold, een echte theoloog die Wet en Evangelie kon onderscheiden en Christus predikte en uitschilderde als de Zaligmaker Die ons verlost van de vloek van de Wet. Mede omdat hij geen universitaire opleiding had genoten, wilde hij geen dominee worden genoemd. Op de preken die in gestencilde vorm van hem uitkwamen, staat: ‘H. Hofman, evangeliedienaar te Schiedam’.

‘Nu moet de Wet zo scherp gepredikt worden, opdat er niets overblijft dan het Evangelie en de leer van vrije genade. Door de Wet komt juist het Evangelie en de genade op waarde. Wie nu het meest weet van zijn verwerpelijkheid, daar kan het meest de genade zoals die in Christus is, openbaar worden. (…)

Zo gaat er dan niets boven de genade Gods, want dat is het enige wat voldoening geeft. De ware blijdschap is alleen in God en in Zijn dierbare Zoon aan te treffen. Immers God is bewogen geweest met ons lot van voor de grondlegging der wereld, en Hij heeft in Zijn Zoon, Die genoemd wordt de tweede Adam, alles ver­klaard wat wij tot het leven en een eeuwige zaligheid nodig hebben.

Daarom wil ik u opwekken toch zo’n Koning en heerlijk werk op prijs te stellen. Buiten en zonder Hem is het leven een ijdel leven. Ja, de hemel zelf zou geen voldoening geven buiten en zonder Hem. De wereld is toch zo arm. Die geeft niets. Maar bij God is er zo’n onnoemelijke rijkdom te vinden en aan te treffen, dat alles, alles erbij in het niet verzinkt.’

Plaats een reactie