Wat kunnen we leren van Theodorus Beza (1519-1605)?

Wie was Beza?

Theodorus Beza (Théodore de Bèze) heeft Calvijn in Genève opgevolgd. In deze stad bracht hij het grootste deel van zijn leven door. Hij werd geboren op 24 juni 1519 in Vézelay in het Franse Bourgondië. Beza was een telg uit een vooraanstaand adellijk geslacht in Bourgondië. Zijn vader, Pierre de Beze, was landvoogd van Vézelay. Zijn oom Nicholas was lid van het parlement van Parijs, een soort gerechtshof. Deze oom nam Beza onder zijn hoede en zorgde ervoor dat hij onderwijs ontving dat hij voor zijn neefje nodig achtte.

Eind 1528, hij was nog maar negen jaar, verliet Beza Parijs voor Orléans, waar hij in de leer ging bij de Duitse rechtsgeleerde Melchior Wolmar, bij wie hij inwoonde. Wolmar had lutherse sympathieën en het zaad dat Wolmar in het hart van Beza zaaide heeft later rijk vrucht gedragen. Het moment waarop Beza introk bij Wolmar, zou hij later als een tweede verjaardag vieren. Beza volgde zijn leraar naar Bourges, die zich daar vestigde op verzoek van Margaretha van Valois, zus van Frans I van Frankrijk. Op dat moment was Bourges het centrum van de Reformatie in Frankrijk.

Nadat Frans I per edict kerkelijke vernieuwing had verboden, vertrok Wolmar naar Duitsland en ging Beza terug naar Orléans, waar hij van 1535 tot 1539 zou verblijven om, in overeenstemming met wat zijn vader graag zag gebeuren, rechten te studeren. Hij las in die periode graag de werken van Ovidius, Catullus en Tibullus. De literatuur had feitelijk meer zijn liefde dan de rechten.

In 1539 vertrok Beza naar Parijs, inmiddels in het bezit van een graad in de rechtsgeleerdheid. Hij kon zijn werk uitoefenen omdat hij onder andere het inkomen (prebende) ontving dat aan een bepaalde parochie verbonden was (een arme priester deed in zo’n geval het eigenlijke werk). In deze tijd dichtte hij liefdesgedichten in het Latijn onder de titel Poemata. Daarmee is hij later, toen hij overtuigd protestant was, van rooms-katholieke zijde geconfronteerd. In een heruitgave heeft hij aanstootgevende passages verwijderd.

Zijn verblijf duurde twee jaar en hij verwierf in die tijd een prominente positie in de literaire kringen. Via vrienden leerde hij Claudine Denoese kennen, een vrouw van eenvoudige komaf. Hij trouwde met haar in 1544 in aanwezigheid van de getuigen Jean Crespin en Laurent de Normandie, maar hield de echtverbintenis eerst geheim om zijn prebenden niet te verliezen.

Kort na de publicatie van Poemata werd Beza ziek. In deze periode komt hij veel tot nadenken over het geloof. Protestantse overtuigingen die tot dusver alleen een zaak van het verstand voor hem waren, werden nu een zaak van het hart. Hij gaf nu zijn inkomen uit kerkelijke prebenden op en vestigde zich samen met Claudine Denoese in Genève, waar zij op 23 oktober 1548 aankwamen. Daar werden zij door Calvijn ontvangen. In Genève trouwde hij nu publiek met Claudine en hij vertrok naar Tübingen om Wolmar te bezoeken. Op de terugweg bracht hij een bezoek aan de Zwitserse protestante theoloog Pierre Viret, die hem aan een aanstelling hielp als docent Grieks in Lausanne.

In 1558 vertrok Beza samen met Viret op uitnodiging van Calvijn naar Genève. Dat Beza evenals Calvijn zonder reserve de soevereiniteit van God beleed was gebleken toen Beza betrokken was bij verschillende controverses tussen Calvijn en Jérôme-Hermès Bolsec over de (dubbele) predestinatie. In 1555 publiceerde hij om Bolsec te weerleggen de Tabula praedestinationis.

Door toedoen van Calvijn kreeg hij een benoeming aan de Academie van Genève, die in 1559 werd gesticht. Hij was de eerste rector van deze academie en hij is er veertig jaar aan verbonden geweest. Hij heeft haar uitgebouwd tot een universiteit. Na de dood van Calvijn in 1564 werd hij ook voorzitter van het college van predikanten van Genève en niet te vergeten adviseur van de hugenoten in Frankrijk. Zijn adellijke afkomst vergemakkelijkte zijn toegang tot de hoogste kringen. Hij was de geestelijke raadsman van Hendrik van Navarre die als Hendrik IV koning werd van Frankrijk. De overgang Hendrik IV tot Rooms-Katholieke Kerk rond 1593, moet hem diep aangegrepen hebben.

In 1588 stierf Claudine na veertig jaar huwelijk met Beza. Beza en Claudine hadden geen kinderen. Kort na haar sterven trouwde hij met Catharina del Piano, een weduwe afkomstig uit Genua. Beza was toen 69 en Catarina 42. Zijn tweede vrouw ondersteunde hem met liefde in zijn laatste levensjaren. Totdat Beza vijfenzestig was, was zijn gezondheid zeer goed te noemen, maar daarna ging deze snel achteruit. Tot in 1597 bleef hij doceren. In 1605 overlijdt hij en wordt zijn lichaam begraven in de Cathédrale Saint-Pierre in Genève.

*

Zijn Geloofsbelijdenis

Beza is onder andere bekend om een geloofsbelijdenis die hij schreef en waarvan de eerste editie in 1559 in het Frans het licht zag. Het eerste adres daarvan was zijn eigen vader. Hij legde voor zijn vader het protestantse geloof uit in de hoop hem daarvoor te winnen. Van meet af aan had Beza al een breder publiek op het oog. Hij wilde er gewone gemeenteleden mee van dienst zijn opdat zij de boodschap van hun predikanten beter zouden begrijpen en erdoor getroost zouden worden. Ook was het bedoeld om te wapenen tegen dwaalleer. In 1560 verscheen een Latijnse vertaling en vanaf 1561 verschenen vertalingen in het Engels, Duits, Nederlands en Italiaans.

Beza wist dat de Bijbel de uiteindelijke bron en norm van het geloof is. Hij schreef zijn belijdenis als samenvatting van de bijbelse boodschap. De eerste editie van de Geloofsbelijdenis van Beza verscheen in 1559, hetzelfde jaar dat de uiteindelijke editie van de Institutie van Calvijn uitkwam. De kracht ervan is dat het niet zo uitgebreid is als de Institutie maar toch niet zo compact als de Catechismus van Genève of de Franse Geloofsbelijdenis.

Evenals Calvijn onderstreept Beza dat geloven meer is dan intellectueel weten. Waar geloof manifesteert zichzelf. De kracht van het geloof ligt niet in het geloof als zodanig maar in de Heere Jezus Christus op wie het geloof zich richt. Hij die Christus door het geloof heeft, heeft alles. Geloof geeft zekerheid maar is ook altijd weer verbonden met aanvechting.

*

Zijn verdediging van de leer van de predestinatie

Wat Beza en Calvijn met elkaar verbond is dat zij beiden zonder reserve de dubbele predestinatie beleden. Ten onrechte is afgaande op de Tabula Beza wel verweten dat hij de verkiezing en verwerping volstrekt parallel zag; een gedachte die in het besluit van de Dordtse Leerregels nadrukkelijk wordt afgewezen. De Tabula was niet meer dan een overzicht en mag niet worden losgemaakt van de Schriftplaatsen die ermee verbonden zijn en de toelichting die Beza geeft.

Als God mensen verkiest, gaat Hij ook mensen voorbij. De verkiezing is niet gebaseerd op iets in de mens. Echter, de mensen die God voorbijgaat gaan vanwege hun zonden door eigen schuld verloren. Niet het voorbijgaan van God maar de zonden van de mens zijn de oorzaak van het verloren gaan.

In de prediking begint Beza niet met de verkiezing en hij waarschuwt ertegen om in de persoonlijke toe-eigening daarmee te beginnen. Vanuit de gevolgen namelijk geloof en bekering klimmen we op tot de oorzaak: Gods eeuwige verkiezing. Die orde mogen we nooit omkeren. Paulus begint, zo stelt Beza, in de brief aan de Romeinen onderaan, bij de wet, en gaat vandaar naar boven, naar het Evangelie, om langzaam maar zeker naar de hoogste trede te klimmen, de uitverkiezing.

In Beza’s preken neemt de uitverkiezing geen prominente plaats in, al noemt hij haar soms wel. Hij volgt zijn eigen advies op om in de prediking niet bij de uitverkiezing te beginnen. Nadrukkelijk wijst hij erop dat wij er in dit leven nooit van mogen uitgaan dat iemand een verworpene is. De werkelijkheid van de dubbele predestinatie doet niets af van het feit dat iedereen mag worden opgeroepen tot geloof en bekering.

Op uitnodiging van luthers graaf Frederik I van Montbéliard nam Beza van 14 tot en met 27 maart 1586 deel aan een bijeenkomst in Montbéliard gelegen in Württemberg. Hij was daar op verzoek van diverse Franse gereformeerden en een deel van de adel, die naar het graafschap gevlucht waren voor religieuze vervolging. Deze bijeenkomst was aanvankelijk mede geïnitieerd om een protestante unie te vormen tussen luthersen en gereformeerden.

De lutherse theoloog Jakob Andreae stelde dat God Zijn genade metterdaad in de doop meedeelt maar ook dat men deze genade kan verliezen. Een mens gaat verloren omdat hij Gods genade weerstaat. De verkorenen zijn degenen die dat niet doen. Andreae ontkende de volharding der heiligen. In antwoord daarop brengt Beza naar voren dat God al de Zijnen met een eeuwige liefde liefheeft en dat de keerzijde ervan is dat God sommigen voorbij is gegaan. Voor Beza was de predestinatie echt niet het een en al van de bijbelse boodschap. Waar het hem bij de dubbele predestinatie om ging, is te erkennen dat God God is.

*

De zekerheid van het geloof en van de zaligheid

Evenals voor Calvijn is voor Beza de zekerheid van de zaligheid allereerst gebaseerd op Gods beloften. Het gaat erom dat wij ons in geloof op Christus en Zijn beloften richten. Beza wil echter die zekerheid niet losmaken van de werkingen van het geloof. Dan noemt hij het getuigenis van Gods Geest. Een gelovige bemerkt allereerst in de verborgen omgang met God en in het naderen tot God als Vader de aanwezigheid van Gods Geest in zijn leven.

Daarnaast bemerkt hij dat er in zijn leven een werkelijke verandering plaatsvindt. Hij wordt wedergeboren. Hij wordt vernieuwd naar het beeld van Christus. Geloofszekerheid mogen we niet losmaken van de geloofswerkingen. Dat heeft altijd te maken met Beza’s diepe overtuiging – en ook hierin weet hij zich verbonden met zijn geestelijke mentor Calvijn – dat de essentie van het leven van een christen is: God kennen en God verheerlijken en daarom tot Zijn eer leven.

De lutherse theoloog Jacob Andreae stelde dat de doop als zodanig ons doet delen in de zaligheid en het koninkrijk van God doet binnengaan. Hiertegenover stelt Beza dat de doop zonder geloof ons niet doet delen in de zaligheid. Ook zonder geloof en de daarmee verbonden geloofswerkingen is de doop, evenals het avondmaal, een teken en zegel van Gods genade.

Echter in die genade delen we door geloof en zo alleen kan de doop ons tot troost zijn. Waar het Beza om het gaat is dat de werking van het Woord en die van de sacramenten niet met elkaar gelijk mogen worden gesteld. Dan wordt er geen recht gedaan aan het feit dat wij door geloof en wedergeboorte van een kind des toorns een kind van God worden en niet door de doop. Doop en avondmaal zijn effectieve tekenen en zegels van de gemeenschap met Christus voor hen die de sacramenten in geloof ontvangen.

*

Een gebed van Beza

Dat Beza een man was van de praktijk van de godzaligheid blijkt onder andere uit het feit dat Hij een boekje schreef met gebeden voor gezinnen. Het volgende is een gebed waaraan Beza de titel gaf: ‘Gebed om de gave van geloof te ontvangen’.

‘Zo groot is de ijdelheid, onkunde en onvastheid van onze natuur dat als U, o allerbarmhartigste God, niet in ons werkt wat U ons vraagt om te doen, als U ons niet leert dat wij U mogen kennen, als U ons niet bekeert zodat wij Uw Woord gaan aankleven, als U ons niet aan Uw Zoon geeft, opdat Hij ons voor U bewaart, als Hij ons niet, gekleed in Zijn gerechtigheid tot de troon van Uw genade leidt, en als Uw Geest ons niet leidt in de paden van Uw koninkrijk, terwijl Hij ons bewaart bij de uitwerkingen van Zijn gave op de weg naar Uw waarheid, wij deze stem van de Herder van onze zielen niet horen, noch in onze harten zo’n levend geloof verkrijgen dat alle onzekerheid wordt uitgebannen en het verzegeld wordt met zijn eigen effectiviteit. Nog minder kunnen wij (zonder dat U ons geeft wat U ons beveelt) de vrede en vreugde voelen die het ware geloof met zich meebrengt.’

Plaats een reactie