Uit een preek van Luther over Johannes 1:19-29. Geloof en doop

In de eerste plaats: Een waar en oprecht geloof zoekt niet het zijne, maar belijdt en beschermt de waarheid. Het acht alles voor vuil en drek, opdat het alleen Christus mag gewinnen, zoals Paulus zegt in zijn brief aan de Filippenzen (3:8).

In de tweede plaats: Wanneer de farizeeën tegen Johannes zeggen (v.25): ‘Waarom doopt u dan?’ – dan willen zij niet beschouwd worden als mensen die Gods werk veroordelen. Zij vragen Johannes daarom alleen waar hij de macht vandaan heeft om te dopen, en wie hem bevolen heeft dat te doen. Want uit de profeten Jesaja en Ezechiël wisten zij heel goed dat er in de Schrift over een komende doop gesproken wordt (o.a. Ezechiël 36:25-27; Jesaja 44:3; 52:15).

In de derde plaats: De doop van Christus is niet alleen water, zoals de doop van Johannes, die slechts een uiterlijk teken was. Maar zij is ook vuur en de Heilige Geest. Wanneer wij niet vóór onze dood daarmee gedoopt worden, dan is het water vergeefs en nutteloos; u bent dan ook geen christen, want u bent niet met de doop van Christus gedoopt (Johannes 1:33).

Predigten des Jahres 1522-1527 – Druck Winterpostille 1528 – Evangelium am Vierten Sonntage des Advents, Joh. 1:19-28, WA 21, 36ff.

Plaats een reactie