Geen betrouwbare reisgids naar het nieuwe Jeruzalem

Inleiding

Met zijn boek Inferno. De ontdekking van de hel lost prof. dr. Arnold Huijgen de belofte in die hij deed in zijn drie jaar geleden geschreven essay Waarom de wereld een hel nodig heeft dat een veel uitvoeriger publicatie zou volgen. Die is inmiddels verschenen. Met als prisma de nederdaling van Christus naar de hel schrijft Huijgen over de hel.

De belezenheid van de auteur is indrukwekkend en hij heeft een zeer toegankelijke schrijfstijl. Ook de opbouw is helder. Telkens worden gepresenteerde gegevens met een conclusie of deelconclusie afgesloten. Tal van zaken komen in Inferno naar voren. Huijgen geeft aan dat de boodschap van het vagevuur in de Middeleeuwen tot bloei kwam. Ze is het antwoord van een volkskerk op de vraag wat de eeuwige bestemming is van hen die weinig of heel weinig ernst hebben gemaakt met de Bijbelse boodschap dat het geloof uit onze werken moet blijken. In deze analyse val ik hem helemaal bij.

Met instemming geef ik ook zijn conclusie weer dat het Nieuwe Testament geen aanleiding geeft bij de nederdaling van Christus naar de hel aan een triomftocht van Christus door het rijk van de dood, de bevrijding van oudtestamentische gelovigen of de verkondiging van het Evangelie aan overledenen te denken. Wat merkwaardig is dat de omslag die de uitgever Inferno gaf hier niet mee spoort. Overtuigend acht ik ook zijn uitleg van 1 Korinthe 15:29. Huijgen geeft als optie dat nog levenden gedoopt wensen te worden om na dit leven verenigd te worden met hun dierbaren die tot geloof kwamen en gedoopt werden en reeds gestorven zijn.

Mijn waardering op de genoemde punten – en dan zou ik nog wel meer kunnen noemen – neemt niet weg dat ik op de inhoud van dit boek en de gepresenteerde uitkomst fundamentele kritiek heb. Die kritiek had ik ook op het essay Waarom de wereld een hel nodig heeft en deze uitgebreide studie is aanleiding mijn kritiek nog breder te verwoorden. Daarbij onderstreep ik wel, wat ook Huijgen zelf schrijft, dat het onderwerp van de hel mensen van vlees en bloed raakt en dat het over mensen van vlees en bloed gaat.

Terecht stelt Huijgen ook dat er in de kerkgeschiedenis meer dan eens de helse straffen heel concreet werden verwoord op een manier die niet overeenkomt met de sobere wijze waarop de Schrift zelf over de hel en de rampzaligheid spreekt. De auteur wijst ook op het publieke en veelal seculiere spreken over de hel waarbij de hel in het hier en nu wordt geplaatst. Opmerkelijk vind ik dat in Inferno nergens wordt ingegaan op de islam. De bronnen van de islam spreken wel heel concreet en plastisch over de eeuwige rampzaligheid. Als hij de hel definieert als de plaats waar Jezus niet is, zal dat moslims weinig verontrusten en blijft de vraag onbeantwoord waarom alleen het geloof in Jezus als Zoon van God de mens verlost van de toekomende toorn. Inferno geeft geen handvatten om met moslims over de hel in gesprek te gaan.

*

Drie lijnen in de kerkgeschiedenis

Als het gaat om hoe in de kerkgeschiedenis over de hel is gesproken, ziet Huijgen drie lijnen, namelijk de hel als eeuwige straf, de gedachte dat de ongelovigen en goddelozen worden vernietigd (annihilationisme) en de gedachte van de alverzoening. Huijgen gebruikt hier het woord ‘modellen’. Hij staat daarin onder theologen niet alleen. Het is een concept uit de natuurwetenschap en ik meen dat dit concept beter niet kan worden gebruikt als het gaat om de inhoud van de Bijbel om de weergave van Bijbelse gegevens te typeren. Het doet naar mijn overtuiging niet volledig recht aan het werkelijkheidsgehalte van datgene wat God ons in Zijn Woord openbaart. Maar goed, dit is slechts een opmerking ter zijde.

Als het gaat om de alverzoening valt naast de naam van Origenes ook die van de kerkvader Gregorius van Nyssa. Deze kerkvader gaat ervan uit dat heel de schepping hersteld wordt en daarom verdwijnt bij hem de definitieve rampzaligheid uit beeld. De opvattingen van Origenes werden op het Tweede oecumenische Concilie van Constantinopel van 553 veroordeeld. Gregorius had en heeft voor de Kerk van het Oosten groot gezag. Men kan aan zijn opvatting over het uiteindelijke herstel van de hele schepping als een persoonlijke theologische opvatting een plaats geven, maar het kan geen officiële kerkleer zijn, gezien de besluiten van het Vijfde oecumenische Concilie.

Als het gaat om de eeuwige straf wordt de naam van Augustinus genoemd. Augustinus stelt zonder reserve dat de hel eeuwig is en de straf van de rampzaligheid zowel het lichaam als de ziel betreft. De lijn van Augustinus is die van de Kerk van het Westen geworden. Huijgen zelf meent dat wij niet zo nadrukkelijk als Augustinus dat deed, mogen stellen dat de straf eeuwig is. Hij vraagt zich af of het tegenover elkaar stellen van hemel en hel geen restant is van zijn manichese verleden. Ik acht dit een merkwaardige redenatie. Augustinus is hierin een leerling van de Schrift.

Vanaf de negentiende eeuw vind je het annihilationisme bij de Zevende-dags Adventisten en een evangelical als John Stott koos hier ook voor. Ik merk nog dat een eigentijdse variant die heel dicht bij het annihilationisme komt de zienswijze is dat wij ons de hel wellicht als een soort coma-toestand mogen voorstellen. Zowel het annihilationisme als de gedachte dat de hel wellicht een soort coma-toestand is, doen geen recht aan het feit dat de Schrift de eeuwige rampzaligheid tekent als een plaats waar straf, pijn en scheiding van God wordt ervaren.

Het annihilationisme had al in de Vroege Kerk aanhangers. Arnobius van Sicca is de bekendste en meest expliciete verdediger ervan. Huijgen zelf stelt als het gaat om deze opvatting dat het gebruik van de uitdrukkingen ‘eeuwig vuur’ en ‘eeuwige straf’ door patristische auteurs deze niet zondermeer als definitieve straf hoeven worden opgevat. Hier geeft hij geen correcte voorstelling. Er is geen reden om bij de patristische auteurs ‘eeuwig’ niet als ‘eeuwig’ op te vatten.

Dat over deze Bijbelse uitdrukkingen nog altijd discussie is, zoals Huijgen aangeeft, heeft te maken met het feit dat men zoveel mogelijk Bijbelse gegevens over de eeuwige rampzaligheid van hun kracht wil beroven. Huijgen zelf stelt dat ‘eeuwig’ allereerst een kwalitatief begrip is en dat niet de notie eeuwigdurend centraal staat. Hier maakt hij een tegenstelling die geen tegenstelling is en opent hij zo zelf de mogelijkheid voor de gedachte dat de straf van de hel tijdelijk is.

Gezien de wijze waarop Huijgen zelf het woord ‘eeuwig’ leest, kan hij beweren dat bij Justinus Martyr, Irenaeus en Athanasius niet echt duidelijk is of zij een eeuwige straf leren. Ik ontken dat met klem. Als wij Gregorius van Nyssa buiten beschouwing laten, vinden we bij de Griekse kerkvaders en bij de vroegchristelijke apologeten wel de gedachte van eeuwige scheiding van God. Het verschil met Augustinus is dat zij minder expliciet over de lichamelijke zijde van de hel spreken. De hel wordt vooral als een eeuwige gevangenis gezien.

Bij Huijgen komt niet uit de verf dat binnen de Kerk van het Oosten niet minder dan door de Kerk van het Westen over de eeuwige straf is gesproken. Als hij daaraan recht had gedaan, had hij eventueel over vier lijnen in plaats van drie kunnen spreken om aan te geven dat bij de ene lijn veel sterker de eeuwige scheiding blijft staan en men daarnaast bij de andere lijn heel expliciet spreekt over de eeuwige pijn.

Als het gaat om de stem van de Kerk van het Oosten, noem ik nog Tikhon van Zadonsk (1724–1783). In de roman De bezetenen van Dostojevski staat hij model voor bisschop Tikhon, zo leerde ik. Voordat hij monnik werd, was hij bisschop geweest. In De Gebroeders Karamazov heeft Zosima – een wijze monnik die ontferming en vergeving predikt, de trekken van Tikhon. Dat geldt ook voor Alyosha Karamazov.

Ik citeer uit een van zijn meditaties: ‘De wet verplicht de schuldenaar de schuld aan de schuldeiser terug te betalen. Zo is iedere zondaar door Gods wet verplicht voor zijn zonden God te vergoeden/genoegdoening te geven. Als de schuldenaar zijn schuld niet terugbetaalt, wordt hij in de gevangenis geworpen. Zo wordt de zondaar die zijn schuld niet terugbetaalt aan zijn Schepper in een eeuwige gevangenis geworpen.

Maar hoe kan de zondaar die zovele malen Gods oneindige majesteit beledigd heeft, zijn schuld aan God terugbetalen. Er is geen weg om voor slechts één zonde te betalen, hoe kan er dan voor zovele en zulke ernstige zonden betaald worden? Want zoals de christelijke theologie leert, maakt zelfs maar één zonde dat de zondaar de dood en de eeuwige straf waardig is, omdat het een belediging is van Gods oneindige majesteit.’

*

Wie geen keuze maakt, distantieert zich in ieder geval van de gereformeerde belijdenis

Huijgen meent dat elk van de geschetste lijnen geen recht doet aan het gehele Schriftgetuigenis. Ik merk op dat met dat hij zich distantieert van Augustinus hij zich ook op dit punt distantieert van de gereformeerde belijdenis – en trouwens niet minder van de lutherse. Onduidelijk is hoe het dan wel is als het gaat om de realiteit van de hel. Deze onduidelijkheid bij Huijgen staat niet los van het feit dat hij echt een postmodern theoloog is. Een theoloog die postmodern is, stelt vanuit eigen context, positie en geloofsperspectief de inhoud van de Schrift aan de orde.

Dat wij in geloof over de inhoud van de Schrift moeten nadenken, hoeft geen betoog. Zonder wedergeboorte en geloof ligt er nog een deksel op ons hart. Dan blijft de diepste kern van de Schrift voor ons verborgen. We moeten ook ons eigen verstaan van de Schrift niet met de Schrift zelf gelijkstellen en beseffen dat wij allen ten dele kennen. Dat neemt niet weg dat de Schrift een objectieve en eenduidige boodschap en inhoud heeft.

In het klassieke doopformulier wordt gesproken over de leer die in het Oude en Nieuwe Testament vervat is. Van de doopouders wordt gevraagd dat zij die leer persoonlijk beamen en belijden. Het gaat erom dat de objectieve waarheid van de Schrift waarvan verzoening met Christus’ bloed en wedergeboorte tot een levende hoop de kern is, door ons persoonlijk is toegeëigend of nog iets beter gezegd: of wij mogen weten dat de Heilige Geest dat in ons leven heeft gedaan. Zolang dat bij ons en onze kinderen niet het geval is, zijn wij kinderen des toorns die eenmaal eeuwig buiten moeten blijven.

Juist omdat hij alleen vanuit de mens die gelooft, wil spreken over de inhoud van de Schrift valt bij Huijgen het onderscheid tussen de waarheid die vast staat los van ons geloof en de persoonlijk toe-eigening ervan weg. Daarin staat hij bepaald niet alleen. Waar dit onderscheid niet gemaakt wordt, kan het feit dat de kerk naast levende ook dode leden bevat niet functioneren en vervaagt het onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen. Bij Huijgen betekent het dat de realiteit van de hel verbleekt. De verscheurende leeuw blijkt niet veel meer te zijn dan een papieren leeuw.

Het eigene van Huijgen is dat hij zijn opvatting belicht vanuit een bepaalde en – naar ik zal laten zien – heel bedenkelijke interpretatie van de nederdaling naar de hel. Inhoudelijk komt hij tot dezelfde conclusies als G.C Berkouwer. Diens opvattingen vormden in de jaren zestig een keerpunt in het denken over de realiteit van de hel en van de twee eeuwige eindbestemmingen in de Gereformeerde Kerken in Nederland, die in 2004 opgingen in de PKN. (Dit laatste schrijf ik er steeds voor een jongere generatie bij). Evenals Berkhouwer kan hij stellen dat de hel als waarschuwing naar gelovigen mag functioneren. Als er verschil is tussen Berkouwer en Huijgen, dan is voor Huijgen nog nadrukkelijker dan voor Berkouwer de hel een randmogelijkheid. Nooit kunnen we van iemand concreet zeggen dat hij verloren is gegaan. Alleen van Christus weten we dat hij in de hel geweest is.

*

Wat zegt de Schrift?

Uiteraard stelt ook Huijgen de Schriftgegevens aan de orde. Dat het Oude Testament veel minder zegt over het leven na dit leven en daarmee ook over hemel en hel valt elke Bijbellezer op. Toch zegt het Oude Testament hier meer over dan Huijgen meent. In ons land heeft met name dr. Mart Jan Paul daarvoor aandacht gevraagd. Opvallend is dat zijn naam ontbreekt in de overigens indrukwekkende literatuurlijst aan het einde van Inferno.

Het Hebreeuwse woord šeôl moet allereerst als rijk van de dood worden gezien. Elk mens wacht de dood en daarmee het rijk van de dood. Echter als we Ezechiël 32 lezen, dan vinden we daar een uitgebreide beschrijving van de šeôl genoemd en dan blijkt dat een plaats te zijn waar zich wel goddelozen en geen rechtvaardigen bevinden. Huijgen laat na hierop te wijzen.

Wie de Bijbel recht wil doen, moet ook de voortgang in de openbaring van de oude naar de nieuwe bedeling recht doen. Dan vinden we veruit de meeste Schriftgegevens over hemel en hel in het Nieuwe Testament. Wie daarvoor een verklaring zoekt, moet verdisconteren dat in Gods leiding de profetie overging in apocalyptiek. In de periode tussen het Oude en Nieuwe Testament kwam de apocalyptiek tot bloei en het hele Nieuwe Testament is ervan doortrokken, maar dit terzijde.

Uitvoerig gaat Huijgen in op het Nieuwe Testament. Naar zijn mening geeft het Nieuwe Testament geen eenduidig geluid over de hel. Er zijn teksten, zo meent hij, die een alverzoening suggereren. Hij verwijst naar teksten in de brieven van Paulus waarin het woord ‘allen’ voorkomt. Tegelijkertijd erkent hij dat Paulus heel nadrukkelijk onderscheid maakt tussen mensen als het gaat om Gods gericht.

Uit Romeinen 5:18 leidt hij af dat Christus potentieel de hele mensheid rechtvaardigt. Hij geeft aan dat met de uitdrukking ‘allen’ bij Paulus ook als een aanbod op te vatten. Naar mijn overtuiging is dat een mogelijkheid voor andere teksten waar Paulus het woord ‘allen’ gebruikt. Mij dunkt dat het bij ‘allen’ in Romeinen 5:18 – en trouwens ook in 2 Korinthe 5:15 – gaat om allen die Christus toebehoren. Dat zijn degenen die God in Hem tot het eeuwige leven heeft verkoren en daarom in dit leven Hem ook in geloof leren omhelzen. Uiteindelijk komt Huijgen erbij uit dat bij Paulus vanuit God als Rechter niet allen in de zaligheid delen, maar gaat het om God als Koning dan verdwijnt het onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen.

Huijgen wijst erop dat het Nieuwe Testament naast het Griekse woord hadès dat qua betekenis grotendeels overeenkomt met šeôl het woord gèhenna gebruikt. Dat is de plaats van straf voor de goddelozen. Jezus Zelf heeft erover gesproken. Als het gaat om de weergave van Zijn onderwijs door Mattheüs lezen we niet alleen van eeuwige scheiding maar ook van eeuwige pijn.

Terecht constateert Huijgen dat het scherpe spreken van de Heere Jezus in Mattheüs verbonden is met Zijn waarschuwing dat enkel het behoren bij de gemeente van Christus nog niet betekent dat wij ook in de zaligheid delen. Huijgen relativeert zoveel als mogelijk het element van pijn in de eeuwige straf. Mij viel in dit verband op dat hij ook niet de vraag beantwoordt waarom naast de rechtvaardigen ook de goddelozen worden opgewekt. Aan de wederopstanding van het vlees schenkt hij nauwelijks aandacht.

Ook zijn vraag of, en hoe we ons de hel ruimtelijk moeten voorstellen, houdt daarmee verband. We spreken, zo zegt hij, over de andere zijde van de tijd. Daarom suggereert hij dat de hel geen plaats is. Hij doet daarmee geen recht aan het feit dat wij ook na onze dood schepselen blijven. Alleen God staat boven de tijd. Zeker na de wederopstanding zullen er weer mensen zijn die ruimte in beslag nemen en van wie het bestaan daarom ook bepaald wordt door tijd. Het spreken van Huijgen over de hel wordt dan ook heel abstract. Ook hier zien we overeenstemming met Berkouwer voor wie de hel geen plaats is maar enkel een toestand.

Ten onrechte stelt Huijgen dat het annihilationisme zich kan beroepen op het gebruik van apollumi in het Nieuwe Testament. Dat betekent ‘verwoesten, ruïneren’ maar heeft niet per definitie de notie in zich van ‘vernietigen’ of ‘ophouden te bestaan’. Dat blijkt onder andere uit Mattheüs 9:17 en Lukas 15. Hier vooronderstelt Huijgen iets wat hij moet bewijzen.

Ook het boek Openbaring geeft naar zijn overtuiging aanleiding om naast een eeuwige straf voor goddelozen ook van vernietiging van goddelozen te spreken. Zo zou Openbaring 14 naar een eeuwige pijniging en Openbaring 20 naar een definitieve vernietiging wijzen. Zelf vindt Huijgen het annihilationisme niet bevredigend. Hij brengt in dit verband ook naar voren dat het ophouden te bestaan in het boeddhisme helemaal geen straf is maar het doel waarnaar wordt gestreefd.

Huijgen meent dat de drie benaderingen uit de kerkgeschiedenis die hij schetst, zich alle drie op de Schrift kunnen beroepen maar geen van hen bevredigend is. Echter, hij kan alleen volhouden dat de gegevens uit de Schrift ook ruimte geven aan de gedachte van de alverzoening dan wel het annihilationisme door aan te nemen dat Bijbelschrijvers als Mattheüs, Johannes en Paulus niet consistent zijn. Dat is los van de vraag naar de inspiratie van hun geschriften een weinig waarschijnlijke aanname.

Zeker is dat deze zienswijze alleen kan worden volgehouden als geen rekening wordt gehouden met het feit dat de Schrift een eenheid is die gewaarborgd wordt door de uiteindelijke Auteur achter de menselijke auteurs, namelijk de Heilige Geest. Want wie daarmee rekent, weet dat de Heilige Geest Zichzelf niet tegenspreekt. Duidelijk wordt dat Huijgen de klassieke Schriftleer zoals die onder andere in de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt beleden niet zonder reserve voor zijn rekening neemt.

Ik mis trouwens bij zijn bespreking van de Schriftgegevens een grondige analyse van teksten waarin gesproken wordt over de (toekomende) toorn van God en over de maatstaf die God dan wel Christus hanteert op de jongste dag. Mattheüs 3:7; Lukas 3:7; Romeinen1:18; 3:19; 9:22; Efeze 5:6; Openbaring 6:16; 14:10a; 15:1, 7 en 16:1 worden nergens genoemd. Naar aanleiding van Openbaring 11:18 dat degenen die de aarde vernietigen zelf vernietigd zullen worden, kiest hij bij de uitleg van de toorn van God kennelijk voor definitieve vernietiging en veronderstelt hij wat hij had moeten bewijzen.

Johannes 3:36, Romeinen 5:9 en 1 Thessalonicenzen 1:10 worden terloops genoemd. Uitvoeriger komt 2 Thessalonicenzen 1:6-9 aan de orde. Daaruit trekt hij de conclusie dat ver weg van Jezus de hel is. Ik mis dat wordt verwoord dat de hel de plaats is waar een mens eeuwig vergaat onder Gods toorn. Wie worstelt met de vraag hoe een rechtvaardig God mensen verloren kan laten gaan, vindt in Inferno geen antwoord. Het enige wat we lezen dat wie niet in Jezus gelooft van Hem gescheiden blijft.

Huijgen schenkt niet tot nauwelijks aandacht aan de norm die God hanteert in het oordeel. Weliswaar kan hij over geloof in Jezus spreken, maar bij de consequentie van ongeloof blijft hij vage woorden spreken. De consequenties van onbekeerlijkheid blijven helemaal buiten beeld. Ik denk aan wat de Schrift zegt in 1 Korinthe 6:9-10; Efeze 5:5-6 en Openbaring 22:15. Daar worden concreet zonden genoemd die een mens zonder bekering buiten Gods koninkrijk houden. Ik geef de laatste volledig weer: ‘Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een iegelijk, die de leugen liefheeft, en doet.’ (Openbaring 22:15) Laat elke lezer van deze recensie de andere twee zelf opzoeken.

Terecht brengt Huijgen naar voren dat de Heere Jezus op de vraag of er ook weinigen zalig worden, antwoordt: ‘Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen’ (Lukas 13:24) en daarmee niet een algemeen antwoord geeft maar een persoonlijke oproep doet.

Dat laat onverlet dat de Heere Jezus nadrukkelijk en concreet Zijn Joodse tijdgenoten voorhield dat zij zonder bekering buiten het koninkrijk van God zouden blijven. In het laatste oordeel zou het dan voor de heidense steden Tyrus en Sidon en de eenmaal omgekeerde steden Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn dan voor hen (Mattheüs 10:15; 11:21-24; Markus 6:11; Lukas 10:12, 14) Deze teksten worden niet besproken. Onbenoemd blijft dan ook dat er verschil in de mate van straf in de eeuwige rampzaligheid is zoals er ook in het nieuwe Jeruzalem verschil is in heerlijkheid tussen hen die daar mogen zijn.

Het onderwijs waarin de Heere Jezus duidelijk laat zien dat er in Israël zelf een scheiding valt – een scheiding die samenhangt met de houding ten opzichte van Hem – zijn trouwens voor de rabbijn dr. Jacob Neusner een reden om Jezus als Messias af te wijzen. Jezus doet naar zijn overtuiging geen recht aan het gegeven dat in principe heel Israël deel heeft aan de toekomende wereld. We kunnen dit lezen in zijn boekje: A Rabbi Talks with Jesus.

*

Wat stelt Huijgen nu zelf? We kunnen alleen vanuit Christus over de hel spreken

Huijgen wil over de hel spreken vanuit de nederdaling van Christus naar de hel. Dat wij deze aanduiding als zodanig in de Schrift niet tegenkomen is nog geen bezwaar tegen het gebruik ervan. Met overtuiging sluit Huijgen zich aan bij de herinterpretatie ervan door Calvijn, die de nederdaling van Christus naar de hel vóór Zijn dood aan het kruis plaatst, namelijk gedurende de drie uur durende duisternis. In de wijze waarop hij dit uitwerkt, gaat hij overigens heel andere wegen dan Calvijn en dan de Heidelbergse Catechismus die hier in het voetspoor van Calvijn gaat.

Inhoudelijk sluit hij heel sterk aan bij Hans Urs von Balthasar. Von Balthasar belicht zijn visie vanuit Stille Zaterdag. Tot op het moment van Zijn opstanding was Christus solidair met alle mensen in het rijk van de dood. De hel is sinds Christus opstanding alleen vanuit Hem bepaald. Het is de conditie van hen die de liefde van Christus afwijzen.

Dat is ook de lijn die Huijgen volgt. De hel is datgene waarvan Hij bevrijdt, geen min of meer neutraal dodenrijk, maar de schaduwzijde van Zijn verlossing. Exegetisch merk ik op dat hier geen recht wordt gedaan aan het onderscheid tussen hadès en gehènna. Als het gaat om de hel als de strafplaats voor de goddelozen en het eeuwige oordeel van God dan is de enige die aan deze zijde van het graf in de hel is geweest de Heere Jezus Christus. De uiteindelijke en toekomende toorn wordt in de hel, als de plaats van eeuwige straf, uitgegoten over allen die God niet kennen en het Evangelie van Christus ongehoorzaam zijn. De ernst van de hel is dat het een plaats is aan de andere zijde van de dood en van de wederopstanding van de doden. Alleen als we het woord hel in oneigenlijke zin gebruiken, kunnen we omstandigheden in dit leven als een hel typeren.

Huijgen stelt dat wij alleen vanuit Christus over de hel kunnen spreken. Daaruit blijkt dat hij geen klassiek gereformeerd maar barthiaans theoloog wil zijn. Zijn opvatting over de nederdaling van Christus naar de hel wordt een raster waarmee concrete Schriftgegevens de mond wordt gesnoerd dan wel een reden om concrete Schriftgegevens niet aan de orde te stellen.

Concreet wil Huijgen vooral spreken over de hel in het hier en nu. Mensen kunnen zichzelf en elkaar namelijk de hel aandoen, als God het niet verhoedt. Dat gebeurt ook door de schepping uit te buiten en door onszelf uit te leveren aan een normloze techniek. Huijgen noemt ook de eindeloze stroom van lege informatie. Hedendaagse preken over hel en verdoemenis moeten hier ontmaskerend werken en hopelijk tot bekering leiden. Ik zeg niet dat wat hij hiermee stelt onwaar is. Alleen passen hier bijbels gezien niet de woorden ‘hel’ (of het nu om de hadès of het gehènna gaat) en verdoemenis. Immers, gaat het niet over dit maar over het toekomende leven.

*

Bij de eeuwige rampzaligheid blijkt het nooit over mensen van vlees en bloed te gaan

Huijgen erkent dat Gods toorn en de straf realiteiten zijn en dat wie afdoet aan Gods toorn afbreuk doet aan het werk van Christus. Omdat hij alleen vanuit Christus over de hel wil spreken, verbleekt de ernst ervan. In het Nieuwe Testament wordt de hel en de toorn van God niet vanuit Christus belicht, maar maakt de realiteit van de toekomende toorn en Gods oordeel over onze overtredingen van Zijn geboden duidelijk waarom er alleen behoud is in Christus Die plaatsvervangend de drinkbeker van Gods toorn leegdronk. In de lijn met dit getuigenis van de Schrift wordt in de Heidelbergse Catechismus eerst duidelijk gemaakt dat wij een Middelaar nodig hebben en vervolgens wie die Middelaar is.

Dat neemt niet weg dat het overdenken van het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus ons de ernst van de rampzaligheid doet beseffen. Als de Zoon van God Die mens werd, toen de toorn van God over Hem werd uitgegoten, al uitriep: ‘Mijn God, mijn God waarom hebt Gij mij verlaten?’, wat moet het dan voor ons zijn om de eeuwigheid in de volstrekte Godsverlatenheid door te brengen. Het kruis van Christus laat ons niet alleen de grootheid van Gods liefde zien, maar ook hoe Hij in Zijn heiligheid toornt over de zonde.

In zijn boekje Judaism: A Guide for Christians brengt Tzvi Novick naar voren dat het verschil met het rabbinale Jodendom daarin ligt dat het rabbinale Jodendom allereerst op het hier en nu is gericht en niet op de eeuwigheid. De eeuwige straf wordt in het rabbinale Jodendom niet of nauwelijks benoemd, omdat we niet al te bezorgd hoeven te zijn of wij wel aan Gods norm voldoen en in principe heel Israël deelt in de toekomende wereld. Een Jood die zo denkt en het boek van Huijgen leest zal geen reden zien zijn mening bij te stellen. Voor Huijgen is de boodschap van de overwinning op de hel uiteindelijk namelijk allereerst een boodschap dat de existentiële dreiging van de definitieve ondergang van de wereld en de mensheid is afgewend.

Volgens Huijgen is de hel louter een negatief vergeleken bij wie Christus is en dan verwijst hij naar de ‘Ik ben-woorden’ uit het evangelie naar Johannes. Hij denkt dan aan de vroegere negatieven van foto’s toen foto’s nog ontwikkeld moesten worden. Zeker is dat daar waar in de eeuwigheid Christus niet is, de hel is; maar daar moet dan wel aan worden toegevoegd en dat dit daarom de plaats is waar Gods toorn over de overtredingen van Zijn geboden en over het ongeloof in Zijn Zoon tot in eeuwigheid over mensen wordt uitgegoten. Die zo essentiële toevoeging mis ik.

Daarom is de hel veel meer dan enkel een negatief van Christus. Het is de plaats van de eeuwige scheiding van God, de eeuwige straf en eeuwige pijn. Omdat Huijgen zo niet over de hel wil spreken, schenkt hij ook geen aandacht aan de mate van straf en gaat hij niet de Schriftgegevens na die daarop wijzen. Plaats van straf voor de overtreding van Gods geboden blijft in zijn omschrijving van de hel buiten beeld.

Ongetwijfeld is voor christenen die Jezus liefhebben, afstand tot Hem uiteindelijk erger dan lichamelijke pijn, zoals Huijgen stelt. Maar dat geldt juist niet voor degenen die metterdaad in de hel komen. Zij hebben immers Christus nooit lief gekregen, maar overtraden Gods geboden en als zij gehoord hebben van Christus kwamen ze niet met belijdenis van schuld tot Hem om vergeving te ontvangen. Daarom treft hen Gods toorn.

Huijgen brengt meer dan eens naar voren dat niet wij, maar God over mensen zal oordelen. Dat is ongetwijfeld waar. Maar we mogen nooit naar anderen verzwijgen welke normen en maatstaven God hanteert. De profeten hadden de opdracht de rechtvaardige te zeggen, dat het wel zou gaan en de goddeloze dat het kwalijk zou gaan (Jesaja 3:10-11). Ezechiël moest als een wachter het huis van Israël waarschuwen. De HEERE zei tot hem: ‘Als Ik tot de goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven, en gij waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat gij hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.’ (Ezechiël 3:18). Die ernst mis ik helemaal bij Huijgen.

In het begin van zijn studie merkte Huijgen op dat wij moeten beseffen dat wij het bij de hel als de eeuwige bestemming van de mens over mensen van vlees en bloed hebben. Dat is waar en daarom horen we altijd met heilige huiver over de hel en het toekomende oordeel te spreken. Niets is zo erg dan voor eeuwig verloren te gaan.

Echter, als ik het boek van Huijgen gelezen heb, gaat het bij hem, als het over de hel gaat, nooit over mensen van vlees en bloed. Ook als het gaat om mensen als Hitler en Stalin laat hij de vraag open wat hun eeuwige bestemming is. Wat betekent dan nog de noodzaak van geloof en bekering?! Ook de eeuwige bestemming van Judas is voor Huijgen een open vraag. Daarmee verliezen de woorden van Jezus dat het beter voor Judas zou zijn geweest niet te zijn geboren hun betekenis (Mattheüs 26:24; Markus 14:21). Er zijn mensen die tot het einde toe de brede weg zoals de Schrift ons die tekent, bewandelen. Ook als dat een van onze geliefden betreft moeten wij de HEERE vragen of wij Hem God kunnen laten. Ook dan moeten zo schreef Kohlbrugge in Eenige vragen en antwoorden tot onderzoek en oefening van zichzelf, God grootheid geven. Hij verwijst dan naar Spreuken 16:4.

Als Huijgen schrijft dat de enige mens die ik aantref in de hel Christus is of ikzelf of feitelijk beiden, doet dat geen recht aan de Bijbelse boodschap. Ieder mens moet leren dat hij tenzij hij in dit leven wedergeboren wordt het koninkrijk van God niet zal binnengaan. Elke ware gelovige heeft geleerd dat hij had verdiend om eeuwig onder Gods gramschap te vergaan, maar hij mag ook weten dat hem die gramschap niet treft omdat Christus Die plaatsvervangend droeg. Daarom tref ik mijzelf niet in de hel aan, maar leer ik mijzelf wel als helwaardig kennen.

Er zullen er velen zijn die het nieuwe Jeruzalem niet binnen gaan. Heel concreet worden hun kenmerken in de Schrift verwoord. De verwoording van die kenmerken mis ik helemaal bij Huijgen. Huijgen gaf zijn boek de titel Inferno. De ontdekking van de hel. Huijgen is breed belezen ook in de moderne literatuur. Ik neem aan dat dit een zinspeling is op het boek van Harry Mulisch De Ontdekking van de hemel, maar wat hij er vooral mee wil zeggen is dat Christus de hel heeft ont-dekt. Hij laat zien wat zij werkelijk inhoudt en heeft haar zo van haar macht beroofd. Christus heeft voor al de Zijnen de hel overwonnen. Maar wie het boek van Huijgen leest, merkt dat hij verder gaat.

Voor degenen die niet geloven en zich niet bekeren heeft de hel meer het karakter van een papieren tijger. Nederlands gereformeerde predikant Matthijs Haak gaat in een recensie van Inferno op zijn weblog nog verder dan Huijgen. Hij stelt: ‘Terecht komen in de hel is onmogelijk voor een mens omdat Christus die weg is gegaan. God is daar in Jezus geweest.’ Daarnaast brengt hij naar voren: ‘De hel blijft voor een christen dicht. Dit mag je in Jezus’ naam tegen ieder mens zeggen.’ Hij geeft aan dat deze twee principes elkaar niet dekken. Met Huijgen stelt hij dan dat wij het oordeel ten slotte in de handen van Jezus de betrouwbare Heiland moeten leggen. Voor Huijgen en ook voor Haak is de opvatting van Reinier Sonneveld, die in zijn boek Het einde van de hel nadrukkelijk de alverzoening leert, een station te ver, maar beiden komen er feitelijk heel dicht bij.

*

De prediking als eerste sleutel van het koninkrijk der hemelen functioneert niet

Niet alleen de Schrift maar ook de gereformeerde belijdenis spreekt heel anders over de toorn van God en wie die toorn treft, dan Huijgen doet. Ik denk in dit verband aan antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus. Daar lezen we dat niet alleen aan hen die waarachtig geloven moet verkondigd worden dat hun zonden zijn vergeven, maar ook de ongelovigen en degenen die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd worden, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren en dat God naar dit getuigenis van het Evangelie zowel in dit als in het toekomende leven zal oordelen.

Het gaat hier over de prediking als de eerste sleutel die ons de toegang tot het koninkrijk der hemelen opent dan wel ontzegt. De bediening van de verzoening is ook het kenmerk van de ware kerk. Het feit dat wij geen rechter zijn betekent niet dat wij mogen verzwijgen dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt die niet geloven en zich niet bekeren. Naar dit getuigenis oordeelt God immers niet alleen in dit maar ook in het toekomende leven.

Ik denk ook aan het klassieke doopformulier. Als predikers nog het klassieke doopformulier voorlezen, dan hoop ik dat zij in hun prediking niet verzwijgen dat wij en onze kinderen zolang we niet wedergeboren zijn kinderen des toorns zijn. Daar doet het ontvangen van de sacramenten – en dan denk ik niet alleen aan de doop maar ook aan het avondmaal – niets aan af. Ik kan mij niet voorstellen dat wie zich kan vinden in het boek Inferno geen problemen heeft met het voorlezen van het klassieke doopformulier. Dan zou er immers moeten staan dat ook als onze kinderen God en Zijn gemeente de rug toekeren wij niet over hun eeuwige staat mogen oordelen, omdat God Rechter is en Christus als Koning alle dingen vernieuwt. Dat ons Zijn maatstaf bekend is, doet dan immers niet ter zake.

Waar in de prediking een geluid klinkt zoals Huijgen dat in zijn boek Inferno beschrijft, mist een gemeente dan ook het eerste en belangrijkste kenmerk van de ware kerk. Ik schrijf dit met diep verdriet. Inferno is bepaald geen betrouwbare reisgids naar het nieuwe Jeruzalem. De bijval waarmee het boek van Huijgen wordt ontvangen en ook het feit dat anderen niet verder komen dat het plaatsen van wat kanttekeningen, is een aanwijzing dat we lang niet elke gemeente in kerkelijk Nederland ook als behoort zij tot de gereformeerde gezindte in sociologische zien en wordt formeel de gereformeerde belijdenis nog als grondslag van een kerkverband genoemd, werkelijk de kenmerken van een gemeente van Christus draagt.

Lang niet elke predikant is een betrouwbare gids naar de hemel. Op niet mis te verstane wijze heeft de vader van de Afscheiding toen hij nog hervormd predikant was, dat in de negentiende eeuw al verwoord. Ik merk wel op dat hij zijn boekje beter een andere titel had kunnen geven zodat de lezer zelf de conclusie zou kunnen trekken die door De Cock in de titel werd verwoord.

Toen Huijgen in Apeldoorn werd benoemd, was mijn hoop dat de TUA en het Hersteld Hervormd Seminarie dichter bij elkaar zouden komen te staan. Ds. H. E. Sterk die als tweede gemeente de Christelijke Gereformeerde Kerk Bunschoten-Spakenburg heeft gediend, heb ik in mijn studententijd een aantal malen ontmoet. Ds. J. Westerink die ik vele malen op de Haamstedeconferentie een lezing heb horen houden, diende voordat ds. Sterk overleed samen met hem deze gemeente. Ik meende dat Huijgen in die lijn zou gaan.

De dingen zijn anders gelopen dan ik had gehoopt. Meer en meer bleek dat dit niet het geval was. Huijgen bleek vooral Barth als zijn geestelijke en theologische gids te zien. Zelf vertrok ik nog voordat ik met emeritaat ging van het Hersteld Hervormd Seminarie. Vanuit de Herstelde Hervormde Kerk voelde ik mij te weinig gesteund in mijn overtuiging dat ook in academische context theologie een nadenken is van Gods gedachten in de Schrift geopenbaard en dat daarom de boodschap van de Schrift als objectief waar moet worden gepresenteerd. Uit gevoerde gesprekken werd mij duidelijk dat ik niet paste bij het profiel dat het Hersteld Hervormd Seminarie wilde hebben.

Mijn bede is dat christenen gewonnen worden voor het Bijbelse getuigenis over de prediking zoals dat verwoord is in antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus en daarom zo zelf de boodschap van de Bijbel met anderen willen delen. In het bijzonder geldt dat predikers. Is men daarvan weggegroeid dan bid ik erom en zie ik uit naar terugkeer.

Het belangrijkste voor een gemeente is of zij christelijk gereformeerd, hersteld hervormd, protestants, gereformeerde gemeente of pinkstergemeenten dan wel baptisten gemeente of wat voor gemeente dan ook zijn, dat er betrouwbaar onderwijs wordt gegeven over de weg naar het nieuwe Jeruzalem en de consequenties van het niet bewandelen ervan. Ambtsdragers en in het bijzonder predikanten moeten een betrouwbare gids zijn naar de hemel opdat wij niet in de hel komen terwijl we de indruk kregen dat wij naar de hemel werden geleid.

Ik geef weer wat de anglicaanse bisschop J.C. Ryle in zijn boek Holiness (Heiligmaking) schreef: ‘God weet dat ik nooit over de hel spreek zonder pijn en verdriet. Met vreugde bied ik de zaligheid aan de voornaamste van de zondaren aan (…) Echter, als u een gezonde Schriftuurlijke christen wilt zijn, geef dan de hel een plaats in uw theologie. (…) Als u een gezonde en Schriftuurlijke christen wilt zijn, raad ik u aan u ver te houden van elke bediening die niet duidelijk de realiteit en de eeuwigheid van de hel leert.’

De grootste zorg moet voor ons zijn dat de kandelaar van het Evangelie wordt weggenomen. Laten we smeken om predikers die betrouwbare gidsen naar de hemel zijn. Laten wij allemaal elkaar aansporen de weg te bewandelen die leidt naar de stad van God en voor elkaar een betrouwbare gids zijn. Dan zullen we met ernst en bewogenheid over de eeuwige rampzaligheid spreken. We weten immers allereerst van onszelf dat dit onze eeuwige eindbestemming had moeten zijn.

Koud en onbewogen over zo’n ernstige zaak spreken is strijdig met de zaak waarover het gaat en vooral ook met het feit dat het Evangelie de boodschap is van de verlossing van de toekomende toorn. Onze diepste wens moet toch zijn dat degenen die op onze weg worden geplaatst tot de Heere Jezus Christus leren vluchten als de enige die een mens daarvan kan verlossen. Laten we die Middelaar met vurigheid en liefde aanprijzen in de wetenschap dat God er Zelf garant voor staat dat Zijn Woord nooit ledig weerkeert, maar juist vrucht zal dragen.

Arnold Huijgen, Inferno. De ontdekking van de hel (Utrecht: KokBoekencentrum, 2026), paperback 384 pp., €32,99 (ISBN 9789043543415)

Plaats een reactie