Welke lessen kunnen we trekken uit de herinneringen van een rooms-katholieke boomer?

Hoe in twee generaties het aanzien van Nederland en van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland veranderde

Nederland heeft in twee generaties een heel ander aanzien gekregen. Tot in de jaren zestig kon Nederland als een christelijk land worden getypeerd. Het grootste deel van de bevolking had een band met de christelijke kerk. Dat is in 2026 bepaald niet meer het geval. De Rooms-Katholieke Kerk halveerde tussen 1970 en 2025. Gaan we af op het misbezoek, dan is de teruggang nog dramatischer.

De PKN kan als juridische opvolger van zowel de Hervormde Kerk als de Gereformeerde Kerken en de Evangelisch-Lutherse Kerk, op haar aanwezigheid in een aantal dorpen na, sociologisch niet meer claimen de volkskerk te zijn; een claim die trouwens bij de vorming van de PKN werd opgegeven. Er treden inmiddels weer mensen uit de wereld toe tot de kerk, maar als kerken nog groeien, is dat niet zozeer door deze toetredingen maar door overgangen uit andere kerken. Waren die overgangen er niet, dan zou bijvoorbeeld ook de Hersteld Hervormde Kerk krimpen.

Hoe kon de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland in zo korte tijd imploderen? Dat geldt temeer als wij bedenken dat in de jaren zestig maar liefst 8.000 Nederlandse missionarissen werkzaam waren; tien procent van het wereldwijde aantal. Deze ontwikkeling is niet los te zien van het Tweede Vaticaanse Concilie. Daarbij moet worden opgemerkt dat dit concilie ook opvattingen en ontwikkelingen sanctioneerde die zich al eerder hadden ingezet.

Ik zat op de lagere school (nu basisschool) toen het Tweede Vaticaanse Concilie plaatsvond. Dat begon in 1962 en eindigde in 1965. Dit ging toen geheel aan mij voorbij. Weliswaar was een aantal van mijn klasgenoten rooms-katholiek, maar dat waren kinderen van Spaanse gastarbeiders en hun rooms-katholicisme was feitelijk louter een culturele zaak. Eén autochtone Nederlandse familie in Kinderdijk was rooms-katholiek, maar deze familie stuurde hun kinderen naar de rooms-katholieke Sint Franciscusschool in Alblasserdam. De echte doorwerking van Vaticanum II in Nederland kwam nadat het Pastoraal Concilie van Noordwijkerhout in 1970 was afgesloten. Daar wilde menigeen nog veel verder gaan dan Vaticanum II, maar men werd vanuit Rome teruggefloten.

Ongetwijfeld heeft Vaticanum II positieve kanten. Er kwam een einde aan een stuk angstcultuur en machtsdenken. Rome gaf weliswaar principieel niets van haar structuur kwijt, maar haar claims werden minder dwingend naar buiten gebracht. De gewone kerkleden werd veel meer het gevoel gegeven dat zij naar eigen geweten konden beslissen over wat de kerk van hen vroeg. Regel werd voortaan dat de mis in de volkstaal werd opgedragen en de priester keek met het opdragen van de mis de gemeente aan en niet meer het altaar. Een groot deel van de praktijken verbonden met volksdevotie verdween. De meeste priesters bleken er allang niets meer in te zien.

Onjuist is echter te denken dat Rome dichter tot het klassieke protestantisme was genaderd. Eerder moet men zeggen, zoals mijn vrijzinnig hervormde geschiedenisleraar op de middelbare school dat zei, dat Rome naar Erasmus had leren luisteren. In onderscheid met Luther had Erasmus geen moeite met de leer van Rome en viel hij haar visie op de verhouding van Schrift en kerk dan wel traditie bij. Voor zover Rome dichter bij het protestantisme kwam te staan, gold dat voor neo-orthodoxe en zelfs vrijzinnige vormen van protestantisme.

Toen ik van 1980 tot 1982 als pastoraal medewerker aan de Hervormde Gemeente van Wijk bij Heusden was verbonden, merkte ik bij bezoeken aan ziekenhuizen in ’s-Hertogenbosch hoe ingrijpend de veranderingen in Nederland na Vaticanum II voor tal van oudere rooms-katholieken waren geweest. Ik bezocht gemeenteleden uit Wijk in deze ziekenhuizen. In die tijd was een zaal met vier tot zes bedden nog heel gewoon. Werd er door anderen echt meegeluisterd, dan waren dat feitelijk altijd rooms-katholieken.

De veranderingen in hun kerk hadden hen ontsteld en ontwricht. Meer dan eens kreeg ik te horen: ‘Wij weten niet wat meneer pastoor zelf eigenlijk nog gelooft.’ Wat mij aan deze mensen verbond en deze mensen aan mij was het eeuwigheidsbesef; de wetenschap dat wij na dit leven aan God verantwoording moeten afleggen over het leven hier op aarde. Dat eeuwigheidsbesef is na Vaticanum II voor een heel groot deel verdwenen uit de Rooms-Katholieke Kerk. We kunnen dat niet alleen op het conto van een aantal progressieve priesters of bisschoppen schrijven. Franciscus, de vorige paus, sprak de hoop uit dat de hel leeg blijft. Zo’n uitspraak uit de mond van een paus was voor Vaticanum II ondenkbaar.

In de gesprekken die ontstonden op de ziekenzaal ging ik niet in op de verschillen tussen Rome en de Reformatie over de betekenis van de eucharistie, de Mariadevotie enz., maar wees ik erop dat wij alleen zonder vrees God kunnen ontmoeten als wij hebben leren schuilen in de wonden van Christus, Wiens bloed van alle zonden reinigt. Soms waren er gesprekken van hart tot hart. Dat bevestigde voor mij concreet de opvatting van onze gereformeerde vaderen dat wij de leer van Rome afwijzen, maar niet uitsluiten dat in haar midden nog ware gelovigen zijn die dwars door alle rooms-katholieke franje heen hun zaligheid alleen van Christus verwachten en Hem als Zaligmaker liefhebben. Zo’n christen is waarlijk katholiek. Mij kunnen gedichten van de Vlaamse priester Guido Gezelle diep treffen. Ik denk aan ‘Gij badt op enen berg alleen’ en ‘Het leven is geen vrede alhier, geen wapenstilstand vragen’.

*

Observaties van een rooms-katholieke babyboomer

Rooms-katholieken zelf zullen het woord ‘rooms’ nooit voor ‘katholiek’ plaatsen. Men spreekt over zichzelf als katholiek. Zo introduceert Wim Peeters zich dan ook in zijn boekje Terug naar het midden. Herinneringen van een katholieke boomer. Geboren in 1950 hoort Peeters nog helemaal bij de babyboom van na de Tweede Wereldoorlog. Na enkele jaren gewerkt te hebben als journalist bij het toenmalige Dagblad voor Noord-Limburg in Venlo, studeerde Peeters vanaf 1971 Klassieke Talen en Antieke Filosofie aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Hij gaf acht jaar les vóór hij in 1985 terugkeerde naar de journalistiek bij het Katholiek Nieuwsblad. In 1998 werd hij woordvoerder van mgr. Bomers en perschef van het bisdom Haarlem. In 2013 moest hij wegens ziekte vroegtijdig stoppen.

Zijn observaties zijn om meer dan één reden belangwekkend. Zij laten protestantse buitenstaanders zien hoe een rooms-katholiek de veranderingen in zijn kerk ervoer en wat hij om zich heen zag gebeuren. In dit kader maakt Peeters ook meerdere opmerkingen over culturele veranderingen die zich in de gehele samenleving voltrokken, en hierin toont hij een stuk wijsheid waarmee we onze winst kunnen doen.

Wie meent dat de kloof tussen Rome en de Reformatie kleiner is dan in de zestiende eeuw, kan door het lezen van dit boekje van deze illusie worden verlost. Nog altijd verschillen Rome en de Reformatie in het antwoord op de vraag naar de verhouding tussen de Schrift en de kerk. Nog altijd is bij Rome de eucharistie als de onbloedige presentstelling van het offer van Christus het centrum van de eredienst en niet de prediking van schuld en vrijspraak; een vrijspraak die altijd gepaard gaat met vernieuwing. Nog altijd scheiden de wegen als het gaat om het antwoord op de vraag hoe een mens rechtvaardig voor God is.

Daarom is het jammer dat de vereniging Protestants Nederland is opgeheven en het blad dat deze vereniging uitgaf niet meer verschijnt. We moeten wel eerlijk zeggen dat in haar nadagen in het blad van deze vereniging nauwelijks meer aandacht werd gevraagd voor de blijvende kloof tussen Rome en de Reformatie en vooral aandacht werd gegeven aan punten van overeenstemming. Zo maakte men feitelijk zichzelf overbodig, terwijl daar bepaald geen reden voor was. Wat betreft Rome: er is een grotere openheid naar de omliggende samenleving gekomen, maar de kloof met het klassieke protestantisme is feitelijk groter dan in de zestiende eeuw. Een klassiek protestant mist bij de meeste eigentijdse rooms-katholieken ook het eeuwigheidsbesef dat zo kenmerkend was voor een vorige generatie.

*

Hoe ervoer een rooms-katholieke babyboomer de veranderingen in zijn kerk?

Peeters werd traditioneel rooms-katholiek opgevoed. Met traditioneel bedoel ik nadrukkelijk niet traditionalistisch. Het traditionalisme is er pas vanaf Vaticanum II en dan gaat het om diegenen die principieel moeite hebben met de besluiten van dit concilie dan wel die echt afwijzen. Peeters werd opgevoed in het besef dat de kerk de hoeder is van de zaligheid. In zijn jeugd was de dagelijkse gang naar de mis nog heel normaal en aan een mis ging een biecht vooraf.

Na Vaticanum II liep de Nederlandse kerkprovincie voorop in het doorvoeren van vernieuwingen. Van de een op de andere dag werd de mis niet meer in het Latijn maar in het Nederlands opgedragen en keek de priester niet meer samen met de andere kerkgangers in de richting van het altaar als hij de mis opdroeg. Het gregoriaanse gezang verdween en er kwamen melodieën in gebruik die menig kerkganger protestants in de oren klonken. Tal van vormen van volksdevotie (processies, zegeningen enz.) verdwenen. Priesters lieten merken dat zij daar zelf niets in zagen. De kerk kreeg door de doorgevoerde niet meer aansluiting bij de maatschappij zoals was gehoopt. Massale kerkverlating was daarentegen wel de vrucht van de vernieuwingen.

Deze ontwikkelingen gingen het gezin waarin Peeters opgroeide niet voorbij. De nieuwe echtscheidingswet, die in 1971 door de nationale overheid werd ingevoerd, maakte echtscheiding op grond van duurzame ontwrichting mogelijk. Voor Rome is daarentegen het huwelijk een sacrament en maakt zelfs overspel een huwelijk niet ongeldig. De ouders van Peeters moesten meemaken dat meerdere van hun kinderen de kerk de rug toekeerden en dat huwelijken van kinderen stukliepen.

Peeters zelf is misdienaar geweest en was kleinseminarist, maar voelde zich niet tot priester geroepen. Aanvankelijk ging hij mee met de vernieuwingsdrang: hij werd bandlid in wat toen ‘beatmissen’ werden genoemd. Dat was een overgangsfase waarbij hij feitelijk helemaal van de kerk afgroeide. Hij werd een los-vaste bewoner van een commune. In zijn verkeringstijd ontstond er bij hem en zijn latere vrouw de behoefte aan een hernieuwde oriëntatie.

Zij keerden terug naar wat Peeters het midden noemt. Geen nihilisme aan de ene kant en geen ideologie als die van het (neo)marxisme aan de andere kant, maar het midden van het door de kerk – en dat is voor Peeters uiteraard de Rooms-Katholieke Kerk – officieel beleden geloof met de daarbij behorende moraal. Het gaf hem en zijn vrouw vastheid, niet in de laatste plaats bij het opvoeden van hun kinderen. Duidelijk is dat zij daar veel tijd in staken. Daar kan een protestant een voorbeeld aan nemen. Door niets wordt een kind zozeer gestempeld als door het gezin waarin het opgroeit. Dat stempel gaat veel dieper dan het stempel van de school die het bezoekt en ook het stempel van een kerkelijke gemeente waartoe ouders behoren.

Als het om het laatste gaat, wordt duidelijk dat Peeters en zijn vrouw gezworven hebben. Zij wilden met een parochie meeleven waar de rooms-katholieke leer en moraal zonder reserve werden uitgedragen, en dat was bepaald niet in elke parochie het geval. In Nederland is de Rooms-Katholieke Kerk vergrijsd. Van het proces van het sluiten en afstoten van kerkgebouwen is bepaald het einde nog niet in zicht. Daarnaast zien we bij een nieuwe generatie belangstelling voor de Rooms-Katholieke Kerk.

Betrokken jonge rooms-katholieken zijn over het algemeen conservatief. Ik merk op dat als protestanten overstappen naar Rome, ze zich veelal thuis voelen bij de conservatieve stroming in deze kerk. Is dat niet het geval, dan is vaak de reden dat Rome de ruimte biedt om New Age-achtig denken en vormen van mystiek die nauwelijks christelijk zijn met het christelijke geloof te verbinden.

*

Loyaal aan de paus en geen traditionalist

In de tijd dat het Katholiek Nieuwsblad werd opgericht en later ook in de tijd dat hij werkzaam was bij het bisdom Haarlem kreeg Peeters – al was het maar indirect – te maken met het traditionalisme. Daaraan is de naam verbonden van de Franse aartsbisschop Marcel Lefebvre en de door hem opgerichte Priesterbroederschap Sint Pius X. De Priesterbroederschap Sint Pius X houdt vast aan de Tridentijnse mis. Toen hij in 1988 zonder pauselijke toestemming een viertal bisschoppen wijdde, werd hij met deze bisschoppen geëxcommuniceerd. Overigens is de sacramentsbediening van geestelijken van de Priesterbroederschap Sint Pius X volgens Rome wel onwettig, maar niet ongeldig.

Peeters spreekt van een schisma en zet deze traditionalisten op één lijn met protestanten. Zij miskennen namelijk de voortgaande leiding van de Heilige Geest met de kerk en onderwerpen zich niet zonder reserve aan het gezag van de bisschop van Rome als opvolger van Petrus. Daarom laten zij volgens hem zien dat zij niet katholiek zijn. Peeters gaat niet in op de pogingen van Benedictus XVI om de traditionalisten terug te winnen voor de Rooms-Katholieke Kerk. Zelf verlangt hij niet terug naar de Tridentijnse mis, al erkent hij wel dat het verdwijnen ervan voor velen van zijn leeftijdgenoten een belangrijke reden was de kerk de rug toe te keren.

Terecht constateert Peeters dat meer dan eens de seculiere pers zich wel heel gretig op de seksschandalen binnen de Rooms-Katholieke Kerk wierp, maar dat de Rooms-Katholieke Kerk er op veelal juiste wijze mee omging, zeg ik hem niet na. Ik denk alleen al aan het feit dat priesters die zich vergrepen aan jongens meestal werden overgeplaatst. Ik weet dat uit het ambt zetten bij Rome niet kan, maar dan had men deze priesters toch naar een klooster kunnen en moeten verwijzen. Omdat pedofilie niet alleen strijdig is met Gods wet maar ook met de landswet, hoort mijns inziens de kerk bij de ouders van jongens die dit overkomen is, erop aan te dringen aangifte te doen bij de politie. Dat zeg ik voor alle duidelijkheid niet minder richting protestanten dan rooms-katholieken.

Peeters spreekt over de voortgaande leiding van de kerk door de Heilige Geest. Wat protestanten opvalt, is dat Rome creatief en soms wel heel creatief haar eigen geloofsgoed herinterpreteert en zij daarnaast inmiddels ver gaat in het tolereren van opvattingen en gedragingen die strijdig zijn met de officiële leer van de kerk. Wat houdt het constante geloofsgoed en moraal in de praktijk dan precies in?

Sinds Vaticanum II is Rome voorstander van gewetensvrijheid en godsdienstvrijheid. Dat is een verandering die ik tot op grote hoogte bijval. Wel meen ik dat de overheid nooit neutraal kan zijn en zij zich hoort te richten op de Tien Geboden. Daarin zal een conservatieve katholiek mij ongetwijfeld bijvallen. Ik meen ook dat het klassieke protestantisme een betere garantie bood voor godsdienst- en gewetensvrijheid dan zeker vroeger bij Rome het geval was. Met Peeters zeg ik dat christelijk geloof dwang uitsluit of uit hoort te sluiten. Navolging van Christus kan nooit een oprechte keuze zijn als die onder dwang tot stand komt.

Zelf herinner ik mij nog goed hoe ik in mijn lagereschooljaren hoorde van geloofsvervolging van protestanten in Spanje. Als traditionalisten stellen dat opkomen voor godsdienstvrijheid afwijkt van wat vóór Vaticanum II werd geleerd, zou ik niet weten hoe men dat kan ontkennen. Nog bij de verkiezing van Kennedy tot president speelde in de Verenigde Staten dat de Rooms-Katholieke Kerk vanouds afwijzend stond tegenover godsdienstvrijheid en kritisch oordeelde over democratie. Dan kunnen er meerdere uitspraken van pausen uit de eerste helft van de twintigste eeuw worden vermeld. Het zijn zaken die Peeters niet vermeldt.

Als het gaat om de beschermwaardigheid van het leven en de heiligheid van het huwelijk zitten klassieke protestanten en conservatieve rooms-katholieken op één lijn, al ziet een protestant het huwelijk niet als sacrament. Peeters is er zelf – en ik met hem – op bijbelse grond van overtuigd dat seksualiteit alleen bedoeld is binnen het huwelijk van één man en één vrouw. Heel merkwaardig is voor een protestant dat er binnen de Rooms-Katholieke Kerk ondanks haar officiële moraal verbanden kunnen zijn van homo-pastores.

Toen een met een man samenwonende rooms-katholieke man Eerste Kamerlid werd voor de ChristenUnie, was dat voor een Nederlandse bisschop aanleiding tot een felicitatie. In een vanouds protestantse partij kregen rooms-katholieken meer en meer een plaats. Geen enkele bisschop sprak openlijk zijn afkeuring over deze homoseksuele relatie uit. Peeters noemt dat niet. Peeters gaat ook niet in op het feit dat Franciscus, in Fiducia Supplicans (2023), goedkeurde dat priesters informele, pastorale zegeningen mogen geven aan paren van hetzelfde geslacht.

Deze zegen geldt niet als een kerkelijk huwelijk of goedkeuring van de relatie volgens de kerkelijke wet, maar als een gebed om Gods steun voor de betrokken personen. De zegen zou de persoon gelden en niet de relatie als zodanig. Als protestant denk ik dan aan de Lettres provinciales, waarin Pascal zich tegen de casuïstiek van jezuïeten keert. Wat blijft er zo in de praktijk over van de ethiek van de Kerk der eeuwen over het huwelijk?! Ik zou het niet weten.

Deze zinnen schrijf ik overigens niet met blijdschap. Ik weet ook dat meerdere rooms-katholieken hierover verontrust zijn. In ethisch opzicht is Rome lange tijd een rots in de branding geweest. Als dat verandert, zijn de gevolgen wereldwijd merkbaar. Ik besef terdege dat men officieel de leer en moraal nooit kan veranderen, maar wat houdt dat in als men meer en meer een andere praktijk sanctioneert of er niet meer tegen waarschuwt?

Hoe kan men deze praktijk rijmen met de woorden van de Schrift: ‘Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven.’ (1 Korinthe 6:10). Men kan zo ver van God niet verwijderd zijn of er is in dit leven altijd een weg terug, maar die is er nooit zonder concrete bekering. Dat heldere geluid mis ik bij de laatste pausen. Dan geven onder andere de anglicaanse bisschoppen, verenigd in Gafcon, een helderder geluid.

Merkwaardig is trouwens dat Peeters zich, als het gaat om christelijke normen en waarden, wel negatief uitlaat over populistische partijen, maar de liberalen en socialisten en ook christendemocraten ongenoemd laat. Ik heb evenals Peeters grote vragen bij populistische partijen, maar ik constateer ook dat die in hun midden Kamerleden hebben die openstaan voor de beschermwaardigheid van het leven en die ook christenen de vrijheid willen laten als het gaat om het publiek uitkomen voor het bijbelse getuigenis over seksualiteit en de verhouding van man en vrouw. Dat laatste geluid hoor je uit de mond van linkse en liberale politici nooit.

*

Behartigenswaardige observaties

Ik gaf aan dat op maatschappelijk gebied Peeters een aantal heldere en behartigenswaardige observaties maakt. Hij spreekt er zijn verwondering over uit dat de Nederlandse bisschoppen zo gemakkelijk hebben geaccepteerd dat de rooms-katholieke pers verdween en de band tussen het rooms-katholieke onderwijs en de kerk wel heel zwak werd. Als protestant zeg ik dat berichtgeving die bijbelse en gereformeerde perspectieven biedt van groot gewicht is.

Met Peeters ben ik ervan overtuigd dat onderwijs nooit neutraal is, en dan heb ik het niet allereerst over een band met de kerk (al hoort die er ook bij) maar over onderwijs met de Bijbel die echt helemaal opengaat. Ik val hem ook bij dat hoe dan ook het peil van het onderwijs in Nederland gezakt is en dat met name het belang van kennis van de talen en van de geschiedenis onderschat wordt. Protestanten en rooms-katholieken keken verschillend tegen Willem van Oranje aan, maar inmiddels weten veel scholieren helemaal niet meer wie Willem van Oranje is.

Ik merk ook dat gebrek aan kennis van de geschiedenis een grote bedreiging voor de rechtsstaat is. Veel Nederlanders hebben niet in de gaten dat het gelijkheidsdenken een ideologie is die bepaald niet zelfevident is, en toch vindt menige Nederlander dat iedereen deze ideologie behoort bij te vallen en dat elke school haar onderwijs door deze ideologie moet laten stempelen. Het is een ideologie die niet alleen strijdig is met de Schrift maar ook met Gods openbaring in de schepping. Hier kunnen klassieke protestanten en conservatieve katholieken elkaar vinden.

Peeters spreekt over de teloorgang van het onderwijs. Vorming, zo schrijft hij spits, maakte plaats voor toetskunde. Een leerling moet toetsingen kunnen doorstaan. Hier geeft hij eenzelfde geluid als Richard Toes. Peeters noemt in dit verband de Mammoetwet. Ik begon aan het vwo toen de Mammoetwet gestalte kreeg en nog altijd betreur ik het dat ik niet tot en met de zesde klas van het VWO naast Engels, Frans en Duits heb gevolgd. Ik koos Duits en Frans niet in mijn vakkenpakket. Ik voelde, toen ik mijn vakkenpakket moest kiezen, geen roeping tot het predikantschap, maar los daarvan is mij toen het grote belang van talenkennis veel te weinig onder de aandacht gebracht.

Peeters noemt ook dat aan meerdere universiteiten talenstudies zijn geschrapt. Alle aandacht gaat uit naar wat economisch voordeel oplevert. Vanwege het ontbreken van kennis van het christelijk geloof wordt literatuur van vroegere generaties voor steeds meer leerlingen een gesloten boek. Men herkent de zinspelingen op bijbelse thema’s en gebeurtenissen niet en kan die al helemaal niet plaatsen.

Peeters laakt ook heel terecht het neoliberale beleid dat de overheid inmiddels ettelijke tientallen jaren voert. We zien als resultaat ervan dat de zorg steeds meer verzakelijkt is. Het neoliberale beleid gaat ook niet uit van het klassieke gezin. Een gezin met slechts één kostwinner betaalt veel meer belasting dan een gezin met twee kostwinners. Zo werkt de overheid actief mee aan het uiteenvallen van de samenleving.

Evenals Peeters is het mij opgevallen dat je op een gegeven moment zag dat boeren met gier het land gingen besproeien; een tafereel dat in mijn jeugd niet voorkwam. Vanaf het einde van de jaren zestig kwamen er namelijk giertanks op de markt. Daarmee kon de vloeibare mest via een spuitmond met enorme kracht bovengronds over het land worden uitgereden en verspreid.

Telkens als ik dat zag, vroeg ik mij als leek af of hiermee de draagkracht van de grond niet werd overvraagd. Inmiddels blijkt dat ik mij niet heb vergist, en met Peeters ben ik van mening dat de overheid veel eerder sturend had moeten ingrijpen. Lange tijd heeft men de problemen, die een zo intensief gebruik van grond meebrengt, genegeerd en ontwikkelingen eerder gepromoot dan tegengegaan. Nu blijkt dat het niet simpel is om op een rechtvaardige wijze zaken recht te zetten.

Buitengewoon behartigenswaardig vind ik de opmerking van Peeters dat in Nederland weliswaar het recht op godslastering gegarandeerd is, maar dat dit recht alleen de drie-enige God geldt. Het betreft Boeddha niet, om van Allah maar te zwijgen. Zelf wil ik hier nog aan toevoegen dat vooral linkse politici grote openheid tonen naar de islam en dan ook naar meer conservatieve vormen van de islam. Peeters brengt naar voren dat wij in Nederland niet zozeer met atheïsten hebben te maken, maar met Christushaters. Niet God in het algemeen maar Jezus Christus, God Die mens werd, is de steen des aanstoots.

*

Het verschil tussen Rome en de Reformatie

Peeters is welbewust katholiek en welbewust loyaal aan de paus. De traditionalisten vinden in zijn ogen geen genade. Dat geldt uiteraard ook voor de protestanten. Zij hebben immers de eenheid van de kerk gebroken en aanvaarden niet het gezag van de paus. Nu blijkt, als het gaat om eenheid, uit het boek van Peeters zelf dat die eenheid toch vooral uiterlijk is. De grote verdeeldheid van het protestantisme is geen pluspunt, maar als protestanten zeggen dat Rome ons hier een spiegel voorhoudt, kan ik hen niet bijvallen.

Onder de paraplu van de kerkelijke hiërarchie komen we een veelheid van opvattingen tegen. Dat gaat van zeer conservatief tot uiterst vrijzinnig. Zelf ken ik maar heel weinig behoudende rooms-katholieke bijbelwetenschappers. Aan de historische betrouwbaarheid van de Bijbel wordt weinig waarde toegekend en zonder reserve neemt men aan dat de Bijbel mythen, sagen en legenden bevat.

Opvallend is dat Benedictus XVI in zijn boeken over Jezus meer protestantse nieuwtestamentici aanhaalt dan rooms-katholieke. Lang niet elke rooms-katholieke nieuwtestamenticus aanvaardt de opstanding van onze Heere Jezus Christus als een historisch feit, om van de maagdelijke geboorte maar te zwijgen.

Als student woonde ik een studieweek over Jezus bij van rooms-katholieke, protestantse en joodse bijbelwetenschappers. Ik weet nog dat een hervormde hoogleraar aan een rooms-katholieke nieuwtestamenticus vroeg of de opstanding bij de historische Jezus hoorde. Het antwoord van deze nieuwtestamenticus was dat de historische Jezus bij de opstanding hoort. Dat wil zeggen: de opstanding wordt wel als geloofswaarheid aanvaard, maar niet als historisch feit erkend.

Zo kijkt menig rooms-katholiek nieuwtestamenticus in ieder geval tegen de maagdelijke geboorte aan. De nieuwtestamentische gegevens daarover plaatst men in de categorie legende. Dat zo de bijbelse boodschap zelf van inhoud verandert, hoeft geen betoog. Protestanten die vanuit het oogpunt van eenheid overgaan naar Rome doen dan ook aan wensdenken. Zij komen al heel spoedig in aanraking met het gebrek aan innerlijke eenheid.

Wat rooms-katholieke christenen wel met elkaar verbindt, is de overtuiging dat je door de doop (het doopsel) gereinigd wordt van zonden en een kind van God wordt. Daarnaast is er het geloof in de transsubstantiatie in de eucharistie. Hier zal, hoe vrijzinnig hij ook is, een rooms-katholiek theoloog toch een plaats aan geven.

Voor een protestant is de eenheid van de kerk allereerst een innerlijke eenheid, zonder dat dit het belang van uiterlijke eenheid opheft. De kerk is volgens het klassieke protestantisme daar waar het Evangelie klinkt. Dan is er toch een innerlijke eenheid tussen protestanten van allerlei richtingen. Dan denk ik aan de Schrift als de hoogste en uiteindelijke gezagsinstantie, aan de prediking van Christus als enige en volkomen Zaligmaker, aan de wetenschap dat onze vrijspraak enkel gebaseerd is op Zijn werk en aan de diepe overtuiging dat niet de doop maar het getuigenis van het Evangelie toegepast aan het hart ons tot een kind van God maakt.

Zeker dat laatste zegt niet elke protestant mij na. Menige protestant ziet ook elk lid van de kerk als een door God beminde gelovige, maar daarmee distantieert men zich juist van het klassieke protestantisme, dat spreekt over levende en dode leden van de kerk. Het is niet zo dat elke gedoopte, zolang hij maar geen doodzonde deed die hij naliet te biechten, in de staat van genade is. Ook al zijn we gedoopt, we worden pas van een kind des toorns een kind van God als de Heilige Geest het geloof door het Woord in ons hart ontsteekt. Zo leren we ook de kracht van onze doop kennen.

Peeters verwijt de Reformatie dualisme en zelfs gnostiek, omdat zij zich allereerst op het oor richt en het zintuiglijke een veel geringere plaats heeft dan bij Rome. Dat laatste is waar, maar daarmee is de Reformatie niet dualistisch. Telkens weer merkte ik dat Peeters vrijzinnige en neo-orthodoxe vormen van protestantisme met het klassieke protestantisme gelijkstelt. Het klassieke protestantisme belijdt zonder omwegen dat God Zijn glorie in de schepping openbaart. Dat de schepping zelf stom is en alleen maar gaat spreken van de openbaring van God in Christus, is een gedachte die wij wel bij Barth en zijn geestverwanten vinden, maar die het klassieke protestantisme vreemd is. Het klassieke protestantisme is er ook van overtuigd dat Gods geboden een kleed zijn dat bij de werkelijkheid past.

Het oordeelt wel veel negatiever over de mogelijkheden van de natuurlijke mens om tot godskennis te komen. Dat zal nooit ware godskennis zijn. Bij Rome loopt de lijn vloeiend van religie naar christelijke religie en van de christelijke religie naar de Rooms-Katholieke Kerk. Bij Rome verheft de genade de natuur en is de erfzonde eerder een greppel dan een afgrond. In dit alles gaat Rome na Vaticanum II nog veel verder dan daarvoor. De documenten van Vaticanum II geven alle ruimte aan de opvatting dat er buiten Christus en buiten de kerk zaligheid is.

Dat bleek wel heel duidelijk toen paus Johannes Paulus II in Assisi een interreligieuze bijeenkomst organiseerde, waarbij hij de vertegenwoordigers van alle godsdiensten uitnodigde om te bidden voor de wereldvrede, maar iedereen mocht dat op zijn eigen manier doen. Hierin kwam Johannes Paulus II overeen met het vrijzinnige protestantisme en bleek zijn grote afstand tot het klassieke protestantisme.

Zo zetten bijvoorbeeld de boeddhisten een boeddhabeeldje op het tabernakel van het altaar van de Franciscusbasiliek te Assisi om hun mantra-eredienst te houden. De paus vond echter zijn initiatief een uitstekend voorbeeld van een toepassing van de teksten van Vaticanum II over de godsdienstvrijheid. Hij vroeg iedere bisschop in de wereld hem na te volgen. Wie iets meer weet van Rome, weet ook dat menigeen allerlei New Age-achtig gedachtegoed en vage vormen van mystiek die niet of nauwelijks christelijk genoemd kunnen worden combineert met het lidmaatschap van de Rooms-Katholieke Kerk.

Terwijl Rome sinds Vaticanum II meent dat er buiten de kerk zaligheid is en men onbewust Christus en Zijn kerk kan toebehoren, stellen klassieke protestanten nog altijd dat er buiten Christus en Zijn kerk geen zaligheid is. Dan denkt men echter bij de kerk niet aan het kerkverband waartoe men behoort, maar aan de kerk als gemeenschap van de heiligen. Artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis geeft hier een helder geluid.

Wanneer Peeters de Reformatie dualisme verwijt, vergeet hij dat de Reformatie het gehele leven stelt onder het gezag van God en van Zijn Woord. De overheid is weliswaar niet aan de kerk maar wel aan God onderworpen. Het hele leven speelt zich voor het aangezicht van God (coram Deo) af.

Protestanten werden voor Vaticanum II als ketters gezien. Nu zijn het in principe afgescheiden broeders, maar katholiek zijn ze niet, want dat ben je alleen als je de paus als bisschop van Rome als plaatsvervanger van Christus op aarde ziet en het zichtbare hoofd van de kerk in deze wereld.

Het meest essentiële van de eredienst is voor Rome nog altijd de eucharistie, waarin de priester de transsubstantiatie tot stand brengt. Brood en wijn veranderen werkelijk in het lichaam van Christus. Zijn eenmalige offer wordt door de priester onbloedig present gesteld. Niet voor niets heeft een rooms-katholieke kerk geen avondmaalstafel, maar een altaar.

Dit zijn echter allemaal redenen waarom de Reformatie Rome niet als katholiek kon zien. De Reformatie begreep zichzelf als de reformatie of hervorming van de Katholieke Kerk. Wie echt de Reformatie verstaat, zal dan niet zeggen dat hij ook katholiek is maar juist katholiek is. Hij verwoordt zijn geloof met de kerk van alle eeuwen en plaatsen. Dan gaat om het feit dat God de drie-enige God, dat Jezus Christus God is Die mens werd. Hij stierf plaatsvervangend voor de zonden. Hij stond op uit de dood en zit nu aan de rechterhand van Zijn Vader om vandaar Zijn Kerk te regeren uit te bewaren. Zijn plaatsvervanger hier op aarde is niet de bisschop van Rome maar de Heilige Geest Die woont en werkt in Zijn kerk en het Woord in het hart schrijft. Kern van de Reformatie is de zaligheid uit genade alleen. Onze vrijspraak is en wordt niet gebaseerd op iets door ons gedaan, want ook werkelijk goede werken zijn onvolkomen en met zonde bevlekt.

Dat neemt niet weg dat het onmogelijk is om een christen te zijn en geen goede werken te doen. Wie echt een christen is, is niet alleen vrijgesproken maar ook wedergeboren en vertoont daarom het beeld van Christus. Dat laatste doen we nooit te veel, maar altijd te weinig. Daarom kent de Reformatie geen heiligen, zoals Rome die heeft. Zij weet wel dat elke ware christen een heilige is, omdat hij door een levend geloof Christus toebehoort en voor Hem leeft en zo de betekenis van de sacramenten mag verstaan en in de vrucht ervan mag delen. Daarbij ontkent de Reformatie dat de ene heilige meer vrucht draagt dan de andere.

Peeters geeft aan dat Rome leert dat het hoogste doel van de mens is gelukkig te worden. Ten onrechte suggereert hij dat de Reformatie dat anders ziet. Ik wijs slechts op de eerste vraag en het eerste antwoord van de Shorter Catechism (Korte Catechismus). Op de vraag wat het hoofddoel van de mens is, luidt het antwoord: ‘God verheerlijken en zich eeuwig in God verheugen.’ Peeters verwijt de Reformatie zich te veel te beperken tot het verstand. Duidelijk is dat de bewegingen van de Nadere Reformatie en het puritanisme hem onbekend zijn. Die vroegen zeer nadrukkelijk aandacht voor het hart. Een geloof dat alleen het verstand heeft geraakt is geen levend geloof. Ik denk in dit verband ook aan het magistrale werk Religious Affections (Godsdienstige gevoelens) van Jonathan Edwards, die wel Amerika’s grootste theoloog wordt genoemd.

Voor een klassieke protestant is de drie-enige God de bron en inhoud van de diepste en hoogste vreugde, maar die vreugde is onlosmakelijk verbonden met het roemen in het kruis van Christus als enige en volkomen grond van zaligheid.De vreugde in God gaan wij smaken als wij door de werking van de Heilige Geest worden wedergeboren tot een levende hoop. Van die wedergeboorte is de doop wel een teken en zegel, en dan is de doop bepaald geen leeg teken, maar de doop zelf brengt de wedergeboorte niet tot stand. Het is omgekeerd: door de wederbarende werking van Gods Geest ontstaat, als wij nog niet gedoopt zijn, het verlangen gedoopt te worden. Waren we reeds gedoopt, dan mogen we van de kracht van dit zegel weten, en dat ons leven lang.

Samenvattend is Terug naar het midden een boekje dat mij veel stof gaf tot overdenken, en daarom kan ik anderen aanraden dit boekje ter hand te nemen.

Wim Peeters, Terug naar het midden. Herinneringen van een katholieke boomer (Utrecht: De Boog, 2026), paperback 260 pp., €18,95 (ISBN: 978-90-6257-165-9)

Plaats een reactie