Wat kunnen we als kerk leren van het verleden – en dan ook het verleden van vóór de Reformatie?

Het wordt steeds gebruikelijker onder protestantse theologen zich te verontschuldigen voor het feit dat zij protestant zijn en een zekere verlegenheid uit spreken. Vooral denk ik dan aan de verdeeldheid van de kerk. Een verdeeldheid die overigens niet met de Reformatie is begonnen. Ik wijs op schisma tussen de Kerk van Westen en die van het Oosten en in het Oosten heb je dan ook nog een aantal kerken die slechts de eerste twee of eerste drie oecumenische concilies voor hun rekening nemen.

De verdeeldheid van het protestantisme is geen winstpunt, maar kijken we naar Rome dan zien we dat achter de uiterlijke eenheid zich een verdeeldheid openbaart die niet onder doet voor die in het prote-stantisme. Laten we onbeschaamd belijden dat het ons verblijd dat de Reformatie ons terugriep naar de Schrift als laatste en hoogste norm, dat zij een stuk ballast uit de kerk van de Middeleeuwen overboord zette, dat zij benadrukte dat er onmiddellijke toegang tot God is door Jezus Christus en dat een mens door God wordt vrijgesproken niet op grond van wat in hem wordt gevonden, maar op grond van het werk van Christus buiten hem. De gerechtigheid van Christus wordt ons toegerekend.

Dat gezegd hebbend moeten we niet vergeten dat de Reformatie zichzelf bepaald niet als een abso-luut nieuw begin zag. Ze was een Reformatie van de katholieke. Rome is de niet-gereformeerde katholieke kerk en de kerken van de Reformatie zijn de gereformeerde katholieke kerken. Een aantal jaren geleden verscheen in Nederland een boek van een aantal protestantse auteurs met de titel Wij zijn ook katholiek. Met het woord ‘ook’ in de titel zouden de Reformatoren zeer ongelukkig zijn geweest. Zij waren niet ook maar juist katholiek en verweten Rome een schismatieke houding.

Voor een protestant hebben niet inzichten uit de kerkgeschiedenis, maar heeft de Schrift het laatste woord. Dat neemt niet dat weg dat voor christenen van de Reformatie de kerk van vóór de Reformatie hun kerk is. Daarom willen zij ook van theologen van vóór Reformatie leren. Dat geldt zeker van de kerkvaders. De hernieuwde belangstelling voor de Vroege Kerk en ook voor de Middeleeuwen moe-ten we dan op zich ook positief waarderen.

De studie Theological Retrieval for Evangelicals van Gavin Ortlund, predikant van de First Baptist Church van Ojai, staat in de context van deze hernieuwde belangstelling. Hij pleit niet voor een repris-tinatie (kritiekloze herhaling) maar wel voor een grondige kennisname van de theologie van de Vroege Kerk en wijst op het nut van oriëntatie daarop.

In Theological Retrieval for Evangelicals worden een aantal thema’s voor het voetlicht gehaald. Dat is het onderscheid tussen Schepper en schepsel, de boodschap van de plaatsvervanging en het boek Regula pastoralis van Gregorius de Grote. Met Gregorius de Grote bevinden we ons op de grens van de Vroege Kerk naar de Kerk van de Middeleeuwen. Wanneer protestanten zich in de aanwijzingen voor pastoraal van deze paus herkennen, bevinden zij zich in goed gezelschap. Ook Calvijn kon deze paus waarderen en hij zag hem in zekere zin als de laatste bisschop van Rome. Ik vind het eigenlijk een omissie dat Ortlund deze laatste informatie in zijn overigens waardevolle studie niet geeft.

In protestantse kring – ook als men in brede zin orthodox wil zijn – kan menigeen zich niet vinden datgene wat in de geloofsleer de eenvoudigheid van God wordt genoemd. Zo heeft Alvin Plantinga deze leer bekritiseerd, omdat zij de verantwoordelijkheid van de mens betekenisloos zou maken. Ortlund bestrijdt ter zake kundig dat de leer van de eenvoudigheid van God slechts een erfenis van de middeleeuwse scholastiek zou zijn en eveneens weerlegt hij de gedachte dat deze leer geen betekenis heeft voor het leven van het geloof.

Als het gaat om het laatste laat hij mooi en overtuigend zien mede aan de hand van de wijze waarop Anselmus in zijn Proslogion over deze eigenschap van God spreekt. De eenvoudigheid van God laat zien dat God niets buiten Zichzelf nodig heeft. Alles wat God is, is in God Zelf te vinden. Hij laat zien dat bij de drie grote Capadociërs de leer van de eenvoudigheid van God stond in de context van het zuivere bewaren van de leer van de drie-eenheid. God is niet samengesteld maar bestaat uit drie vol-maakte hypostasen, het ene volmaakte wezen van God.

Het feit dat de zogenaamde sociale triniteitsleer niet wil weten van de eenvoudigheid van God, laat zien dat wij uiteindelijk een fundamenteel andere koers gaan dat de Capadocische theologen. De erkenning van de eenvoudigheid van God relativeert ook de accentverschillen tussen de Kerk van het Westen en van het Oosten met betrekking tot de drie-eenheid.

Meer dan eens wordt gesteld dat de Vroege Kerk als het ging om de kruisdood van Christus feitelijk geen weet had van de plaatsvervanging maar enkel over de kruisdood van Christus als overwinning op de satan wilde spreken. Ortlund is niet de eerste die gefundeerde kanttekeningen bij deze these plaatst. Ortlund bouwt voort op het werk van anderen die de diverse aspecten van Christus’ dood aan het kruis hebben belicht en daarbij de centrale betekenis van de plaatsvervanging hebben laten zien.

Het spreken van de eerste kerkvader Irenaeus over de betekenis van het werk van Christus is met de uitdrukking ‘recapitulatie’ getypeerd. Volgens Irenaeus was de mens in een staat van kinderlijke onschuld geschapen en was het Gods bedoeling dat hij geestelijke tot volwassenheid zou komen. Dit proces werd al helemaal aan het begin van de geschiedenis van de mensheid door de zondeval doorbroken. In de Zoon Jezus Christus heeft God de formatie van de mens, opdat Hij de zonde zou doden, de dood van haar kracht beroven en de mens levend maken, gerecapituleerd.

Wie naast zijn boek Tegen de ketterijen zijn boek Over de apostolische prediking leest, constateert dat ook Irenaeus aan de kruisdood van Christus plaatsvervangende betekenis toekent. Zij is niet minder maar wel meer dan een overwinning op de satan. Plaatsvervangend door Christus het oordeel van God weg dat de mens had moeten treffen.

Omgekeerd de leer van genoegdoening bij Anselmus in de context van de menswording van de Heere Jezus Christus. Dat laatste wordt vaak te weinig recht gedaan bij de weergave van de gedachten van Anselmus over de verzoening. Als het gaat om dit thema schenkt Ortlund ten slotte aandacht aan Athanasius. De leer van de verzoening wordt door deze kerkvader aan die van de schepping verbon-den.

Hij vergelijkt de menswording van Christus met een koninklijk bezoek. God eert de menselijke natuur, omdat Hij die zelf aanneemt. De plaatsvervanging komt naar voren als Athanasius naar voren brengt dat Christus in plaats van anderen en ten behoeve van anderen aan het kruis stierf. Hoewel de kerkvader zijn focus richt op de bredere verbanden van de incarnatie, gebruikt hij ook de taal van offer en plaatsvervanging om de betekenis van het werk van Christus op aarde te verwoorden. Christus werd een vloek voor ons en nam de vloek die ons moest treffen op Zich.

Wie wil weten dat de theologie van de Reformatie – hoewel bovenal verworteld in de Schrift – toch ook verworteld is in de Vroege Kerk en de Middeleeuwen doet er goed aan de studie van Ortlund te lezen.

Gavin Ortlund, Theological Retrieval for Evangelicals: Why We Need Our Past to Have a Future (Wheaton: Crossway, 2019), paperback 224 pp. $21,99 (ISBN 9781433565267)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s