George Whitefield (1714-1770).Welsprekendheid in dienst van het Evangelie

De eeuwen door zijn er predikers geweest die welsprekend tot zeer welsprekend waren. Zij stelden hun welsprekendheid in dienst van het Evangelie. Een van hen was George Whitefield.

Wie was George Whitefield?

Wie onder de predikers die er in de loop van de eeuwen zijn geweest, naar een voorbeeld van een machtig redenaar zoekt, komt zeker de naam van George Whitefield tegen. Zijn moe­der beheerde een herberg in Gloucester. Bij het helpen in de herberg ontdekte George reeds op jeugdige leeftijd dat hij acteergaven had. Toch is White­field geen acteur geworden, maar prediker van het Evangelie. Hij werd een van de leiders van de Evangelical Revival.

Toen hij aan de Universiteit van Oxford studeerde, werd hij lid van de zogenaamde Holy Club. De geestelijke kleur van de Holy Club was die van de hoogkerkelijke en sacramentalistische richting binnen de Kerk van Engeland. Opmerkelijk is dat bijna alle leden van de Holy Club vastliepen met de hoogkerkelijke vroom­­heid en belijders en predikers werden van het Evangelie van vrije genade. De eerste bij wie het licht van het Evangelie opging was Whitefield. Een middel hiertoe was het lezen van het boek van de Schotse episco­pale theoloog Henry Scougal: The Life of God in the Soul of Man (Het leven van God in de ziel van de mens). Niet lang daarna werd hij, op 29 juni 1737, door Martin Ben­son, bisschop van Glou­cester, tot diaken bevestigd. Als diaken ontving Whitefield het recht om te preken. Ik wijs er terzijde dat het ambt van diaken in de anglicaanse traditie een andere invulling kent dan in de presbyteriaanse traditie.

*

De indruk die Whitefields prediking maakte

Een week na zijn wijding tot diaken hield Whitefield zijn eerste preek. Deze had als titel: De noodzaak en natuur van ge­meen­schap in het alge­meen en godsdienstige gemeenschap in het bijzonder. Whitefield wees er hierin op dat allereerst we­der­geboorte nodig is en dat de vrucht daarvan een godzalig leven is. De preek maakte op de vele aanwezigen een diepe indruk. Dat had te maken met de inhoud, maar ongetwijfeld toch ook met de vorm van de voordracht. Een aantal hoorders was het kennelijk niet met de predi­king eens. Zij klaag­den bij bisschop Benson dat door de preek vijftien mensen gek waren geworden. Bensons react­ie was dat hij hoopte dat deze kwaal niet reeds vóór de volgende zondag over zou zijn.

Op 17 februari 1739 ging Whitefield in Kingswood ten zuiden van Bristol voor het eerst in de open lucht voor. In dit mijnwerkersdistrict was geen kerkgebouw. Zo’n tweehonderd mijnwer­kers, hun vrouwen en kinderen meegerekend, kwamen onder zijn gehoor. Onder de prediking zag men de tranen van de mijnwerkers stromen over hun met kolengruis bedekte ge­zichten. Dit vormde het begin van de vele openluchtpreken die Whitefield heeft gehou­den.

Whitefield predikte vol passie en kon daarbij ook zijn tranen de vrije loop laten. Zijn prediking was zeer beeldend en werd door tal van gebaren ondersteund. Al bereidde Whitefield zijn preken grondig voor, hij gebruikte geen aantekeningen bij het houden ervan. David Garrick, een van de bekendste en begaafdste Engelse acteurs uit de achttiende eeuw, zei eens dat hij er een vermogen voor over zou hebben als hij ‘Oh!’ kon uitroepen zoals Whitefield dat deed.

Benjamin Franklin, een van de ‘Founding Fathers’ van de Verenigde Staten, ging als het even kon Whitefield beluisteren en dat terwijl hij als deïst geen enkele affiniteit had met diens boodschap. Franklin merkte op: ‘Elke klemtoon, elke nadruk, elke verandering van stem was zo perfect geplaatst dat ook als men niet geïnteresseerd was in het onderwerp, men niet anders dan met vreugde naar de verhandeling kon luisteren, vergelijkbaar met het beluisteren van een excellent uitgevoerd muziek­stuk.’ In zekere zin zouden we kunnen zeggen dat Whitefield als prediker acteerde, maar dan wel met het doel om zijn hoorders te doordringen van de waarheid van het Evangelie.

*

Prediking moet de werkelijkheid van het Evangelie recht doen

In een preek over Henochs wandel met God geeft Whitefield zelf aan waarom hij alle gaven en middelen van welsprekendheid waarover hij beschikte, in dienst van de prediking van het Evangelie gebruikte. Hij vertelt in deze preek hoe Gilbert Sheldon, aartsbisschop van Canter­­bury, in 1675 een ontmoeting had met Thomas Betterton, een in die tijd bekende to­neel­speler. De aartsbisschop vroeg hem: ‘Kunt u mij vertellen, meneer Betterton, hoe het mo­gelijk is dat jullie toneelspelers op de planken jullie toeschouwers diep kunnen ontroeren, terwijl het toch gaat om denkbeeldige zaken, terwijl wij in de kerk spreken over wer­kelijke dingen en onze luisteraars horen ze aan alsof ze denkbeeldig zijn.’

Het antwoord van Betterton was veelzeggend, zo merkt Whitefield op: ‘Wel, lord aarts­bis­schop’, zo zei Betterton, ‘de reden is zeer duidelijk. Wij toneelspelers spreken op de planken over denk­beeldige dingen alsof zij werkelijk zijn, en u op de preekstoel spreekt over werke­lijke dingen alsof zij denkbeeldig zijn.’ Nu, dat laatste kon van Whitefield bepaald niet worden gezegd. Niet alle emotie die onder zijn prediking verwekt werd, was vrucht van de Heilige Geest. Bij het ouder worden ging Whitefield zich dat steeds meer realiseren. Dat deed echter niets af aan zijn overtuiging dat hij zijn gaven van welsprekendheid moest blijven gebrui­ken.

*

Inhoud van de prediking

Van meet af aan heeft Whitefield in zijn prediking zowel de noodzaak van de wedergeboorte als de oproep tot bekering naar voren gebracht. Al vrij spoedig kreeg ook de boodschap van de rechtvaardiging door het geloof een vaste plaats in zijn prediking. De vrijspraak van een christen is niet gebaseerd op iets in hem – en dat geldt ook van het werk van Gods Geest in hem – maar op de gerechtigheid van Christus buiten hem. Deze gerechtigheid wordt in het Evangelie aangeboden en omhelst door geloof.

Whitefield predikte dat de zaligheid alleen uit genade is. Hij wist dat God een mens tot de zaligheid heeft uitverkoren en niet omgekeerd. De zeker­heid dat God de Zijnen nooit verlaat gaf hem grote troost. De prediking van de soevereiniteit van God stond bij hem dan ook in het kader van de troost die dat biedt aan de kinderen van God. Hij wist ook dat juist deze leer een kind van God ootmoedig maakt. In een preek over 1 Korinthe 1:30 merkte hij op: ‘Ik kan niet zien hoe ware ootmoed verkregen kan worden zonder kennis van de leer van de verkiezing.’

In een brief aan John Wesley schreef hij: ‘Hoewel ik vasthoud aan de leer van de bijzondere verkiezing, bied ik Christus vrij aan iedereen aan.’ Hoe hij dat deed komt naar voren uit een passage van zijn preken: ‘O kom, kom, zie toch wat het is om eeuwig leven te hebben. Weiger dat toch niet. Zondaar, haast u. Moge de genade van de goede Herder u trekken. Als u Zijn stem nooit hebt gehoord, God geve dat het nu mag zijn. O kom, kom, kom tot de Heere Jezus Christus. Ik beveel u in Zijn hoede aan.’

Men schat dat Whitefield ongeveer dertigduizendmaal het Woord heeft verkondigd. Hij is in Amerika overleden. De dag vóór zijn sterven heeft hij nog tweemaal gepreekt. De eerste keer was op zaterdagmiddag 29 september 1770 in Exeter, New Hampshire. Whitefield was niet van plan te preken, maar er stonden duizenden mensen te wachten. Een omstander merkte op: ‘U lijkt mij meer geschikt om naar bed te gaan dan te preken.’ Whitefield gaf hem gelijk, maar ver­volgde terwijl iedereen het kon horen: ‘Heere Jezus, ik ben wel versleten in Uw dienst maar niet van Uw dienst. Als ik mijn loop nog niet heb geëindigd, laat mij gaan en nogmaals in de open lucht voor U spreken, Uw waarheid verze­ge­len, en dan naar huis gaan en sterven.’

Vervolgens is Whitefield vanuit Exeter gereisd naar Newburyport, vlak over de grens met Massachusetts. Een grote schare bevond zich daar voor de pastorie van Jonathan Parsons waar Whitefield verbleef, en vroeg hem te preken. Ondanks zijn grote vermoeidheid durfde Whitefield de mogelijkheid om het Evangelie te verkondigen niet af te slaan. Halverwege de trap leidend naar de deur van de pastorie preekte hij Christus, terwijl hij een kaars in zijn hand hield. Vroeg op de zondagmorgen van 30 september 1770 overleed deze grote prediker, die maar één wens had: om al zijn talenten te gebruiken om zondaren tot Christus te leiden.

Plaats een reactie