In de serie Concordia Commentary verscheen alweer bijna drie jaar geleden het deel op Joël. De auteur is Thomas P. Nass die vele jaren hoogleraar Hebreeuws is geweest aan het Martin Luther College in New Ulm, Minnesota. De meeste auteurs van de Concordia Commentary behoren tot de Lutheran Church Missouri Synod. Nass is lid van de Wisconsin Evangelical Lutheran Synod. Niet minder dan de Lutheran Church Missouri Synod is dit een luthers kerkverband dat onverkort aan de confessionele erfenis van het lutheranisme wil vasthouden.
Zoals we gewend zijn in de serie Concordia Commentary is ook dit een zeer grondig en uitgebreid commentaar. Ook in dit commentaar gaat aan de eigenlijke uitleg een zeer uitvoerige inleiding vooraf en zijn er zelfs twintig excursen. Sommige daarvan vind ik echt bijzonder waardevol.
Over de datering van Joël bestaat onder de oudtestamentici geen eenstemmigheid. Gezien de plaatsing tussen Hosea en Amos, die beiden zonder meer pre-exilisch zijn, werd traditioneel Joël ook vóór de ballingschap geplaatst. Inmiddels variëren de voorstellen van 800 tot 300 vóór Christus. Nass maakt geen keuze en stelt terecht dat de datering geen wezenlijke consequenties voor de uitleg heeft. Wel merkt hij op dat de taal en stijl van Joël meer pre-exilisch is. Als Joël vroeg gedateerd wordt, is hij de eerste profeet bij wie wij de uitdrukking ‘de dag des HEEREN’ vinden en de combinatie van ploegscharen en zwaarden.
Gezien het eigen karakter van de laatste twee hoofdstukken (dat in het Hebreeuws begint met Joël 2:28 Joël 3 en met Joël 3:1 begint in het Hebreeuws Joël 4) ten opzichte van de eerste wordt wel betwijfeld of Joël als een eenheid mag worden gelezen. Nass leest terecht het boek Joël als een eenheid. Een andere vraag is of de boeken van de Kleine Profeten, van wie Joël er één is, als een eenheid moeten worden gelezen. De boeken van de twaalf Kleine Profeten werden namelijk op één rol geschreven. Daarom is de vraag: moeten deze boeken eigenlijk niet als één boek worden gelezen? Met Nass meen ik dat de rol van de twaalf Kleine Profetenboeken als een anthologie moet worden gelezen.
Uit praktische overwegingen zijn deze kleine boeken bij elkaar gezet. Het feit dat de Septuaginta deze boeken op een andere wijze ordent, is ook een argument tegen de visie dat er een welbewuste lijn loopt van het ene boek naar het andere. De boeken als geheel hebben ook geen inleiding, maar elk boek wordt afzonderlijk ingeleid.
Als confessionele lutheraan gaat Nass in op Luthers houding ten opzichte van het Oude Testament. Hij wijst erop dat Luther aan de universiteit als hoogleraar in totaal 32 jaar Bijbelboeken heeft uitgelegd. Ongeveer drie tot vier jaar kwam daarbij voor rekening van de boeken van het Nieuwe Testament. De overige tijd was voor het Oude Testament. Dat is op zich al een krachtig argument tegen de zienswijze dat Luther het Oude Testament onderwaardeerde. Luther had het Oude Testament lief vanwege de vele vooruitwijzingen naar Christus en vanwege de geschiedenissen die getuigden van het geloof van Gods kinderen.
In het voetspoor van niet alleen Luther maar ook van de kerk der eeuwen en vooral ook van het Nieuwe Testament wenst Nass het Oude Testament christologisch te lezen. Hij wijst de historisch-kritische methode af. Deze methode neemt niet alleen de historische betrouwbaarheid van het Oude Testament niet serieus maar sluit daarnaast de betekenis van de tekst op in de oorspronkelijke context. Daarmee wordt de deur gesloten voor de christologische lezing van het Oude Testament.
Met verdriet constateert Nass dat ook meerdere eigentijdse evangelicals menen dat wij alleen op het gezag van het Nieuwe Testament het Oude Testament christologisch kunnen lezen. Het Oude Testament zelf zou daar niet om vragen. Nass plaatst hier een kritische kanttekening bij Calvijn. Minder dan anderen ziet hij Christus in het Oude Testament. Met Nass meen ik dat Calvijn hier en daar Christus te weinig aanwezig ziet. Dan nog kunnen we Calvijn niet als een pleitbezorger zien van de zienswijze dat wij Christus alleen in het Oude Testament kunnen vinden op gezag van Jezus Zelf en niet omdat Hij echt werkelijk in het Oude Testament aanwezig is.
In de Verenigde Staten is veel meer dan in Europa de bedelingenleer populair. In deze leer wordt feitelijk, zo stelt Nass terecht, het Oude Testament los van het Nieuwe Testament gelezen, omdat weliswaar Jezus wel de vervulling is van de oudtestamentische profetieën maar dat dit niet zou gelden voor zijn gemeente. Met Nass zeg ik dat daarmee een groot deel van het Nieuwe Testament volstrekt ten onrechte van het Oude Testament wordt losgemaakt.
Een belangrijke vraag bij de uitleg van Joël is of de sprinkhanen waarvan sprake is in de eerste twee hoofdstukken letterlijk of figuurlijk moeten worden genomen. Gaat het om een sprinkhanenplaag of is het beeldspraak voor een vijand? De meeste patristische uitleggers dachten aan het laatste. Luther en Calvijn waren van mening dat de letterlijke sprinkhanenplaag die in Joël 1 wordt beschreven een voorbode is van de aanval van een toekomstige vijand die in Joël 2 wordt voorzegd. Nass gaat mijns inziens terecht in dit spoor.
Ten slotte wil ik in deze bespreking bij een drietal excursen uit dit commentaar de vinger leggen. Allereerst is dat de excurs over wat Joël leert over bekering. Een van de vragen is of wij het Hebreeuwse werkwoord šwb met ‘zich bekeren’ of met ‘terugkeren’ moeten weergeven. Nass kiest voor het laatste. Als het volk tot bekering wordt opgeroepen, moeten zij terugkeren naar datgene waartoe zij vroeger al waren geroepen en wat zij vroeger ook werkelijk waren. Bekering die de HEERE behaagt, heeft een uiterlijke en innerlijke zijde, maar de innerlijke zijde gaat wel voorop. De motivatie en bron van de bekering is Gods genade en barmhartigheid. Iedereen heeft bekering nodig van de zuigeling tot de oudsten.
In de lutherse confessie vallen de accenten iets anders dan in de gereformeerde. Echter, als lutheranen stellen dat bekering bestaat uit berouw over de zonde en geloof in de vergevende genade van God zou het niet best zijn als we dat als gereformeerde christenen niet van harte bijvallen en dat geldt ook voor de notie dat goede werken een noodzakelijke vrucht zijn van bekering, berouw en geloof.
Er is ook een excurs gewijd aan het Hebreeuwse woord chèsèd; een woord dat in de Statenvertaling zowel met goedertierenheid als met weldadigheid wordt vertaald. Sinds het begin van de twintigste eeuw wordt de vertaling (verbonds)loyaliteit bepleit. Als over de chèsèd van de HEERE wordt gesproken, zou het gaan om datgene waartoe de HEERE Zich heeft verplicht toen Hij een verbond met Israël aanging.
Terecht stelt Nass vragen bij de zienswijze dat chèsèd uitsluitend als een verbondsverplichting moet worden gezien. In aansluiting bij onder anderen Katharine Sakenfield stelt hij dat het aan de superieure partij is een daad van chèsèd te bewijzen of niet. Het gaat bij chèsèd om Gods onverdiende gunst, zij het dat die gunst meer dan eens staat in het kader van Gods verbond.
De excurs over het verschil tussen de werkzaamheid van de Heilige Geest voordat en nadat Hij werd uitgestort is uiteraard gerelateerd aan Joël 2:28-32. Nass benadrukt dat ook onder de oude bedeling de Heilige Geest geloof werkte en mensen bij het gewerkte geloof bewaarde. Onder de nieuwe bedeling wordt de Heilige Geest niet alleen aan Israël maar ook aan de heidenvolkeren gegeven. Daarnaast krijgt de Heilige Geest een grotere plaats in het leven van alle gelovigen als het gaat om zicht, begrip en het aandoen met kracht.
Dat laatste heeft alles te maken met het feit dat onder de nieuwe bedeling het werk van de Heilige Geest onlosmakelijk is verbonden met Christus’ kruisdood, opstanding en hemelvaart. Nog net iets nadrukkelijker dan Nass zou ik de relatie tussen de uitstorting van de Heilige Geest en de hemelvaart van Christus willen onderstrepen. De Heilige Geest verbindt ons aan de ten hemel gevaren Middelaar. Ik val Nass volledig bij als hij stelt dat de Heilige Geest geen aandacht voor Zichzelf vraagt, maar voor Jezus, onze Zaligmaker. Ik kan dit prachtige commentaar elke predikant en student in de theologie aanbevelen. En als er anderen zijn die er ook hun winst mee willen doen, dan hebben zij mij aan hun zijde.
Thomas P. Nass, Joel, Concordia Commentary (Saint Louis: Concordia Publishing House, 2023), hardcover 656 pp., $69,99 (ISBN 9780758671790)