Zaligheid en rampzaligheid. Zijn er werkelijk twee eeuwige eindbestemmingen? (slot)

Hoe wordt er nu over de twee eindbestemmingen van de mens in de kerken gesproken?

Nog altijd zijn er gemeenten waarin de boodschap van de ene Naam en de twee wegen klinkt en waar duidelijk wordt gemaakt dat kerkelijke betrokkenheid nog geen garantie is van het bewandelen van de smalle weg, maar zowel in de gereformeerde gezindte als in evangelische kringen is dat lang niet overal het geval meer. Ik zat eind jaren zestig begin jaren zeventig op de middelbare school. We zijn inmiddels heel wat jaren verder. De Gereformeerde Kerken bestaan niet meer. Zij gingen in 2004 op in de PKN en ook daarvoor werden zij de laatste decennia niet meer tot de gereformeerde gezindte gerekend. Hooguit een enkele gemeente paste daar nog in.

Afgezien van wat in de PKN het uiterste rechterdeel is, komt de boodschap van de twee wegen en daarmee de twee eindbestemmingen in de prediking niet ter sprake. Breed leeft het gevoel dat er helemaal geen rampzaligheid is. Alle aandacht valt ook op het hier en het nu. Als er al over de rampzaligheid wordt gesproken, is het niet iets waarover we zelf echt in hoeven te zitten of waarvoor wij anderen moeten waarschuwen.

De Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt die zich lang van de Schriftkritiek hebben gedistantieerd, verenigden zich in 2023 met de Nederlands Gereformeerde tot de Nederlandse Gereformeerde Kerken. Daarmee werd een scheuring die in 1967 ontstond ongedaan gemaakt. Geestelijk is voor een heel groot deel het klimaat van deze kerken gelijk geworden aan dat van de brede middenstroom van de PKN. Nog sneller dan de Gereformeerde Kerken (synodaal) in de tweede helft van de vorige eeuw van kleur verschoten, gebeurde dat bij de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt in de eerste decennia van de eenentwintigste eeuw. Reinier Sonneveld die een boek schreef waarin hij de alverzoening verdedigd is uit dit kerkverband afkomstig. Van breed verzet tegen deze publicatie is geen sprake. Eerder was er sprake van grote bijval.

Prof. dr. Arnold Huijgen, die lid is van de Christelijke Gereformeerde Kerken maar inmiddels niet meer aan de TUA maar aan de PTHU lesgeeft, schreef al drie jaar geleden een essay met de titel Waarom de wereld een hel nodig heeft. Hij gaf toen al aan dat het een voorpublicatie was van een veel uitvoeriger en breder gedocumenteerde studie. Deze verscheen nu met de titel Inferno. De ontdekkking van de hel. Ik hoop aan deze studie binnen afzienbare een afzonderlijk artikel te wijden. Ik kan alleen maar zeggen dat dit boek de conclusie die ik trok uit het essay Waarom de wereld een hel nodig heeft alleen maar onderstreept. Ik verwijs hier voor naar: https://drpdevries.com/2026/01/16/wat-moet-onze-grootste-zorg-zijn-voor-nederlands-kerk/

Verder alvast dit: aan de belezenheid van Huijgen hoeft niet te worden getwijfeld. Huijgen schrijft ook heel toegankelijk en biedt veel informatie, al laat hij ook zaken ongenoemd die van belang zijn. Huijgen drukt zich in een iets ander taalkleed uit dan Berkouwer; een taalkleed dat in mijn middelbare schooltijd als het taalkleed van de rechterkant van de gereformeerde gezindte werd getypeerd. Het is een taalkleed dat voor mensen uit Gereformeerde Bond, Christelijke Gereformeerde Kerken, Hersteld Hervormde Kerk en Gereformeerde Gemeenten bekend en vertrouwd overkomt. Maar een taalkleed moeten we nooit met inhoud verwisselen. Het heeft te maken met iemands achtergrond, maar de wijze waarop je overtuigingen verwoord zegt nog niets over die overtuigingen zelf.

Duidelijk is dat de kritiek die Boer en Arntzen op Berkouwer hadden eerder sterker dan minder sterk ook Huijgen gelden. Zo is Huijgen nog terughoudender in het antwoord op de vraag of Judas eeuwig buiten moeten blijven staan, dan Berkouwer. Nog nadrukkelijker dan Berkouwer weet hij zich geestelijk een leerling van Barth. Hij wil over de hel alleen vanuit Christus spreken. Wie zijn boek leest, kan maar één conclusie trekken. Er is weliswaar een rampzaligheid, maar het is maar de vraag of die eeuwig is en dat mensen er concreet terecht komen moeten we niet uitsluiten maar is uiterst onwaarschijnlijk. Eigen is ook voor hem dat hij vooral over de hel in het hier en nu wil spreken en zo een brug wil slaan naar de seculiere mens.

De Schrift zelf tekent ons concreet niet alleen de kenmerken van hen die de smalle weg bewandelen, maar ook van hen die de brede weg bewandelen en die daarom als zij zich niet bekeren buiten moeten blijven staan. Dat laatste ontbreekt bij Huijgen volledig. Veelzeggend is dat Schriftgedeelten als 1 Kor 6:9-11; Efeze 5:5-6 en Openbaring 22:15 niet eens genoemd worden in Inferno. Het eigene van Huijgen in vergelijking met Berkouwer is dat hij vooral over de hel in het hier en nu wil spreken en zo een brug wil slaan naar de seculiere mens.

Zowel in het ND als in het RD is het boek Inferno van Huijgen inmiddels gerecenseerd. Dr. Gijsbert van den Brink deed dat in het ND en dr. Jan Hoek in het RD. De recensie van Van den Brink is voluit positief. Dat is niet verwonderlijk voor wie de mede door hem geschreven Christelijke Dogmatiek kent. Hij en zijn coauteur dr. Kees van der Kooi laten als het gaat om de eeuwige rampzaligheid een zelfde geluid horen als Berkouwer deed. Van den Brink stelt dat met zijn grondige en afgewogen bezinning Huijgen zijns inziens een begaanbare weg wijst zowel in de brede gereformeerde gezindte als daarbuiten.

Een dergelijke positieve recensie past ook helemaal bij het ND. Dezelfde ontwikkeling die te zien valt bij de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt waaraan het ND vele jaren nauw gelieerd was, zien we bij deze krant. Opmerkelijk is dat ook in het RD een lovende recensie stond. De enige kritische vraag die daar werd gesteld was of de Bijbelse beelden waarin de rampzaligheid wordt getekend voldoende recht worden gedaan. Deze recensie werd besloten met de woorden: ‘Al met al is dit nieuwe boek van Huijgen een werk van formaat dat bijdraagt tot een stevige bezinning op een aangrijpend onderwerp.’ Dat de visie van Huijgen ver afstaat van wat wij lezen in antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus, wordt niet genoemd.

Het is een aanwijzing dat ook bij het RD en haar achterban zaken aan het verschuiven zijn. Trouwens ook dat middelbare reformatorische scholen theologen als Arnold Huijgen en Maarten Wisse een podium bieden, is daarvan een signaal. Een dergelijk podium is in het verleden nooit aan G.C. Berkouwer of H. Berkhof geboden.

Wat is het zaak dat ambtsdragers, leerkrachten en journalisten of wat ook onze positie in de samenleving is leven bij de concrete boodschap van de twee wegen en die ook durven te belijden. Heel concreet denk ik aan antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus. Daar lezen we dat niet alleen aan hen die waarachtig geloven moet verkondigd worden dat hun zonden hun zijn vergeven, maar ook de ongelovigen en degenen die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren en dat God naar dit getuigenis van het Evangelie zowel in dit als in het toekomende leven zal oordelen.

Ik mis deze taal bij Huijgen, maar ook in de recensies zowel in het ND als het RD. Dat is wel de taal van ds. G. Boer en dr. M.J. Arntzen. Zo spraken ook C.H. Spurgeon en J.C. Ryle als ik twee namen van grote predikers uit de negentiende eeuw mag noemen. Noch Ryle noch Spurgeon hadden er enige moeite mee om hun hoorders onmiddellijk op Christus te wijzen. De wetenschap dat bekering en geloof door Gods Geest in het hart worden gewerkt, weerhield hen er niet van hun hoorders aan te sporen hun bekering niet uit te stellen en om in het geloof de verkondigde Christus te omhelzen.

Zij lieten er echter ook geen misverstand over bestaan dat wie in dit leven niet door het geloof met Christus wordt verbonden als de Zaligmaker die de eeuwige toorn van God wegdroeg, zelf eeuwig onder die toorn zal moeten wegzinken. Het feit dat wij geen rechter zijn betekent niet dat wij mogen verzwijgen dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt die niet geloven en zich niet bekeren. Naar dit getuigenis oordeelt God niet alleen in dit maar ook in het toekomende leven.

Ik denk in dit verband aan het hoofdstuk ‘Eternity’ (Eeuwigheid) in Ryles boek Practical Religion (Christen-zijn in het dagelijks leven). Daar schrijft hij onder andere: ‘Ik kan het niet eeuwig zijn van de straf niet met de taal van de Schrift verenigen.’ Ik noem ook zijn traktaat ‘Wheat or Chaff?’’ (Koren of kaf?). Daarin schrijft hij: ‘Gelooft u de Bijbel? Ga er dan vanuit dat de hel werkelijk en waarachtig is. De hel is even waar als de hemel, als rechtvaardiging door het geloof, als het feit dat Christus stierf aan het kruis en even waar als de Dode Zee. Er is geen feit of leerstuk waar u niet aan hoeft te twijfelen als u de hel betwijfelt. Het niet geloven, niet ernstig nemen van de hel draait alles in de Schrift los, maakt het twijfelachtig en pelt het los.’

Ryle heeft ook meer dan eens gewaarschuwd tegen een prediking waarin weliswaar het bestaan van de hel wordt erkend maar zij die onder het gehoor van deze prediker zitten de indruk krijgen dat zij zich in ieder geval nergens druk over hoeven te maken, omdat zij gedoopt zijn, ten avondmaal gaan enz. Ik geef nog een citaat uit de bundel Holiness (Heiligmaking): ‘God weet dat ik nooit over de hel spreek zonder pijn en verdriet. Met vreugde bied ik de zaligheid aan de voornaamste van de zondaren aan (…) Echter, als u een gezonde Schriftuurlijke christen wilt zijn, geef dan de hel een plaats in uw theologie. (…) Als u een gezonde en Schriftuurlijke christen wilt zijn, raad ik u aan u ver te houden van elke bediening die niet duidelijk de realiteit en de eeuwigheid van de hel leert.’ Ryle wijst erop dat een prediker die niet wenst dat zijn hoorders de eeuwigheid in de rampzaligheid moeten doorbrengen er juist op moet wijzen dat dit de plaats is die wij van huis allen hebben verdiend. Alleen als wij wedergeboren zijn, zullen we daar niet komen.

Al eerder plaatste ik op deze weblog een bijdrage over Spurgeon en de zogenaamde ‘Down Grade Controversy’. Spurgeon kon schrijven: ‘Maar in de hel is er geen hoop. Zij die er zijn, hebben niet eens de hoop om te sterven, de hoop om vernietigd te worden. Ze zijn voor altijd, voor altijd, voor altijd verloren! Op elke ketting in de hel staat “voor altijd” geschreven. In de vuren branden de woorden: “voor altijd”. (…) Het is “voor altijd” dat ze in de buitenste duisternis worden geworpen.’ Spurgeons toon was ernstig, maar hij benadrukte ook telkens dat hij niet graag over de hel sprak. Evenals Ryle sprak en schreef hij erover opdat zijn hoorders en de lezers van zijn geschriften er niet zouden komen.

Gelukkig zijn er in Nederland nog getrouwe predikers. Verdrietig is als wel over de realiteit van verloren gaan wordt gesproken in de prediking maar Christus niet helder als Zaligmaker wordt verkondigd bij Wie een zondaar welkom is. Dat gebeurt helaas ook. Maar ik zie evenzeer dat in grote delen van wat nu nog over is van de gereformeerde gezindte geen andere prediking klinkt dan de prediking die in mijn middelbare schooltijd klonk in Gereformeerde Kerken. Als de hel al wordt erkend is het startpunt niet de mens die wedergeboren moet worden om het koninkrijk van God in te gaan maar de mens die aan dit alles al deel heeft. Hij hoort immers bij de gemeente van Christus en Christus heeft ons aan elkaar gegeven.

Het is niet vanzelfsprekend als in een gemeente de bijbelse boodschap van zonde en genade klinkt. In twee of zelfs in één generatie kan een gemeente totaal van kleur verschieten. We hoeven niet ver te gaan om daarvan heel concrete voorbeelden te vinden. Heel gevaarlijk is te denken dat dit ons of gemeenten in het kerkverband waartoe wij behoren niet kan overkomen. Dat getuigt niet alleen van onkunde met betrekking tot de kerkgeschiedenis maar ook van geestelijke onkunde. Niet minder dan persoonlijk geldt ook kerkelijk: hoogmoed komt vóór de val.

God is niets aan ons verplicht. Ook dat geldt niet alleen persoonlijk maar ook kerkelijk. Hij is ook de Soevereine. Hij kan het Woord wegnemen waar het lang heeft geklonken maar kan ook een getrouwe prediking terugbrengen waar die nooit klonk of al lange tijd niet klonk. Dan mogen we ook grote dingen van God verwachten. Hij kan de woestijn laten bloeien als een roos. We mogen wel vurig om een opwekking in Nederlands Kerk bidden.

Wordt die bede verhoord dan zal breed een getrouwe prediking gebracht worden die niet in de laatste plaats gekenmerkt wordt door de volgende combinatie. De combinatie van een sterke overtuiging van de realiteit en eeuwigheid van de hel, samen met een hartstochtelijke oproep tot bekering en tot geloof in Jezus Christus. Als het gaat om de vraag wie er verloren horen te gaan beginnen we als het goed is bij onszelf. Dat wij eenmaal het nieuwe Jeruzalem in mogen gaan is onverdiend en blijft onverdiend. Want ook als wij wedergeboren zijn tot een levende hoop maken we elke dag nog weer schuld. Daarom blijven wij een schuldenaar aan vrije genade om de woorden uit een gezang van Toplady te gebruiken.

Als wij zelf mogen weten van de boodschap van Christus Die redt van de toekomende toorn, niet als de beste weg tot behoud maar als de enige weg tot behoud, laten we dan die boodschap met anderen delen. Alleen God kan harten openen, maar het geloof is wel uit het gehoor en wij staan allemaal in het ambt van alle gelovigen. Laat het ons gebed zijn of de Heere ons vrijmoedigheid en wijsheid schenkt.

Plaats een reactie