Die niet uit het bloed, of uit de wil van het vlees, of uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn. (Johannes 1:13)
De Joden echter zijn, wat het bloed betreft, de edelste mensen op aarde. En als men een edele geboorte zou willen aanwijzen, dan zou men de Joden moeten noemen om hun roeping en verkiezing. Want zij zijn door God afgezonderd en verhoogd op aarde, en aan hen is de belofte van Christus gedaan. Want God heeft tot Abraham, Isaak en Jakob gesproken (Genesis 12, 22, 26, 28): ‘Door uw Zaad zullen alle volken op aarde gezegend worden’, en dat niet alleen geestelijk door Christus, maar ook lichamelijk.
Uit hun bloed zijn de uitnemenste en hoogste mensen op aarde geboren, namelijk de heilige, hoogverlichte patriarchen, profeten en koningen, van wie wij de Schriften van het Oude Testament hebben; die zowel voortreffelijke leraren als strijders zijn geweest, door wie God grote daden en wonderen heeft verricht. Omwille van hen zijn machtige koningen, zoals die van Babel – bijvoorbeeld Belsazar en Sanherib – en eerder die van Ninevé en daarna nog vele anderen, gestraft, zoals de Schrift getuigt. En om nog maar te zwijgen van Christus, de Heere, hun eigen vlees en bloed, Die naar het vlees uit hun zaad geboren is.
Daarom zegt Hij in het Evangelie naar Johannes (4:22): ‘De zaligheid is uit de Joden.’ Zo heeft God dit geslacht uitgekozen en op een bijzondere manier uitverkoren voor de lichamelijke geboorte van Zijn eniggeboren Zoon, overeenkomstig de belofte die aan hun vaderen en ten slotte aan David is gedaan: ‘Ik zal de Vrucht van uw lichaam op uw troon zetten’ (Psalm 132). Daarom, als men spreekt over edel bloed of edele geboorte, dan behoort dat terecht aan de Joden toe. Dat hebben zij ook goed geweten en daarop vertrouwd, ja zelfs met grote trots geroemd: wij zijn Abrahams kinderen, Abrahams zaad en daarom Gods volk.
Het is vanwege deze trots dat Johannes de Doper hen zo scherp bestraft, omdat zij hun vertrouwen dáárop stelden dat zij Abrahams kinderen waren. Daarom zegt hij: ‘Denk niet dat u bij uzelf kunt zeggen: wij hebben Abraham tot vader; want ik zeg u: God kan uit deze stenen voor Abraham kinderen verwekken’ (Mattheüs 3:9; Lukas 3:8). Het is als wilde hij zeggen: u beroemt zich erop dat Abraham uw vader is. Dat is waar: u bent de kinderen van Abraham en de kinderen en nakomelingen van de andere aartsvaders, uit wie – zoals God hun beloofd heeft – grote profeten, koningen en vorsten geboren zijn. Maar vertrouw daar niet op, want het uitverkoren Zaad, dat aan u beloofd is, is nu aanwezig, en Hij wil een nieuwe bedeling [= de bedeling van het Nieuwe Testament] oprichten, die de oude opheft.
Neem Hem aan. Doet u dat niet, dan zal het u niet helpen dat u Abrahams kinderen bent. Ja, u zult verworpen worden, en uw priesterschap en koninkrijk zullen ophouden – ‘want de bijl is al aan de wortel van de boom gelegd: elke boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen’ (Mattheüs 3:10).Zo verwerpen beiden, zowel Johannes de Doper als Johannes de evangelist, de gehele menselijke bloedlijn waaruit mensen geboren worden, als onnut tot de zaligheid – ook geldt dit voor het bijzonder geroemde bloed van de Joden uit Abraham.
Hoewel zij werkelijk de edelsten op aarde zijn geweest, boven alle keizers, koningen en vorsten verheven, en de grootste voorrechten en zegeningen hebben genoten, daarbij een voortreffelijke heiligheid hebben gehad, helpt dit alles toch niets voor de geestelijke geboorte – want het is alleen Gods werk dat ons tot in eeuwigheid behoudt.
(Auslegung des ersten und zweiten Kapitels Johannis, 1537-1538 (WA 46, 615ff])