Waar het Woord is, is de Kerk. De betekenis van de belijdenis voor de Kerk

De belijdenis van de Drie-enige God

Christus vergadert Zijn kerk in eenheid van het ware geloof. De Heere Jezus Christus Zelf is het fundament van de kerk. Het middel waardoor Christus Zijn kerk vergadert, bewaart en uitbreidt, is de prediking van het Woord. Het Woord wordt door de Heilige Geest in het bin­nenste van de mens geschreven. Waar dat gebeurt, worden we een levend lid van het li­chaam van Christus. Direct na de zondeval ontstond de kerk in haar oudtestamentische gestalte toen de Heere Adam riep. De oorsprong van de kerk in haar nieuwtestamentische gestalte ligt in de uitstorting van de Heilige Geest op het pinksterfeest van het jaar dat Jezus als de Zoon van God stierf, opstond uit de doden en zitting nam aan de rechterhand van de Vader. Met Zijn kerkvergaderend werk gaat de Heere door tot de jongste dag.

Wat is de inhoud van het Woord van God? Reeds in het Nieuwe Testament wordt tegen dwaal­­­leer gewaarschuwd. In de eerste eeuwen van haar bestaan is er binnen de kerk strijd gevoerd over het rechte verstaan van het Woord van God met betrekking tot de persoon van de Heere Jezus Christus en in verband daarmee met betrekking tot het wezen van God Zelf.

In een viertal oecumenische concilies heeft de kerk geleerd dat de ware God de Drie-enige God is en dat Jezus Christus God en mens is in één Persoon. De Geloofsbelijdenis van Nicea die wereldwijd door de kerk in haar orthodoxe vorm wordt aanvaard, geeft de grenzen van het kerk-zijn. Buiten de belijdenis van de Drie-enige God is er geen zaligheid. Hierover is de kerk van Christus gelijkgezind en dienen haar leden gelijkgezind te zijn. De uiterste grens van Gods kerk en van Gods verbond valt samen met de belijdenis van en de doop in de naam van de Drie-enige God.

*

De Reformatie

In de zestiende eeuw kwam het tot een reformatie van de kerk van Europa. Deze reformatie leidde tot een breuk in de kerk. Aanvankelijk was niet te voorzien dat deze breuk zou ont­staan, laat staan dat zij definitief zou zijn. Aan de Reformatie van de zestiende eeuw zijn onder andere de namen van Luther en Calvijn verbonden. Luther botste met de kerkelijke hiërarchie als het ging om de beantwoording van de vraag hoe een mens rechtvaardig voor God kan verschijnen. Meer en meer ging Luther verstaan dat rechtvaardiging vrijspraak is in Gods gericht en dat de grond van die vrijspraak nooit in ons kan liggen. Naar de maatstaf van Gods wet is een christen een goddeloze, omdat zelfs zijn beste werken onvolkomen en met zonde bevlekt zijn.

De enige grond van vrijspraak is de gerechtigheid van Christus buiten ons die ons persoonlijk deel wordt door het geloof in Hem. Een christen is tegelijkertijd een rechtvaardige en een zondaar. Een christen is rechtvaardig voor God door het geloof in Christus. Dat geloof is altijd een geloof dat goede werken voortbrengt. Het is onbestaanbaar rechtvaardig te zijn door het geloof in Christus en geen goede werken voort te brengen. Luther beriep zich voor dit verstaan van de rechtvaardiging tegen besluiten van concilies en kerkelijke vergaderingen, op de Schrift alleen.

Calvijn heeft meer dan Luther het gezag van de Schrift over alle terreinen van het leven uit­gebreid. Het ging hem niet alleen om een vernieuwing van de prediking maar ook van de orde­ning en de inrichting van het kerkelijke leven. De reformatoren begeerden heel nadruk­ke­lijk katholieke christenen te zijn. Het getuigenis van de Vroege Kerk inzake de Drie-een­heid hebben zij zonder reserve aanvaard. De doop bediend in de naam van de Drie-enige God was voor hen een voluit christelijke doop, ook al was die doop geschied onder de rooms-katholieke hiërarchie.

De Reformatie heeft gesteld dat de kerk niet samenvalt met de kerkelijke hiërarchie, maar dat de kerk daar te vinden is waar het Woord naar de mening van Gods Geest wordt verkondigd en de sacramenten recht worden bediend. Hierin brengt de Reformatie ten opzichte van Au­gustinus een nieuw element in de leer van de kerk binnen. Augustinus kon zich geen breuk in de bisschoppelijke hiërarchie voorstellen. Hij kon niet zien dat er buiten deze hiërarchie ware gelovigen kunnen zijn. De reformatoren maakten een onderscheid tussen de ware en de valse kerk zoals we dat bij Augustinus niet vinden.

De Reformatie heeft een breuk in de zichtbare kerk aanvaard ter wille van de vrijheid van het Woord. Dat betekent niet dat de reformatoren van mening waren dat onder de pauselijke hiërarchie, die in de loop der jaren steeds meer het gezicht van de katholieke kerk was gaan bepalen, zich geen ware christenen meer bevonden. In artikel 28 van de Nederlandse Geloofs­belijdenis worden de gelovigen die zich nog onder de pauselijke hiërarchie bevinden, opgeroepen zich van de valse kerk af te scheiden. Daaruit vallen twee zaken af te leiden. In de eerste plaats dat de Reformatie Rome als een valse kerk ziet en in de tweede plaats dat zij zich bewust is dat er onder Rome nog ware christenen zijn.

*

De reformatorische belijdenisgeschriften

In de tijd van de Reformatie, en ook nog in de zeventiende eeuw, ontstonden een aantal belijdenisgeschriften. De reformatorische belijdenisgeschriften geven antwoorden op een aantal fundamentele vragen. Ik denk aan de verhouding tussen het gezag van de Schrift en het gezag van de kerk, aan de betekenis van de persoon en het werk van Jezus Christus, aan de betekenis van de rechtvaardiging door het geloof en aan het onderscheid tussen en de samenhang van rechtvaardiging en heiliging, aan de oorsprong van het geloof en de betekenis van de sacramenten.

Verdrietig is dat ten aanzien van het verstaan van de betekenis van de sacramenten de Refor­ma­tie geen eenheid bleef. Hier laten de gereformeerde en de lutherse belijdenis­ge­schrif­ten een verschillend geluid horen. De waarheid van Gods soevereine genade wordt in de lutherse belij­denisgeschriften niet ontkend, maar is daar niet zo expliciet beleden als in de gerefor­meerde belijdenisgeschriften het geval is. De doopsgezinden gingen in de zestiende eeuw een geheel eigen weg. Kenmerkend voor de doopsgezinden was een radicale heiligings­leer. Het refor­ma­to­rische verstaan van de rechtvaardiging werd bij hen niet gevonden. Dat laatste gold niet voor de baptisten die in Engeland in de zeventiende eeuw als afzonderlijke stroming ont­ston­den. De baptisten volgden in hun kerkleer de doopsgezinden, maar in hun recht­vaar­di­gings­leer de gereformeerde Reformatie.

De kerken van de Reformatie hebben belijdenisgeschriften opgesteld om de grenzen van het kerk-zijn naar haar zichtbare gestalte af te bakenen. De belijdenisgeschriften zijn formulieren van enigheid. Zij bedoelen aan te geven waarover men binnen de kerk gelijkgezind dient te zijn. Daarin trekken de belijdenisgeschriften grenzen én scheppen zij ruimte. Binnen de grenzen die de belijdenis aangeeft, mag er namelijk verschil in accent en benadering zijn. Anders wordt de kerk een sekte. Wij mogen Schrift en belijdenis niet tegen elkaar uitspelen. De belijdenis bedoelt niet boven de Schrift te staan, maar wil niet meer zijn dan een samen­vatting van de boodschap van de Schrift. Zo is zij de geloofsregel van de kerk. In de belijdenis geeft de kerk rekenschap van de inhoud van haar geloof.

De gereformeerde belijdenisgeschriften zijn feitelijk niet veel meer dan een nadere uitwerking en ontvouwing van het vroegchristelijke credo. Daarbij gaat men met betrekking tot de leer van de genade in het voetspoor van Augustinus. De genadeleer van Augustinus doet niets anders dan de belijdenis van de Heilige Geest verduidelijken zoals daarover in de Geloofsbelijdenis van Nicea wordt gesproken. De Heilige Geest is Heere en maakt levend. Geestelijk leven, geloof en bekering zijn het werk van de Heilige Geest in ons.

In de boodschap van de rechtvaardiging overtreft de Reformatie Augustinus. De reformatie weet dat rechtvaardiging vrijspraak betekent, terwijl de kerkvader rechtvaardiging opvat als vernieuwing. Daarmee heft te maken dat Augustinus wel weet dat alle uitverkorenen zalig worden maar ontkent dat men in dit leven de volkomen zekerheid kan hebben tot het einde toe te volharden. Wel moet worden geconstateerd dat alles Augustinus spreekt over de vergeving van zonden die totaal onverdiend is, hij tonen aanslaat die het fundament bieden voor de boodschap van de rechtvaardiging zoals de reformatoren die hebben beleden.

Met haar belijdenis dat aan het kruis van Christus de toorn van God over de zonde plaatsvervangend is weggedragen en zo aan het recht van God is voldaan, sluit de Refor­matie aan bij de inzichten die de middeleeuwse aartsbisschop van Canterbury, Anselmus (1033-1109), in zijn boek Waarom God mens werd (Cur Deus Homo) heeft verwoord.

Er zijn een aantal verschillen tussen Anselmus en de reformatoren. Wij mogen zeggen dat de reformatoren de verzoeningsleer van Anselmus hebben verdiept. Voor Anselmus was er de keuze tussen het straffen van de zonde óf het genoegdoen aan Gods eer. De reformatoren hebben gesteld dat Christus aan het recht van God heeft genoeggedaan door plaats­ver­vangend de straf over de zonden te dragen. Hij heeft de vloek van de wet op Zich genomen en Hij heeft als Vertegenwoordiger van al de Zijnen in Gods gericht gestaan, opdat zij zouden wo­rden vrijgesproken. God straft de zonden wel, maar Hij heeft dat aan Christus gedaan. Zo is er aan Gods heilig recht genoegdoening geschied. Uitdrukkelijk hebben de reformatoren zich op de Schrift beroepen. Zij hebben ook in onderscheid van Anselmus niet los van de concrete persoon van Christus over de verzoening gesproken. Dat zien we als wij de zondagen 5 en 6 van de Heidelbergse Catechismus vergelijken met Waarom God mens werd.

Zeker is dat de christelijke kerk niet zonder een belijdenis kan. Wie het vroegchristelijke credo als uitgangspunt neemt, kan er niet omheen dat nog een aantal vragen open blijven die wezenlijk zijn voor de boodschap van de christelijke kerk. Men kan het vroegchristelijke credo in gemeenschap met Rome belijden of met de Reformatie. Het is echter niet mogelijk om vóór de Reformatie terug te gaan. Protestanten moeten dan ook niet uitzien naar een terugkeer naar Rome, maar er juist naar uitzien dat het deel van de christelijke kerk dat in de zestiende eeuw nog niet werd gereformeerd alsnog gereformeerd wordt.

Tegenwoordig wordt meer dan eens de mening naar voren gebracht dat wanneer een kerk de belijdenis als grondslag heeft, zij wordt tot een club van gelijkgezinden. De tegenvraag is dan waar men, als men de grenzen van de belijdenis te nauw acht voor de omschrijving van het kerk-zijn en ook het christen-zijn, die grenzen dan wel wil trekken. De kerk moet ook in haar zichtbare gestalte toch inderdaad een vergadering zijn van hen die gelijkgezind zijn in het belij­den van de Drie-enige God als de God van volkomen zaligheid.

De belijdenis is in ondergeschiktheid aan de Schrift niet alleen grondslag voor de kerk, maar behoort ook het onderwijs te stempelen. Toen Groen van Prinsterer in de negentiende eeuw over de gereformeerde gezindte sprak, bedoelde hij daarmee de geestelijke gezindheid om te leven bij het evangelie van verzoening door het bloed van Christus als kern van de gerefor­meerde belijdenisgeschriften. Hij begeerde dat deze gezindheid niet alleen de kerk maar ook de school zou stempelen. Wie het onjuist acht dat de belijdenis grondslag van de kerk vormt, moet al helemaal bezwaren hebben tegen de belijdenis als grondslag van de school, om maar te zwijgen van andere maatschappelijke verbanden. Wie het gezag van de belijdenis een be­lem­mering acht voor het rechte functioneren van het Schriftgezag, moet ook eerlijk aangeven waar de belijdenis tekort schiet. Juist daar pleegt de schoen te wringen. Telkens weer blijkt dat moeite met de belijdenis als spreekregel van de kerk, niet losstaat van een strijdige kijk op de inhoud van de Schrift zelf.

*

De eenheid van de kerk overschrijdt de kerkelijke structuren

In het protestantisme vallen een aantal hoofdstromen te onderscheiden. Zonder volledig te zijn noem ik het gereformeerde protestantisme, het lutheranisme en het baptisme. Gemeen­schappelijk hebben deze stromen in hun oorspronkelijke vorm het gezag van de Schrift en de betekenis van de rechtvaardiging door het geloof alleen. De wegen gaan onder andere uiteen in de leer van de sacramenten. Naar mijn vaste overtuiging is de gereformeerde belijdenis de diepste expressie van het bijbelse getuigenis. Betekent dit dat kerken met een lutherse of baptistische belijdenis niet als kerken van Christus gezien mogen worden? Dat is een gedachte die naar mijn even vaste overtuiging ondraaglijk is. Calvijn heeft de waarde van Luthers kerkelijke arbeid niet ontkend, maar juist zeer hoog aangeslagen. Calvijn wenste wel dat in de reformatie van de kerk zowel leerstellig ten aanzien van de sacramenten alsook met betrekking tot liturgie en kerkregering, de lijnen anders getrokken zouden worden dan Luther en zeker zijn volgelingen deden.

De reformatoren dachten nog sterk vanuit de gedachte dat er binnen een staatkundige grootheid slechts één kerk in haar zichtbare gestalte kan zijn. Die gedachte is in de loop der eeu­wen steeds meer stukgelopen op de politieke en maatschappelijke werkelijkheid. In Neder­land vond men van meet af aan kerken met een verschillend belijden binnen één staat­kundige structuur. Voetius, een van de voormannen van de Nadere Reformatie, had contacten met zowel lutheranen als doopsgezinden waarbij wederzijds sprake was van geestelijke her­kenning. Toch kunnen gereformeerden, lutheranen en baptisten op het niveau van de plaat­se­lijke gemeente (en daar moet toch de eenheid beginnen) aan de eenheid van het lichaam van Christus geen zichtbare gestalte geven. Hun verschillende kerk- en sacraments­leer maakt dat on­mogelijk. Hooguit kunnen mensen uit de andere stroming als gastlid binnen de gemeente functioneren.

Wat in de Reformatie in de kiem aanwezig was, wordt in de achttiende eeuw steeds uit­druk­kelijker geformuleerd, namelijk dat de kerk van Christus naar haar zichtbare gestalte meer dan één vorm heeft. In ons vaderland schreef Herman Bavinck (1854-1921) in de negentiende eeuw een prach­tig boekje onder de titel De katholiciteit van christendom en kerk. Met diep verdriet aanvaardt Bavinck de pluriformiteit der kerk, omdat hij het christen-zijn en kerk-zijn niet wil beperken tot hen die de gereformeerde belijdenis in al haar facetten onderschrijven, en tegelijkertijd is hij ervan doordrongen dat de pluriformiteit van de kerk niet losstaat van de zondige beperktheid van ons menselijk kennen. Zelf meen ik dat Bavinck hier in essentie de juiste toon heeft aan­geslagen. Dat was ook de mening van een confessioneel hervormd man als J.J. Knap Czn.(1867-1945).

*

Waar vinden wij de kerk?

De kerk is allereerst het wereldwijde en het de eeuwen omspannende lichaam van Christus. Levende leden van de kerk zijn zij die gewassen zijn door Christus’ bloed en vernieuwd zijn door Zijn Heilige Geest. Zowel de reiniging door Christus’ bloed als de vernieuwing door de Heilige Geest hebben de leden van Christus’ kerk dagelijks nodig. In deze zin wordt ook in artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenisover de kerk gesproken. Naar haar zichtbare gestalte wordt de kerk daar gevonden waar in een plaatselijke gemeente als openbaring van het wereldwijde lichaam van Christus het Woord recht wordt bediend. Wezenlijk voor de rechte bediening van het Woord is dat het gezag van het Woord zelf niet ter discussie staat. Uitgaande van dat gezag wordt dan over God gesproken Die als de Drie-enige God de God is van volkomen zaligheid. Er wordt dan getuigd van verzoening met God door het geloof in Christus’ bloed, van de rechtvaar­di­ging door het geloof alleen en van de vernieuwing door de Heilige Geest die daaraan onlosmakelijk is verbonden. Dan wordt duidelijk dat de gelovigen in dit leven de klacht over eigen onvolkomenheid nooit te boven komen. De slotsom zal zijn dat zalig worden van het begin tot het einde genade is.

Wanneer we stellen dat de kenmerken van de ware kerk allereerst de rechte bediening van het Woord en de sacramenten zijn, laat dat zien dat het ware kerk-zijn allereerst, hoewel niet uitsluitend, een zaak is van de plaatselijke gemeente. Dat maakt in Nederland het onderscheid tussen hervormd en afgescheiden niet onbelangrijk maar wel relatief. Ik zou niet graag willen beweren dat een gemeente die niet hervormd is, daarom niet de kenmerken van een gemeente van Christus vertoont.

In de negentiende eeuw heeft Groen van Prinsterer (1801-1876) een onderscheid gemaakt tussen de Hervormde Kerk als gees­te­lijke grootheid en als genootschap. Voor hem behoorden de Afgescheidenen bij de Her­vormde Kerk als geestelijke grootheid, al hadden zij de Hervormde Kerk als genootschap, naar zijn en ook mijn overtuiging, voortijdig verlaten. De reden dat Groen de Afgescheidenen als leden van de Hervormde Kerk als geestelijke grootheid kon zien, was omdat zij de belijdenis van de Hervormde Kerk liefhadden.

Een afgescheiden gemeente waar het Woord wordt gevonden is een openbaring van het lichaam van Christus; een hervormde gemeente waar dat niet het geval is, is dat niet. Vanuit die laatste overtuiging hebben hervormden die de belijdenis van de Hervormde Kerk lief­had­den, vanaf de negentiende eeuw het bestaan van evangelisaties naast de plaatselijke hervormde gemeente gerechtvaardigd. Als ik het iets voorzichtiger zeg: wij mogen de plaatselijke ge­meente waartoe wij behoren pas verlaten, als de boodschap dermate onhelder is dat wij het niet voor Gods aangezicht kunnen verantwoorden ons daaronder te scharen of anderen daartoe op te wekken.

Met de vorming van de PKN in 2004 is in Nederland feitelijk een geheel nieuwe situatie ontstaan. De PKN is juridisch evenzeer de voortzetting van de Hervormde Kerk als van de Gereformeerde Kerken en daarnaast ook nog van de Evangelisch Lutherse Kerk. Er is voor gereformeerde belijders plaatselijk ruimte, maar qua grondslag en kerkorde is de PKN geen hervormde of gereformeerde kerk. Als het gaat om de kerkorde denk ik aan het feit dat het bieden van ruimte aan homoseksuele relaties haaks staat op de zondagen 32 en 41 van de Heidelbergse Catechismus.

In confessioneel opzicht heeft de (Hersteld) Hervormde Kerk de Nederlandse Hervormde Kerk voortgezet. Tege­lij­ker­tijd moeten we zeggen dat er veel verloren is gegaan dat in ieder geval op dezelfde manier niet meer terugkomt. De reden om (hersteld) hervormd te zijn is niet de situatie of geestelijke rijkdom van de (Hersteld) Hervormde Kerk, maar haar belijdenis. Zeker is dat wij in een volstrekt geseculariseerd land leven. P.J. Hoedemaker (1839-1910) en anderen met hem konden in de negentiende eeuw over Nederland spreken als een gedoopte natie. Dat is aan het begin van de eenentwintigste eeuw niet meer het geval. In de negentiende eeuw kon Hoedemaker ervan uitgaan dat Jan Rap en zijn maat nog bij de kerk behoorden of een band met de kerk hadden. Dat is – op hier en daar in dorpen na – verleden tijd. Wij moeten hopen op een opwekking en reveil en daarbij een reveil waarbij echt uit stenen kinderen van Abraham worden gemaakt.

Hoe dan ook blijft staan dat de kerk is waar het Woord recht wordt bediend. Dat laat zien waar de prioriteiten moeten liggen. Om een levend lid van Christus’ kerk te worden is het nodig dat wij de rechte bediening van het Woord horen. Het geloof is immers uit het gehoor. Dat moet ook ons richtsnoer zijn, als wij degenen die buiten staan naar een concrete plaatselijke ge­meente verwijzen. Met de anglicaanse bisschop J.C. Ryle zeg ik dat ik nergens uit de Schrift kan afleiden dat wij ons, of anderen zich onder een prediking mogen begeven waarin aan de essentie van de bijbelse boodschap afbreuk wordt gedaan. Ryle kon in dit verband zeggen dat hij liever zag dat iemand onder de dissenters (afgescheidenen) werd behouden dan in de Anglicaanse Kerk verloren ging.

Opnieuw herhaal ik dat voor mij de gereformeerde belijdenis de diepste expressie van de bijbelse boodschap is. Tegelijkertijd kan ik mij verblijden als in baptistische kerken het Evan­gelie wordt gehoord. Met Bunyan, Spurgeon, Philpot en hun geestelijke nazaten weet ik mij hartelijk verbonden, al blijft het verschil in visie op het verbond met betrekking tot kin­deren geboren uit christenouders, en daarmee een verschillende visie op de waarde en be­te­kenis van de kinderdoop. Ik noemde al mijn verbondenheid met de anglicaanse bisschop Ryle. Ook namen van andere anglicanen kunnen hier worden genoemd. Ik denk aan John Newton en Henry Venn. Historisch gezien is de Anglicaanse Kerk qua belijdenis een gereformeerde kerk, al heeft zij in haar vorm van kerkregering vastgehouden aan de erfenis die vanuit de Middel­eeuwen tot haar kwam.

Ik noem ook lutherse kerken. Ik kan daar, binnen de Evangelisch Lutherse Kerk in Neder­land die in 2004 opging in de PKN, helaas niets van ontdekken, maar in de Lutheran Church van de Missouri Synod in Amerika ligt dat anders. Dat geldt ook voor lutheranen in Scan­di­navië. Ik kan mij zelfs verblijden als ik binnen Rome christenen ontmoet die geestelijk zonen en dochters zijn van Augustinus en Pascal, maar met Guido de Brès meen ik wel hen ertoe te moeten oproepen de gemeenschap met Rome te verlaten en zich te voegen bij een gemeente waar het gezag van het Woord staat boven het gezag van de kerk. Dat klemt des te meer omdat ik met de opstellers van de Heidelbergse Catechismus van overtuiging ben dat de mis in de grond der zaak een vervloekte afgoderij is. Het gevoelen en de beleving van hen die eraan deelnemen is hier niet bepalend, die kunnen zeer oprecht zijn. Bepalend is echter de leer van de transsubstantiatie die aan de elementen van brood en wijn de eer toekent die alleen toekomt aan Christus zittend aan de rechterhand van God.

Met een zinspeling op een uitspraak van de negentiende-eeuwse Schotse theoloog John Duncan (1796-1870) be­lijd ik dat ik allereerst katholiek ben. Ik belijd en geloof de Drie-enige God en dat met Augustinus als de God van volkomen zaligheid. Vervolgens ben ik gere­for­meerd. Ik belijd dat het Schriftgezag principieel boven het gezag van de kerk staat en dat rechtvaardiging en heiliging onderscheiden moeten worden maar niet gescheiden. Een mens is enkel rechtvaardig voor God door het bloed van Christus, maar dan ook volkomen recht­vaardig, al is hij slechts zeer ten dele heilig. Ik ben vervolgens een voorstander van de doop aan niet alleen de gelovi­gen maar ook aan hun zaad. De gereformeerde verbondsleer met betrekking tot het zaad van de gelovigen is ook mijn leer. In de doop gaat het niet allereerst om onze keuze maar om de beloften Gods die in Christus Jezus ja en amen zijn. Ten slotte ben ik een voorstander van de presbyteriaanse vorm van kerkregering.

Aan de zichtbare een­heid van de kerk moet ook op bovenplaatselijk niveau gestalte worden gegeven. Juist hier heeft mijn liefde tot de Her­vormde Kerk als planting Gods in Nederland een plaats. Vanuit de eenheid in belijdenis behoren wij te staan naar kerkelijke eenheid. Nooit moeten wij vergeten dat de volmaakte kerk hier op aarde niet wordt gevonden.

Terugkomend op de volgorde: christen, gereformeerd, voorstander van de kinderdoop en aan­hanger van de presbyteriaanse vorm van kerkregering; met John Duncan kan ik deze volgorde echter nooit omkeren. Dat is onkatholiek en ongereformeerd. Met de Apostolische Geloofs­belijdenis belijd ik van ganser harte met al de heiligen: ‘Ik geloof een heilige, katholieke, christelijke kerk.’

*

Slot

De zin van een belijdenis is dat zij een spreekregel van de kerk is en de grenzen van het kerk-zijn afbakent. Zij is ook bedoeld om voor kerken in haar plaatselijke gestalte een akkoord of overeenstemming te zijn van gemeenschappelijk belijden naar de wereld. Dat is de functie van de gereformeerde belijdenis. Niet verkeerd is het als kerken van ver­schillende belijdenis een federatie aangaan. Dat moet dan wel zijn, omdat men één is in de kijk op het gezag van de Schrift en het verstaan van de Schrift aangaande de betekenis van de Drie-eenheid, de verzoening door Christus’ bloed, de rechtvaardiging en de vernieuwing door de Heilige Geest. Met name naar de overheid toe kan in deze tijd een federatie van kerken, hoe los die ook is, van belang zijn, om duidelijk te maken dat men één is in de kijk op het huwelijk als inzetting van God. Juist hier moet in onze tijd de kerk in de richting van de overheid en de politiek een duidelijk geluid laten horen.

Mijn diepe bede is dat de kerk van Christus in haar zichtbare gestalte in Nederland en in Europa vasthoudt aan het Evangelie van de Heere Jezus Christus dat ons spreekt van ver­ge­ving van zonden én vernieuwing van het leven. De volmaakte eenheid, ook in zichtbare vorm, zal hier op aarde niet worden gevonden. Laten we echter bidden met een algemene stem om vrede voor Jeruzalem en zo het goede voor elkaar en voor Gods kerk zoeken.

Laten wij ons­zelf onderzoeken of wij van de kerk van Christus een levend lid zijn. Dan weten we van Adam en ons aller verlorenheid en van Christus en de gelukzaligheid van allen die Hem door een waar geloof zijn ingeplant. Laten wij ten slotte vurig uitzien naar de wederkomst van Christus. Dan zal de volmaakte eenheid in Gods kerk worden gevonden. Zij zal van alle vlekken en rimpels verlost worden. Alle disharmonie tussen Gods kinderen zal dan ver­dwe­nen zijn. De verschillen tussen Augustinus, Bernard van Clairvaux, Luther, Calvijn, Voetius, Pascal, Brakel, Owen, Bunyan, Ryle, De Cock, Kohlbrugge, Spurgeon, Philpot, enz., en al hun geestelijke zonen en dochters zullen dan voorgoed verleden tijd zijn, omdat God alles zal zijn in allen.

Geef een reactie