Zaligheid en rampzaligheid. Zijn er werkelijk twee eeuwige eindbestemmingen? (1)

Geen behoud buiten Christus

De eeuwen door was het in christelijk Europa geen vraag waar de eeuwige bestemming van de mens ligt. Dat is de hemel of de hel, het nieuwe Jeruzalem of de buitenste duisternis. Sinds het tweede oecumenische concilie van Constantinopel van 553 was dit de officiële leer van de Kerk en zowel van de Kerk van het Westen als van het Oosten. Wel was in de loop van de Middeleeuwen in de Kerk van het Westen steeds meer een plaats ingeruimd voor het zogenaamde vagevuur. Daar kwam men, zo werd geleerd, als men in dit leven te weinig goede werken had gedaan als christen. Voor de een was het verblijf daar langer dan voor de ander, maar uiteindelijk kwam men eruit.

De Kerk van de Reformatie heeft de gedachte van een vagevuur nadrukkelijk afgewezen. Zij heeft geen bijbelse grond. Na het sterven zijn we óf onmiddellijk bij Christus óf onze ziel gaat naar de rampzaligheid. Eenmaal op de jongste dag gaan allen die in dit leven de Heere Jezus Christus als hun Zaligmaker hebben leren kennen en daarom voor Hem zijn gaan leven, met een verheerlijkt lichaam het nieuwe Jeruzalem binnen. Buiten Christus en het geloof in Hem is geen behoud. Alle anderen worden wel lichamelijk opgewekt maar niet om binnen te gaan maar om buiten te blijven en de rechtmatige straf te ontvangen.

*

De leer van de eeuwige rampzaligheid: ontkend, betwijfeld of gerelativeerd

Altijd zijn er binnen de christelijke kerk stemmen geweest die vragen hebben bij deze boodschap, maar met name sinds de opkomst van de Verlichting vanaf het einde van de zeventiende eeuw wordt steeds openlijker de vraag gesteld of het wel juist is dat er buiten Christus geen behoud is en of degenen die zich niet tot God hebben bekeerd in dit leven en in Zijn Zoon hebben leren geloven echt eeuwig van God gescheiden zullen worden.

Met de besluiten van het Tweede Vaticaanse Concilie die overigens meer dan eens welbewust zo geformuleerd zijn dat men er meerdere kanten mee op kan, stelde de Rooms-Katholieke Kerk deze boodschap bij. Het vagevuur werd niet allereerst meer als straffend maar als reinigend gezien. Binnen de Rooms-Katholieke Kerk is alleen de volheid van het heil te vinden, maar ook is er heil in andere religies. Meerdere deelnemers van het Tweede Vaticaanse Concilie waren diepgaand beïnvloed door Karl Barth.

Het adagium van de liberale theologie was en is dat alle mensen kinderen van één Vader zijn. Ieder mens is een geliefd kind van God. Jezus is slechts voorbeeld. We moeten Zijn weg gaan, maar Hij is geen Zaligmaker en Verlosser. Barth begon als liberaal theoloog maar het feit dat zijn liberale leermeesters kritiekloos in de Eerste Wereldoorlog de Duitse oorlogspolitiek bijvielen, bracht bij hem een wending teweeg. Zijn theologie is wel als neo-orthodox getypeerd.

Barth weet van de betekenis van de Drie-eenheid en van het kruis van Christus. Hij was zeer belezen in onder andere Calvijn, maar hij gaf aan de klassiek gereformeerde leer een geheel eigen invulling. Hij gaat uit van de overmacht van Gods genade. Gods ja is machtiger dan het nee van de mens. Daarmee bedoelt hij niet dat God in de wedergeboorte de mens onwederstandelijk vernieuwt, maar dat ook al zegt de mens nee, Gods ja toch blijft staan.

Terwijl de documenten van het Tweede Vaticaanse Concilie ervan uitgaan dat de schepping aangelegd is op de verlossing, is Barth ervan overtuigd dat wij over de schepping en de mens alleen vanuit Christus mogen spreken. De schepping heeft ten opzichte van de verlossing geen zelfstandige betekenis. Voor Barth was daarom ook verloren gaan slechts een mogelijkheid aan de rand en ten diepste een onmogelijke mogelijkheid. Barth wilde niet uitdrukkelijk de alverzoening leren, omdat daarmee naar zijn overtuiging de vrijmacht van God tekort wordt gedaan. God blijft de laatste Rechter.

Vanuit de documenten van het Tweede Vaticaanse Concilie kan men op hetzelfde standpunt uitkomen als Barth. Sinds het Tweede Vaticaanse Concilie kan het vagevuur als reinigingsvuur ook als een mogelijkheid voor niet-christenen worden gezien. Franciscus, de vorige paus, sprak de hoop uit dat de hel leeg blijft, dat wil zeggen dat ten slotte iedereen zalig wordt. In ons land laat bisschop De Korte zich in die richting uit.

In ons land is reeds vóór de Tweede Wereldoorlog in het midden van de Hervormde Kerk (die in 2004 grotendeels opging in de PKN) de theologie van Barth breed omarmd. Na de Tweede Wereldoorlog drong de invloed van Barth ook steeds meer door in confessionele gemeenten die tot dan toe behoudend waren gebleven.

H. Berkhof (1914-1995) heeft zich in de tweede helft van de twintigste eeuw tot een van de meest vooraanstaande hervormde theologen ontwikkeld. Hij studeerde nog vóór de Tweede Wereldoorlog theologie en kwam al in zijn studententijd onder invloed van Barth. Berkhof was afkomstig uit een confessioneel gezin. Zijn moeder was de dochter van een confessioneel predikant die zeer kritisch stond ten opzichte van de Nadere Reformatie. Zijn vader kwam daarentegen uit een bevindelijk confessioneel milieu. Die groeide daar wel wat vandaan, maar helemaal kwijt raakte hij zijn afkomst nooit.

Berkhof zelf zei dat hij geestelijk meer door zijn moeder dan door zijn vader was gestempeld. Zijn vader keek met een mengeling van betrokkenheid en bezorgdheid naar de theologische ontwikkeling van zijn zoon. Hij vond dat zijn zoon teveel de nadruk legde op de overwinning van het evangelie, en de vernieuwing van de wereld, maar dat het klassieke gereformeerde fundament van zonde, schuld en verzoening onderbelicht bleef.

In de loop van de jaren ging Berkhof steeds meer eigen wegen ten opzichte van Barth. Zijn vader was daar geen getuige meer van, want die overleed in 1943. In 1973 kwam zijn Christelijk geloof uit. Daar plaatste hij vragen bij de klassieke theologie. Berkhof erkende dat er Bijbelteksten zijn die uitdrukkelijk de eeuwige rampzaligheid leren. Naar zijn oordeel kon je de inhoud van de Bijbel met een puzzel vergelijken. Als je als theoloog die puzzel legt, blijven er naar zijn mening altijd puzzelstukjes over. Die leg je dan terzijde. Berkhof legde de leer van de eeuwige rampzaligheid ter zijde.

In de Gereformeerde Kerken had G.C. Berkouwer (1903-1996), die als hoogleraar dogmatiek aan de Vrije Universiteit was verbonden, aanvankelijk het volstrekte gezag van de Schrift verdedigd en gewezen op de kwalijke kanten van de theologie van Barth. In beide opzichten begon hij te verschuiven. Daarbij werd hij ook steeds opener naar de Rooms-Katholieke Kerk. Hij juichte de uitkomst van het Tweede Vaticaanse Concilie toe zonder aandacht te vragen voor de schaduwkanten ervan. Hij was trouwens op uitnodiging van de paus als waarnemer op dit concilie aanwezig . Zijn andere opstelling had erg veel invloed op de ontwikkeling van de Gereformeerde Kerken.

Oorspronkelijk ging Berkouwer uit van het objectieve gezag en de objectieve inhoud van de Schrift, maar in de loop van zijn ontwikkelingen stelde hij dat wij alleen vanuit het geloof over de inhoud van de Schrift kunnen en mogen spreken. Als we alleen in het geloof over verloren gaan mogen spreken, kan het eeuwig verloren niet meer concreet worden benoemd.

In zijn reeks Dogmatische Studiën schreef hij twee delen over de wederkomst van Christus. Het tweede deel kwam in 1963 uit en daar bleek dat hij weliswaar de alverzoening afwees, maar de leer van rampzaligheid vrijwel uitsluitend zag als een waarschuwing aan gelovigen. Voor de leer van de vernietiging van de ongelovigen (annihilationisme) zag hij geen bijbelse grond. Berkhof had veel waardering voor Berkouwer maar vond dat dat hij de laatste stap niet durfde te zetten, omdat hij de mogelijkheid van verloren gaan openliet. Hij heeft Berkouwer erop gewezen dat hij de consequenties van zijn eigen exegetische en dogmatische uitgangspunten niet durfde te trekken.

In de Gereformeerde Kerken functioneerde al vele jaren nauwelijks in de prediking de notie dat de kerk niet alleen levende maar ook dode leden heeft. Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw werd de realiteit van verloren gaan voor velen in deze kerken hooguit een mogelijkheid aan de rand. In de Hervormde Kerk zien we dat confessionele gemeenten waar in de prediking tot dusver de werkelijkheid van de twee eindbestemmingen had geklonken, dit nu, als het al ter sprake kwam, steeds genuanceerder werd verwoord.

Veel latere theologen hebben opgemerkt dat juist deze discussie een sleutelmoment vormt in de Nederlandse protestantse dogmatiek: de vraag was niet alleen wat de Schrift zegt over het laatste oordeel, maar ook of de Schrift zelf hier wel een eenduidige boodschap heeft en hoe ver men daarom mag en kan gaan als het gaat over de realiteit van de eeuwige straf en wie die straf treft.

*

Opgegroeid vóór en feitelijk ook deels buiten de reformatorische zuil

Zelf ben ik vóór en feitelijk ook deels buiten de zogenaamde reformatorische zuil opgegroeid. Mijn kinderen merken meer dan eens aan mij dat dit het geval is, want voor hen geldt dat veel minder. In Kinderdijk, het dorp waar ik tot mijn veertiende woonde was maar één school: de School met de Bijbel. De schoolvereniging had als grondslag de Drie Formulieren van enigheid. Tot ik op deze school zat, hoorden er van de zeven bestuursleden drie tot de Hervormde Kerk. Het enige kerkgebouw in Kinderdijk was de kerk van de Hervormde Gemeente. Het overgrote deel van het dorp was hervormd, al ging lang niet iedereen naar de kerk. Eén bestuurslid behoorde bij de Gereformeerde Kerk, één bij de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt (dat was toen een oudoom van mij die tegenover ons woonde en die wij kenden als oom Jo), één oudgereformeerd en ten slotte mijn vader en wij kerkten in de Gereformeerde Samenkomst in Alblasserdam.

Het schoolpubliek was nog diverser. Meerdere Kinderdijkers waren lid van de Vergadering der Gelovigen. Toen er een heel contingent Spaanse gastarbeiders bij IHC Smit, de werf waarop de hele Kinderdijkse samenleving was georiënteerd, ging werken, kwamen ook hun kinderen naar de School met de Bijbel. Zo had ik in mijn eigen klas een enkele klasgenoot die nauwelijks naar de kerk ging, een klasgenoot van de Vergadering van gelovigen en drie rooms-katholieke klasgenoten.

De ouderlijke woning van mijn klasgenoot die bij de Vergadering van gelovigen was , stond evenals die van mijn ouders aan de Molenstraat. Als ik een paar honderd meter had gelopen was ik er en als hij stond te wachten of juist naar buiten kwam, liepen we samen verder naar school. Terug liepen we altijd samen. Allen moesten we wekelijks een Psalmvers leren en in de laatste twee klassen (inmiddels spreekt men van groepen) een vraag en antwoord uit de Heidelbergse Catechismus.

Aan de School met de Bijbel van Kinderdijk – en trouwens aan het hele dorp – heb ik heel warme herinneringen. Men leefde met elkaar mee en over verschillen – ook in godsdienstig opzicht – werd open gesproken. Van de ander een karikatuur maken kon moeilijk, want men kwam elkaar op allerlei manieren tegen en de meesten vaders van mijn klasgenoten ontmoetten elkaar op de werf van IHC. Daar werkte toen ook mijn vader.

Heel diepe indruk heeft in geestelijk opzicht op mij het hoofd van de school gemaakt (nu directeur) die aanvankelijk bovenmeester werd genoemd. Dat was dhr. J.J. van Wijk. Hij werd benoemd toen ik naar klas vier (nu groep zes) ging en in de laatste twee jaren op de basisschool was hij onze meester. Hij werd een van de beste vrienden van mijn vader en buiten de school mocht ik evenals mijn broers en zussen hem al spoedig oom Joost noemen. Aan de wijze waarop oom Joost de vragen en antwoorden van de Heidelbergse Catechismus uitlegde, merkte je aan hem dat hijzelf wist van de enige troost in leven en sterven, namelijk het eigendom van Christus te zijn en dat enkel uit genade.

Ik heb later begrepen dat in de tijd dat ik op de basisschool (toen nog lagere school) zat, het bestuurslid dat tot de Gereformeerde Kerken hoorde, graag de grondslag van de school wilde verbreden. De verwijzing naar de Drie Formulieren van enigheid moest verdwijnen. Ook mensen van de Vergadering van gelovigen moesten lid kunnen worden van de schoolvereniging was een argument dat hij gebruikte. De mensen van de Vergadering voelden wel aan dat zij als breekijzer werden gebruikt om een heel andere koers mogelijk te maken. De Vergadering was toen nog heel behoudend en de leden ervan vonden het prima dat het bleef zoals het was.

In het bestuur had het bewuste bestuurslid opgemerkt dat inmiddels de belijdenisgeschriften zo’n vier eeuwen oud waren. Oom Jo had opgemerkt dat het feit dat de belijdenisgeschriften vier eeuwen oud waren aan ieder bekend was. Daarmee werd niet nieuws gemeld. Hij wilde weten waarom we nu anders zalig konden worden dan vier eeuwen geleden. Zo was de poging om de grondslag van de schoolvereniging te wijzigen geëindigd.

*

Hoe ikzelf in mijn middelbare schooltijd geestelijke en theologische verschuivingen meemaakte en ervoer

Het klimaat op de middelbare school in Dordrecht die ik bezocht was heel anders dan op de School met de Bijbel in Kinderdijk. Deze school had de gereformeerde belijdenisgeschriften niet als grondslag. Wel was het een protestantse school. De meeste leraren behoorden tot de Gereformeerde Kerken en tot de middenstroom van de Hervormde Kerk. Een enkel was christelijk-gereformeerd. De geschiedenisleraar die ik had, was vrijzinnig hervormd.

Als het Tweede Vaticaanse Concilie ter sprake kwam, zei hij dat de Rooms-Katholieke Kerk niet Luther maar Erasmus had ontdekt. En hij liet er uiteraard geen misverstand over bestaan dat hij zich veel meer aan Erasmus dan aan Luther verwant voelde. Een enkele leraar was christelijk gereformeerd en een klein aantal was evangelisch. Dan ging het om leraren die van huis uit bij de Gereformeerde Kerken behoorden maar vanwege de opkomende Schriftkritiek naar een evangelische gemeente waren overgestapt.

Op één na waren mijn klasgenoten óf gereformeerd óf hervormd en dan links van de Gereformeerde Bond. Ik zeg er wel bij dat meerdere gereformeerde en hervormde klasgenoten in die tijd geen andere prediking hoorden dan die nu klinkt in menige gemeente die behoort bij de Christelijke Gereformeerde Kerken of gemeenten die gerekend worden tot de Gereformeerde Bond. Aan mijn klasgenoten heb ik ook goede herinneringen. Zij hebben mij altijd ruimte gegeven en hielden bij klasseavonden en dergelijke rekening met mij.

Vooral aan mijn gereformeerde klasgenoten merkte je dat er in hun kringen veel aan het veranderen was. In iets mindere mate gold dat voor klasgenoten die confessioneel hervormd waren, maar ook daar verschoven de panelen. Dan ging het onder andere over de ernst en realiteit van de eeuwige rampzaligheid. De drie godsdienstleraren die ik de zes jaar die ik op het VWO zat had, behoorden allen tot de Gereformeerde Kerken. Daar waren zij ook predikant. De lijn van de eerste godsdienstleraar die ik had kwam met die van Berkouwer overeen. Er was een rampzaligheid. Je moest met die mogelijkheid rekenen, maar wie er kwam moest je aan God overlaten. Dus een erg waarschijnlijke mogelijkheid was het niet.

De andere twee waren iets conservatiever, maar je kon ze niet rekenen bij de verontrusten die er toen in de Gereformeerde Kerken waren. De zogenaamde verontrusten wilden onverkort aan de gereformeerde belijdenis vasthouden en dat ging hun te ver. Dan moest je bij de rechterkant van de gereformeerde gezindte zijn en die begon toen met de Gereformeerde Bond en de Christelijke Gereformeerde Kerken. Met het herroepen van de synodebesluiten van de gereformeerde synode van Assen die in 1926 was gehouden, hadden ook zij geen moeite. Er moest ruimte zijn om de Bijbel en de evolutieleer met elkaar te combineren. Die gedachte leefde breed.

Het is enkel Gods genade dat ikzelf bewaard ben gebleven bij het geloof van de Kerk der eeuwen, bij het geloof ook zoals het verwoord is in de gereformeerde belijdenisgeschriften. Ik ging leren dat ikzelf de eeuwige rampzaligheid had verdiend en dat er maar één grond van zaligheid was, namelijk dat Christus ook voor mij de toorn van God waaronder ik voor eeuwig had moeten wegzinken, had gedragen. Daarom konden de nieuwe inzichten geen vat op mij krijgen, hoewel ik intellectueel – en ook in andere opzichten trouwens – wel eens zwaar aangevochten ben; in mijn middelbare schooltijd en ook nog daarna bij de studie theologie. Ik ging in Utrecht studeren. De TUA (toen nog Theologische Hogeschool) en wat nu de TUU is, stonden toen niet open voor studenten buiten respectievelijk de Christelijke Gereformeerde Kerken of de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.

In Utrecht was het klimaat anders dan in Leiden. Dat stond bekend als het vrijzinnige bolwerk. De meeste Bijbelwetenschappers in Utrecht waren gematigd Schriftkritisch. Hun zienswijze was dat je gelovig omgaan met de Schrift en historisch-kritisch lezen van de Schrift met elkaar kon combineren. Voor de dogmatici van wie ik les kreeg, was Barth het grote voorbeeld. Over de schepping, over de mens, over Adam, over de hel kon je alleen maar spreken in het licht van Christus en van de overmacht van Gods genade.

Ik wijs erop dat dergelijke geluiden inmiddels ook aan de TUU en de TUA gehoord kunnen worden. Dat was in mijn studententijd ondenkbaar. Cultureel zijn er verschillen maar beide instellingen komen qua theologisch klimaat inmiddels dicht bij het theologische klimaat van de theologische faculteit van de Universiteit van Utrecht in mijn studententijd. Voor de TUU geldt dan nog weer iets meer dan voor de TUA.

Voor mij is in het eerste jaar van mijn studie van grote betekenis geweest dat ik van oom Joost een exemplaar van de Openbare briefwisseling tussen ds. G. Boer en dr. H. Berkhof kreeg die zij in 1956 in het blad Woord en Dienst met elkaar hadden gevoerd. Ik heb die gelezen en herlezen. Boer schreef onder andere:

‘Bij alle veranderingen waaraan we onderworpen zijn verandert de ontmoeting met de levende God niet. Deze situatie is beslissend tot aan de wederkomst van Christus. In deze situatie komen wij inderdaad van verschillende kanten. Dat is ook onder ons zo. Maar in de ontmoeting met God krijgt niemand een aparte behandeling. Daar staat niet de antieke mens, ook niet de reformatorische mens, ook niet de moderne gehavende mens, maar de mens, de zondaar, de goddeloze.

Hier ontmoeten elkaar eenvoudigen en ontwikkelden, mensen, die door het nihilisme zijn heengegaan, en die ervoor bewaard zijn gebleven, ouderwetse en moderne mensen. In dit gezelschap staan profeten en apostelen, kerkvaders en hervormers, mensen van alle eeuwen. Wie voor de God van de Bijbel staat, schreeuwt om genade en ontvangt ook de genade. Hier gaat het niet over bepaalde accenten, nog minder om de hiërarchie van de accenten, maar om de kennis Gods in Jezus Christus door de Heilige Geest.

Hier heeft Augustinus geworsteld, hier is Luther tot zijn gebeente uitgekleed, hier is Calvijn door de Vader tot Christus getrokken, hier heeft Kohlbrugge gestreden en gejuicht over het Lam Gods, dat hem genoeg was voor de tijd en de eeuwigheid. En met hen willen ook wij belijdenis doen van ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof. Waar de vaderen het Woord Gods hebben gehoord, willen ook wij in deze tijd staan, met hetzelfde geloof.

Wie aan deze plaats voorbij is, wie aan dit geloof ontgroeid is, is er nog nooit aan toe geweest. Wanneer andere vragen de vraag naar een genadige God verdringen, zijn wij op weg het contact met de levende gemeente te verliezen. Immers de gemeente weet ervan en getuigt ervan. Wie dit niet doet, verwatert en verarmt het Evangelie.’

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw heeft ds. G. Boer zijn zorgen over de koers van Berkouwer in diens artikelen en referaten geuit. Hij vond dat Berkouwer de nadruk op het concrete, finale oordeel en de eeuwige scheiding tussen gelovigen en ongelovigen te veel liet vervagen. Boer vreesde dat door Berkouwers benadering de ernst van het oordeel, de hel en de verlorenheid van de mens buiten Christus onderbelicht raakten. Waar de traditie spreekt in duidelijke objectieve categorieën, koos Berkouwer voor een meer open, dynamische en relationele theologie. Volgens Boer kon dat niet zonder gevolgen blijven en dat heeft de praktijk alleen maar bevestigd.

In de eerste jaren dat ik in Dordrecht op de middelbare school zat, zag ik in de gangen ook meer dan eens dr. M. J. Arntzen rondlopen. Hij was predikant van de Gereformeerde Kerk in ’s Gravendeel en gaf facultatief Hebreeuws. Helaas deed hij dat niet meer toen ik in de vijfde klas van het VWO kwam. Anders had ik zijn lessen zeker willen volgen. Van hem hoorde je dat hij tot de verontrusten in de Gereformeerde Kerken behoorde. Ik had de middelbare school al verlaten toen ik zijn brochure Crisis in de Gereformeerde Kerken onder ogen kreeg.

Daarin constateert Arntzen dat in de Gereformeerde Kerken openlijk kritiek wordt geleverd op de leer van verkiezing en verwerping, op de kwestie van de absolute onfeilbaarheid van de Schrift, dat de ernst van de eeuwige rampzaligheid wordt gerelativeerd. Hij noemt dan in dit verband ook zijn promotor Berkouwer die een katalysator is van deze ontwikkelingen. De ondermijning van het belijden van de kerk maakte naar zijn diepe overtuiging de Gereformeerde Kerken krachteloos en karakterloos. Zelf kreeg Arntzen door heel deze ontwikkeling steeds meer oog voor de blijvende betekenis van de boodschap van de Nadere Reformatoren en puriteinen. De ernst van de eeuwigheid moet worden benoemd en de realiteit van de twee eeuwige eindbestemmingen en dat het niet vanzelfsprekend is dat ons einde goed is.

Plaats een reactie