Belijdenis van de leer of van jouw geloof?

Een herinnering uit de eerste gemeente die ik diende

Het catechisatieseizoen is weer begonnen. In de meeste gemeenten betekent dit ook dat er weer belijdeniscatechisatie wordt gegeven. Ik weet niet precies hoe groot de grootste groep was waaraan ik lesgaf, maar ik vermoed dat het om zestien of misschien achttien belijdeniscatechisanten ging. De kleinste groep bestond uit twee personen. Dat was in Zwartebroek-Terschuur, de eerste gemeente die ik diende. Het ging om Heimen van Essen en zijn vrouw, een echtpaar zonder kinderen. Zij waren beiden al in de vijftig toen zij naar de belijdeniscatechisatie kwamen.

Mevrouw Van Essen had al zo’n dertig jaar geleden, nog vóór haar trouwen, belijdenis gedaan. Heimen had er nooit vrijmoedigheid voor gevonden. Toen Heimen de belijdeniscatechisatie ging volgen, kwam mevrouq Van Essen met haar man mee. Nadat er gebeden en gezongen was, begonnen we altijd met een terugblik op de afgelopen zondag. Dan vroeg ik wat de prediking van het Woord hen had gedaan. Mevr. Van Essen gaf dan liefst haar man zoveel mogelijk het woord. Zij had een wat teruggetrokken karakter. Heimen was juist heel open en vrijmoedig.

Ik heb niet vaak mensen tot het doen van belijdenis aangespoord, maar bij Heimen heb ik het wel gedaan. Hij vertelde in gesprekken hoe het Evangelie van Gods genade zijn eten en drinken was. Toen ik begreep dat Heimen geen belijdenis had gedaan, heb ik hem daartoe aangespoord. Aanvankelijk had hij tegenwerpingen. Hij kon geen belijdenis doen want hij miste het geloof, zo zei hij, van zijn moeder. Zijn moeder, zo had ik ook wel van anderen begrepen, was een geoefende christen geweest.

Ik heb Heimen er toen op gewezen dat ik niet over zijn hart wilde oordelen en mij al helemaal niet geroepen voelde om een stempel te zetten op wat hij mij had verteld. Ik heb wel gezegd dat ik wilde aannemen dat zijn geloof minder sterk en geoefend was dan dat van zijn moeder. Echter, als wat hij mij verteld had waarheid bij hem was, dan mocht hij naar mijn diepe overtuiging niet nalaten belijdenis te doen. Zo kwam hij op belijdeniscatechisatie, en groot was zijn vreugde toen hij voor het eerst aan het Heilig Avondmaal mocht deelnemen. Na mijn vertrek uit Zwartebroek-Terschuur heeft hij nog een aantal jaren de Hervormde Gemeente aldaar als ouderling gediend.

*

Een kerkelijk en goddelijk recht om tot het Heilig Avondmaal toe te treden

In kerkelijk Nederland wordt wel gediscussieerd over de vraag of je belijdenis doet van de leer of van je geloof. Catechisanten hebben mij wel gevraagd hoe ik dat zag. Ik begon dan altijd met hen te vertellen dat tot zeker het midden van de zeventiende eeuw mensen die vraag niet eens gesnapt zouden hebben. Die zouden je hebben gevraagd: ‘Wat bedoel je?’

Wie belijdenis deed, vroeg aan de kerkenraad het (kerkelijke) recht om tot het Heilig Avondmaal te mogen toetreden. Ik heb bewust kerkelijk recht geschreven, al plaatste ik kerkelijk tussen haakjes. Immers, het goddelijke recht om tot het Heilig Avondmaal te gaan kan alleen God ons geven. Zelfs al zouden wij een geloofsgetuigenis voor de broeders van de kerkenraad afleggen waarvan zij allemaal diep onder de indruk komen, dan nog kan de kerkenraad ons alleen een kerkelijk recht geven. Niemand is, ook nadat hij belijdenis heeft gedaan en metterdaad gebruik maakt van het recht dat de kerkenraad hem of haar gaf, ontslagen van de plicht tot zelfonderzoek. Daartoe worden we allen in een voorbereidingsweek wel heel nadrukkelijk opgeroepen. Dan kunnen we niet volstaan met: ‘Ik heb toch belijdenis gedaan, daarom hoor ik toch aan het Heilig Avondmaal te gaan?’ Nee, de vraag is en blijft: heb je je voor God vanwege je zonden leren verootmoedigen? Heb je geleerd te vluchten tot Christus tot vergeving van je zonden? Neem je dagelijks de toevlucht tot Hem? Begeer je uit Hem en voor Hem te leven?

*

Belijdenis van de leer of van jouw geloof?

Ik kom terug op de vraag: doe je belijdenis van de leer of van je geloof? Wel, als het goed is, belijden we ons geloof met de Kerk van alle eeuwen en van alle plaatsen. Reeds in de tweede eeuw na Chr. werd met het oog daarop de geloofsregel opgesteld. De exacte formulering was niet overal gelijk, maar zakelijk stemde de geloofsregel overeen met de Apostolische Geloofsbelijdenis. Wie als volwassene toetrad tot de Kerk en gedoopt wilde worden, beleed zijn of haar geloof met de geloofsregel. In de Apostolische Geloofsbelijdenis wordt de boodschap of leer van de Bijbel heel kort samengevat.

In het klassieke doopformulier wordt aan ouders onder andere gevraagd of zij erkennen dat de leer die in het Oude en Nieuwe Testament, en in de artikelen van het christelijk geloof begrepen is, en in de christelijke Kerk alhier geleerd wordt, de waarachtige en volkomen leer van de zaligheid is. Metf de leer van de christelijke Kerk alhier wordt bedoeld dat de inhoud van de Apostolische Geloofsbelijdenis ontvouwd wordt in de gereformeerde belijdenisgeschriften.

Men betuigt geen instemming met de leer van de Lutherse Kerk en evenmin met die van de Remonstrantse Kerk, laat staan van de Roomse Kerk, maar met de leer van de Gereformeerde of Hervormde Kerk. Bij ‘Kerk’eten we dan niet denken aan een kerkverband. De Gereformeerde Kerk of Hervormde Kerk is overal waar de prediking overeenkomt met wat de gereformeerde belijdenis leert. De kern daarvan is zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus. Daar lezen we dat alleen het bloed van Christus reinigt van alle zonden. God is om Christus’ wil meer dan een Vader voor iedereen die door Zijn Zoon tot Hem nadert. Door Zijn Geest verzekert Christus al de Zijnen van het eeuwige leven en maakt Hij hen gewillig voor Hem te leven.

Wanneer er een tegenstelling wordt gemaakt tussen belijdenis van de leer en van je geloof, blijkt altijd weer dat men de leer niet echt als de geloofsleer, de leer van het heil en van de zaligheid, belijdt. De geloofsleer kunnen we met een huis vergelijken. Wie het algemeen, ongetwijfeld christelijk geloof belijdt, zegt daarmee dat alleen dit huis een schuilplaats biedt voor ziel en lichaam. De grote vraag is dan of wij dit huis niet alleen bewonderen, maar er ook zelf in wonen. Het gaat erom dat wij de leer van het heil met ons hart belijden.

Het zal duidelijk zijn dat ik ervan overtuigd ben dat je bij de leer als leer des heils moet beginnen en jezelf dan de vraag moet stellen of de bijbelse boodschap je hart heeft. Belijd je de Drie-enige God als de levende God? Erken je dat Jezus Christus God was en bleef, maar mens werd om zondaren te redden? Wil je schuilen onder de schaduw van Zijn vleugelen? Voordat een kerkenraad iemand belijdenis laat doen, moet er een onderzoek worden ingesteld. Wat weet iemand van de bijbelse boodschap? Heeft die boodschap zijn of haar hart geraakt? Blijkt in het leven dat degene die belijdenis wil doen, voor Christus wil leven en zijn belijdenis met een godzalige wandel gepaard doet gaan?

Als mensen heel nadrukkelijk zeggen dat zij niet de leer willen belijden, maar juist hun geloof, blijkt meer dan eens dat zij van het geloof geen juiste voorstelling hebben. Dat is wel heel duidelijk het geval als men zegt: ‘Ik geloof dat ik een kind van God ben’. Ongetwijfeld mag er geloofszekerheid zijn, maar de kern van ons geloof is niet dat wij geloven dat wij een kind van God zijn. De grote vraag is namelijk waarop wij die zekerheid baseren.

Immers, ook Paulus vóór zijn bekering geloofde dat hij een kind van God was. Nicodemus geloofde dat al, maar wist hij zelfs als leraar niet eens wat wedergeboorte was. Hij was een blinde die andere blinden dacht te kunnen leiden. Niet alleen Nicodemus, maar schriftgeleerden en farizeeërs in het algemeen geloofden dat zij kinderen van God waren. Eén ding geloofden zij niet: dat Jezus, de Zoon van God, de enige Zaligmaker is. Paulus is dat gaan geloven, en we mogen ook uit de vruchten in zijn leven afleiden dat Nicodemus dat leerde geloven.

Het gaat om het geloof dat Jezus de Zoon van God is. Wie dat gelooft, heeft zichzelf leren veroordelen en vlucht elke dag met lege handen naar Christus. Heel mooi wordt dit geloof verwoord in het Wachtwoord der Hervormers, gedicht door de Schotse predikant Robert Murray McCheyne. Wie dit lied niet kent, raad ik aan het op te zoeken op internet of in een liedbundel. De eerste regel van dit lied luidt in de meest bekende Nederlandse herdichting: ‘Eens was ik een vreemd’ling voor God en mijn hart’.

*

De taak van degenen die belijdenis willen doen en van de kerkenraad

Ik hoop dat degenen die belijdenis willen doen deze dingen overwegen en biddend aan de Heere voorleggen. Zelf had ik altijd met al degenen die de belijdeniscatechisatie wilden volgen, voordat zij gingen deelnemen, een gesprek. Ik wilde weten wat hen bewoog en of zij konden zeggen dat anderen aan hen konden merken dat zij voor Christus wilden leven. In een aantal gevallen moest ik dan zeggen dat de persoon in kwestie wel de belijdeniscatechisatie mocht gaan volgen, maar dat als er in het leven niets veranderde, hij of zij geen belijdenis kon doen.

Op een kerkenraadsvergadering deelde ik dan mee wie de catechisatie wilde gaan volgen en vroeg ik de broeders of zij nu al van zaken wisten die een verhindering konden zijn voor het doen van belijdenis. Dan zou ik met de personen voor wie dat gold in gesprek gaan, of moest een van de broeders van de kerkenraad dat doen. Immers, psychologisch is het zeer bezwaarlijk om pas een aantal weken voor de belijdenisdienst aan te geven dat het doen van belijdenis niet kan doorgaan.

Heel veel moeite heb ik er altijd mee gehad als hervormden – en dat geldt sinds 2004 ook voor hersteld hervormden – heel hoog van de toren blazen en beweren: “Bij ons doet men belijdenis van het geloof, maar bij de afgescheiden kerken van de leer.” Dan begin ik al met het feit dat er een onjuiste tegenstelling wordt gemaakt. Trouwens, bij deze voorstelling van zaken moeten de Gereformeerde Gemeenten (in Nederland) het ontgelden en niet de Nederlandse Gereformeerde Kerken.

Als collega’s of gemeenteleden zo begonnen, heb ik altijd gezegd: ‘In menige Hervormde Gemeente doet men belijdenis van niets.’ Elementaire kennis van de geloofsleer ontbreekt en het leven getuigt niet van een godzalige wandel bij menigeen die zonder problemen van de kerkenraad het recht kreeg tot het Heilig Avondmaal toe te treden. Laten kerkenraden getrouw zijn in het onderzoek, en dan denk ik aan hervormde kerkenraden en ook aan kerkenraden van gemeenten binnen andere kerkverbanden. Doe onderzoek naar kennis van de geloofsleer. Probeer te proeven of het een zaak van het hart is. Dan zijn we niet de laatste rechter. Vraag of men de goede keuze heeft leren maken.

Ik las in een boek over het Schotse eiland Lewis dat iemand die zelf nooit tot de Free Presbyterian Church of Scotland behoorde, van deze kerk in de eerste vijftig jaar van haar bestaan het volgende betuigde: ‘Deze kerk was klein van omvang. Maar ik zou geen kerk weten die zo’n hoog aantal kinderen van God in haar midden had in relatie tot het totale aantal kerkgangers als dit kleine kerkgenootschap.’ Nu, ik heb als hersteld hervormde dit getuigenis nog nooit uit de mond van een buitenstaander over de Herstelde Hervormde Kerk gehoord. Ik kan het zelf ook niet zo bespeuren, bij alle goeds dat er is. Ook de Herstelde Hervormde Kerk heeft niet minder dan andere kerkverbanden verootmoediging nodig, opdat er een opwekking mag komen.

Mij bevreemdt dat tal van kerkenraden menen dat iedereen die trouw naar de kerk komt vanaf de leeftijd van zo’n achttien jaar tot het doen van belijdenis moet worden aangespoord. Hebben allen dan op de leeftijd van achttien tot zo’n eenentwintig jaar het huis van de christelijke geloofsleer niet alleen leren bewonderen, maar zijn ze het ook gaan bewonen? Ik kan het onmogelijk zo zien als ik om mij heen kijk of gezinnen bezoek. Ik vrees dat in menige gemeente een rijke jongeling zonder enige problemen belijdenis kan doen en het kerkelijk recht om tot het Heilig Avondmaal toe te treden ontvangt. Daarop kan nooit Gods zegen rusten.

Zelf heb ik mensen alleen ervan weerhouden belijdenis te doen als zij geen kennis hadden van de bijbelse leer en hun leven niet naar Gods Woord was. Merkte ik weinig tot niets van een heilige honger om God te leren kennen, dan heb ik mensen er nooit toe durven aansporen belijdenis te doen. Daarmee volg ik de lijn van onze Dordtse vaderen, die zeiden dat wij hen tot het doen van belijdenis mogen aansporen die van harte bekommerd zijn om hun ziel.

In behoudende presbyteriaanse of baptistische gemeenten in de Engelssprekende wereld zal men mensen nooit aansporen om belijdenis te doen dan wel zich te laten dopen als men de doordeweekse samenkomsten van de gemeente niet bezoekt. Die zijn er in die kringen met grote regelmaat. Zo niet elke week, dan zeker tweewekelijks. Hoe kan iemand die geen honger naar het Woord heeft, wel belijdenis doen? Omgekeerd: mag iemand voor wie de boodschap van zonde en genade eten en drinken is, ervan worden weerhouden belijdenis te doen omdat hij of zij nog altijd worstelt met de toe-eigening van het heil? Ik meen dat wij zo’n christen eerder tot het doen van belijdenis moeten aansporen dan hem of haar ervan afhouden. Immers, de sacramenten zijn er niet omdat wij zo’n sterk geloof hebben, maar opdat wij in het geloof worden versterkt.

Wie als kind is gedoopt, mag in worstelingen om de toe-eigening van het heil troost uit zijn of haar doop scheppen. Immers, de doop is er tot troost van hen die in al hun zonden en ellenden tot Hem vluchten ter genezing. En dan geldt: ‘Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet, nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.’

Geef een reactie