Hoe moeten we ds. J.P. Paauwe zien? Zijn blijvende betekenis

Aandacht voor ds. J.P. Paauwe

Dit jaar was het 70 jaar geleden dat ds. J.P. Paauwe stierf (1872-1956). Vrijdag 6 juli overleed deze predikant in de leeftijd van 83 jaar. In het boekje Gezanten van Gods lof is hij één van de vier Nederlandse predikanten van wie ik iets weergeef. Daarin vertel ik ook hoe ik met zijn geschriften in aanraking kwam. Ik vermeld ook dat ik, terwijl ik nog nooit iets van hem had gelezen en feitelijk niets van hem wist, tijdens mijn studie theologie aan de Universiteit van Utrecht van een medestent hoorde dat ik een paauwiaan was. En dat was niet als compliment bedoeld.

Toen ikzelf de preken van Paauwe ging lezen, heb ik begrepen waarom dit van mij werd gezegd. Altijd heb ik betuigd en later ook gepreekt dat wie wedergeboren is, als een zondaar tot Christus heeft leren vluchten om op grond van gerechtigheid Zijn vrijspraak van schuld en straf te ontvangen. We mogen wedergeboorte, Christuskennis, geloof en rechtvaardiging nooit in de tijd van elkaar losmaken. Wie dat wel doet gaat tegen de Schrift in en ook tegen de gereformeerde belijdenis. Ik denk met name aan de hoofdstukken III/IV van de Dordtse Leerregels. Als het gaat om de wederbarende werking van Gods Geest lezen we in de Dordtse Leerregels III/IV, 13: ‘De wijze van deze werking kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomen begrijpen; ondertussen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods met het hart geloven, en hun Zaligmaker liefhebben.’

Enige weken geleden kwam Paauwe zowel in de Gezinsgids als in het RD ter sprake. Er was sprake van grote waardering bij de een en van scherpe kritiek bij de ander. Wie was ds. J.P. Paauwe? Paauwe was een hervormd predikant die buiten de Hervormde Kerk kwam te staan, omdat hij, toen hij in Bennekom stond, geen medewerking wilde verlenen aan het inschrijven van leden die elders in een vrijzinnige gemeente belijdenis van het geloof hadden afgelegd.

Paauwe bleef preken en rond hem vormde zich een kring van hoorders die zich in zijn prediking herkenden. Aanvankelijk ging ook ds. D.Th. Keck in deze kring voor. Ook deze predikant was buiten de Hervormde Kerk komen te staan en wel omdat hij geweigerd had het kind van een caféhouder, dat in de vrijzinnige gemeente van Stolwijk was gedoopt, in te schrijven in het doopboek.

Na een aantal jaren keerde Keck terug naar de Hervormde Kerk. Ondanks haar diepe verval was zij de Kerk des Heeren gebleven, zo ging Keck zien. Paauwe radicaliseerde juist. Hij wees niet alleen de Hervormde Kerk af, maar ook de afgescheiden kerken konden in zijn ogen geen goedkeuring vinden. Wat hij in de kerken miste, was de heldere prediking van Wet en Evangelie. Niet al zijn hoorders deelden zijn standpunt. Er kwamen ook doordeweeks mensen onder zijn gehoor die zondags in hun eigen woonplaats naar de kerk gingen. Sijgje Neeven, een vriendin van mijn oma De Vries, voelde zich aangesproken door de preken van Paauwe, maar zondags ging zij, evenals mijn grootouders, naar de hervormde evangelisatie in Lekkerkerk.

Paauwe gaf de indruk, en soms meer dan de indruk, dat hij de laatste getrouwe Godsgezant in Nederland was. Na zijn dood zijn de volgelingen van Paauwe daarin nog weer verder gegaan dan hijzelf. Ook als wij de accenten van Paauwe meenemen, was dat niet waar. Ik denk bijvoorbeeld aan ds. B. van der Wal en ds. C.B. Holland. Niet minder dan Paauwe hebben zij benadrukt dat wij wedergeboorte, geloof en rechtvaardiging niet van elkaar mogen losmaken.

Dat trok ds. Jac. van Dijk in Paauwe aan. Begin 1945 kwam hij in ‘s-Gravenzande als vrijzinnig hervormd predikant tot bekering. Niet lang na zijn bekering kwam hij in contact met Paauwe. Een contact dat tot diens dood bleef bestaan. Als het even kon, ging Van Dijk met zijn vrouw en dochter doordeweeks bij Paauwe naar de kerk. Sommigen hebben wel gedacht dat Van Dijk na het sterven van Paauwe diens plaats zou innemen. Maar hoezeer de prediking van Paauwe hem ook had geraakt, de kerkelijke zienswijze van Paauwe kon Van Dijk niet bekoren, en zo ligt het ook bij mij.
Als jong predikant in Zwartebroek-Terschuur hoorde ik meer dan eens de naam van de weleerwaarde heer Jan Blankespoor. Die had als hulpprediker de Hervormde Gemeente van Zwartebroek-Terschuur gediend toen deze losgemaakt was van Voorthuizen. De oudere mensen vonden het nog altijd jammer dat dhr. Blankespoor in 1951 de Hervormde Kerk had verlaten. Hij werd predikant in een vrije groep in Zwolle die aanvankelijk had gehoopt dat ds. Van Dijk zich aan haar zou verbinden.

Blankespoor viel, evenals Van Dijk, de prediking van Paauwe van harte bij. Oudere gemeenteleden die belijdeniscatechisatie bij dhr. Blankespoor hadden gevolgd, vertelden mij dat zij meer dan eens, in plaats van dat zij een catechisatieles kregen, samen met dhr. Blankespoor een doordeweekse kerkdienst van Paauwe in Bennekom bijwoonden.

Toen ik de Hervormde Gemeente van Elspeet diende, kwam ik in contact met Henk Blankespoor een zoon van Jan. Er waren tot 2004 ook diensten in Vierhouten en daar was Henk altijd aanwezig. Op een opmerkelijke wijze ontstond het contact. Dat is een verhaal apart en daarom vermeld dat hier niet. Na de dood van zijn vader was Henk thuis gaan lezen. Hij was een aantal malen naar de Hervormde Kerk geweest en vervolgens een aantal malen naar de Gereformeerde Gemeente maar hoorde daar niet wat hij uit de mond van zijn vader had gehoord en bij de oude schrijvers las.

In de Hervormde Kerk werd volgens Henk gesproken over geloven zonder dat er gesproken werd over wedergeboorte, over geloof in Christus zonder de noodzaak van zelfveroordeling. In de Gereformeerde Gemeente over wedergeboren zonder dat je hoorde dat iedereen die wedergeboren is alle dingen schade heeft leren achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus. Het verlaten van de stad van Verderf zonder de Enge Poort te zijn doorgegaan zou reeds reden zijn aan te nemen dat men overgegaan was uit de duisternis in het licht om de beelden van De Christenreis te gebruiken.

Ik wijs er terzijde op dat wie ook de niet-allegorische werken van Bunyan kent, weet dat deze interpretatie van De Christenreis misplaatst is. Dat blijkt trouwens ook als wij De Christenreis met De Heilige Oorlog vergelijken. Met andere puriteinen wist Bunyan van een onderscheid tussen algemene overtuigingen van zonden en het zaligmakende werk van Gods Geest waardoor een schuldig zonder in een levend geloof met Christus wordt verenigd en verbonden.

Hoe dan ook miste Henk zowel in de Hervormde Kerk als de Gereformeerde Gemeenten de boodschap van Wet en Evangelie zoals hij deze uit de mond van zijn vader had en zoals hij die vond in de preken van Luther, Erskine, Gray, McCheyne en Paauwe. Ik geef deze visie op het kerkelijke leven door zonder er een oordeel over te geven, maar wie thuislezers wil begrijpen moet deze dingen wel weten. Wil je deze thuislezers van hun ongelijk overtuigen dan zal je aan moeten tonen dat er nog altijd gemeenten zijn waar een prediking wordt gebracht waarin naar voren komt dat je alleen tot Christus komt als de Vader je trekt en dat iedereen wedergeboren is, roemt in het in het kruis van Christus.

Hoe dan ook: Henk wenste niet dat hij, zijn en kinderen bedrogen werden voor de eeuwigheid en wilde geestelijke voedsel ontvangen. Daarom ging hij met zijn gezin thuislezen; preken van Nederlandse, Engelse en Schotse schrijvers en preken van Paauwe. Zijn kinderen catechiseerde hij uit de Heidelbergse Catechismus en Hellenbroek. Kort nadat ds. G. Hamstra (1927-2018) aan de Christelijke Gereformeerde Kerk van Elburg was verbonden, woonde Henk op aandrang van zijn buurman een keer een dienst bij. Die trof hem zo dat hij van die tijd af daar twee keer per zondag naar de kerk ging. Uit de mond van Hamstra hoorde hij een prediking in de lijn van Robert Murray M’Cheyne; een prediking zoals hij die van zijn vader gehoord had en in de preken van Paauwe las.

In zijn tweede gemeente Dundas in Canada had Hamstra trouwens een aantal gemeenteleden die in Nederland nog onder het gehoor van Paauwe hadden gezeten. Niet lang na het vertrek van Hamstra naar de Verenigde Staten is Henk in Hervormde Gemeenten gaan kerken. Ik gaf al aan hoe ik hem leerde kennen. Ik noem ook nog dat ds. Hamstra een van mijn geestelijke vrienden was met wie ik mij wel zeer nauw verbonden wist. Zowel Henk als ik hebben met Hamstra tot aan aan zijn dood toe contact gehouden. Beiden hebben we hem niet lang voor zijn dood nog telefonisch gesproken. Zo komen lijnen wonderlijk bij elkaar.

*

Wie was ds. Paauwe en wat leerde hij?

Paauwe behoorde aanvankelijk tot de richting binnen de Hervormde Kerk. In aanraking gekomen met de geschriften van ‘oude schrijvers’, werd hij ontdekt aan zijn verloren staat buiten Christus. Zijn ernstige prediking trok vele hoorders. Onder andere een jong meisje dat later de vrouw werd van de bekende predikant van de Gereformeerde Gemeenten ds. J. Fraanje, werd onder zijn prediking stilgezet.
In Bennekom, eind 1911, was het volgens zijn eigen getuigenis ‘dat de Heere mij kwam verlossen uit de banden der Wet en overzette in de dierbare Heere Jezus, mij met Zichzelf verzoenende door het dierbaar bloed van Zijn lieve Zoon’. Zelf heb ik een bundel geschreven preken van Paauwe uit die tijd in mijn bezit. Daarin staan preken van voordat hij tot ruimte kwam en ook preken van nadat hij in de ruimte werd gezet. Mij viel op dat de inhoud van de preken gelijk was. Voor zichzelf kreeg Paauwe zekerheid dat hij mocht delen in datgene wat hij anderen verkondigde.
De prediking van Paauwe kenmerkt zich door grote ernst en betrokkenheid op zijn hoorders. De belangrijkste inhoud van zijn prediking is Wet en Evangelie. Zowel de verloren staat en ellende van de mens door zijn val in Adam als de verlossing in Christus worden door hem indringend voorgesteld. Hij leert dat Christus en de weldaden van het Genadeverbond worden aangeboden aan allen die met het Evangelie in aanraking komen. Hij onderscheidt inwendige roeping, zaligmakend geloof, rechtvaardigmaking en heiligmaking, maar scheidt deze weldaden niet. Een mens is niet eerder zalig dan wanneer hij, door de bijzondere werking van de Heilige Geest, in de inwendige roeping door een geschonken geloof Christus en Zijn weldaden aanneemt en met Hem verenigd wordt. Nadrukkelijk leert hij de zekerheid van het geloof.

Paauwe voelde zich ten volle verenigd met de geschriften van de Reformatoren, de Dordtse Synode en vele ‘oude schrijvers’ uit de 17e en 18e eeuw. Als ik een kanttekening plaats, is het dat Paauwe meer dan eens de indruk geeft dat een christen precies het tijdstip kan aangeven waarop hij verenigd werd met Christus. Op zijn minst geeft hij te weinig aan dat menig christen juist dat tijdstip niet exact kan aangeven. Juist het omgekeerde vind je bij de reformatoren en ook bij de oude schrijvers van de 17e en 18e eeuw. Die kenden óf aan het exacte tijdstip weinig betekenis toe of noemden uitdrukkelijk dat menig christen dat niet kan aangeven. Ik noem slechts de hoofdstukken over de wedergeboorte in de Redelijke godsdienst van Wilhelmus à Brakel en in de Viervoudige staat van Thomas Boston.

Maar wie daaroverheen zit, vindt in de prediking van Paauwe veel goeds. Men kan veel van hem leren als men onder een prediking zit of heeft gezeten waar het Evangelie losgemaakt wordt van de Wet, waar men wel hoort van Gods genade, maar niet van ontdekking aan zonde en schuld. Niet minder kan men van hem leren als men onder een prediking zit, en die ook bijvalt, waar wedergeboorte en Christuskennis van elkaar worden losgemaakt. Een prediking waar men hoort dat men wedergeboren kan zijn zonder gerechtvaardigd te zijn. Bij zo’n prediking wordt enerzijds uit het gemis het bezit besloten en worden er zo gronden gelegd waar zij niet zijn. Anderzijds wordt degenen die door een waar geloof met Christus verenigd zijn de troost van het Evangelie onthouden.

In de preken van Paauwe kom je geen uitdrukkingen tegen als: ‘zien is nog geen hebben’, ‘bedekte schuld is geen vergeven schuld’, ‘een geopenbaarde Christus is nog geen toegepaste Christus’ enz. Je leest er ook niet dat men eerst Kerst zou moeten beleven, dan Goede Vrijdag enz. Als Paauwe deze dingen al noemt, is het in waarschuwende zin. Men moet zich door dergelijke dwalingen niet laten meevoeren. Voor hem stond namelijk vast: ‘Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.’ (1 Johannes 5:12) Meer is niet nodig en met minder kan het niet.

Om Gods Zoon beter en dieper te leren kennen, hebben wij ons hele verdere leven nodig als Hij eenmaal tot ons is gekomen. Paauwe is voor mij niet het einde van alle tegenspraak. Hij had zijn gebreken en tekortkomingen. Paauwe had er weinig oog voor dat iemand de zaken minder helder kan verwoorden en toch genade bezitten. Bepaalde zaken komen in zijn preken minder aan de orde die andere predikers dieper dan hij verwoorden. Ik denk aan de opwas in de genade en aan aanwijzingen voor het concrete leven van heiligmaking. Daarom lees ik graag J.C. Ryle. Ik noem ook geestelijke aanvechting en verlating. Hier denk ik aan het traktaat dat Gisbertus Voetius daarover schreef. Hoe dan ook lees ik graag de geschriften van meerdere theologen mede als middel om voor eenzijdigheid te worden bewaard. Ik denk niet het minst aan die theologen van wie Paauwe een leerling wilde zijn. Hij is een van de vele getrouwe Godsgezanten die God aan Zijn kerk gegeven heeft. Zo eer ik hem graag.

*

Citaten uit de preken van Paauwe

De prediking van het Evangelie

De aanbieding geldt iedere zondaar. En wanneer de ogen van een mens, van een zondaar dus, geopend worden voor deze waarheid, dan vindt hij de Heere Jezus Christus liggen aan zijn voeten. Wij bidden u van Christuswege, alsof God door ons bade: laat u met God verzoenen (2 Kor. 5:20). Hij vindt een biddende Christus! Wat een verandering van gedachten moet er dan toch niet in zulk een ziel plaatshebben! Maar de verandering is dan ook zo groot! Ze doet hem zeggen: “Eén ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie” (Joh. 9:25).

Nu moet u niet denken dat de aanbieding van de Heere Jezus door de prediking van het Evangelie niet gemeend zou zijn. We hebben geen enkele reden om de echtheid van de aanbieding in twijfel te trekken.

Waarom zouden we daar reden voor hebben? Geen enkele reden is ervoor aan te geven. God is waarachtig; Hij houdt van de Waarheid. Hij heeft het recht lief (Jes. 61:8). Zou Hij een mens bedriegen? Zou Hij eropuit zijn om een mens te misleiden? Zijn woorden als: “Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve” (Ezech. 33:11) en: “Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol” (Jes. 1:18) – ik vraag, zijn zulke woorden, woorden die met een korreltje zout moeten genomen worden? Het zijn de woorden van de Waarachtige.

En laat de gedachte der ijdelheid niet in u overnachten dat het Opperwezen maar een beetje met u speelt. Neen, Hij biedt u – wie u dan ook moge wezen en wat u ook mocht hebben gedaan – Hij biedt u in Zijn Zoon Zichzelf aan, en Hij vraagt er niets voor. Hij vraagt er niets voor, maar Hij schenkt het om niet. “Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave” (Ef. 2:8). “Koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk”, zo is u voorgelezen uit Jesaja 55 (vs. 1). Alleen maar: neemt aan, neemt aan in waarheid, ontsluit uw hart! Dát wordt gevraagd, want waar dit niet is, daar vervalt alles.

(Uit: Preek over Openbaring 1:5b)

*

Wanhopen aan onszelf en vluchten tot Christus

Nu zult ge vragen: Wat moet ik dan doen? Wanhopen aan uzelf en bekennen dat het met u uit en gedaan is, en onmiddellijk vluchten tot het u voorgestelde offer van Christus. U zult nooit het leven vinden als u deze weg niet inslaat. U moet niet wachten. Soms denkt een mens dat hij nog moet wachten omdat zijn zonden, naar hij meent, niet genoeg zijn ontdekt. Al had een mens maar één zondige gedachte, dan zou Christus reeds noodzakelijk zijn. Als die éne zondige gedachte niet werd vergeven, zou dit de oorzaak van zijn eeuwige verdoemenis zijn. Hoeveel temeer daar een mens enkel zonde is en niets doet dan zondigen. Dus, toehoorders, als u zonde in u bemerkt, dan is het tijd om tot Christus te vluchten. Komt u te sterven en u hebt zich niet door een waar geloof met Christus verenigd, dan zou u voor eeuwig in de macht van de dood zijn. (…)

Wanneer iemand zonden in zich ziet, dan moet hij met al zijn zonden tot Christus gaan. Denkt u dat dit zo gemakkelijk is? ’t Is gemakkelijk als het wordt geschonken. De moeilijkheid zit hierin, dat een mens moet bekennen. Bekennen is niet alleen moeilijk, het is zelfs onmogelijk. Zó bekennen, dat men niets meer vasthoudt, is een onmogelijk werk. Gaf het Opperwezen het niet, dan zou een mens nooit bekennen.

Dus, toehoorders, naar Christus heen, maar dan ook waarlijk tot Hem gegaan. Die waarlijk gaat, rust niet in zijn pogingen, noch in de aangename gestalten die hij somtijds heeft, maar hij rust in Christus en in God door Hem Die God heeft gezonden en in de ambten van Priester, Profeet en Koning heeft gesteld en Die een eeuwig geldende gerechtigheid heeft aangebracht.

(Uit: Preek over Johannes 1:29)

*

De zending van Christus; het Evangelie

Toehoorders. Geloof het Evangelie! Neem deze boodschap aan! Geloof dat u gezondigd hebt. Geloof dat uw hart hopeloos verdorven is omdat u gezondigd hebt! Geloof dat gij rechtvaardig verdoemd zijt. Geloof dat gij machteloos zijt, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Geloof dat de Heere Jezus Christus Gods Zoon is, dat Hij door Zijn lijden en sterven een eeuwige gerechtigheid aangebracht heeft en de Heilige Geest verworven heeft. Geloof de woorden van de profeet Jesaja: “Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in den HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen” (Jes. 45:24). Geloof dat de Heere Jezus Christus op aarde is geweest, gehoorzaamheid heeft betoond, en geleden heeft niet voor Zichzelf, maar voor de arme mens, voor de schuldige mens, voor wie anders geen uitkomst is!

Geloof deze dingen. Houd u aan Christus! Verberg u onder Zijn vleugelen en houd voor waarachtig dat God eeuwig de genadige Vader zijn zal van ieder die door een oprecht geloof het er voor houden mag dat de Zoon Gods, de Heere Jezus Christus, met al Zijn schatten en gaven, overeenkomstig de belofte van het Evangelie, hem uit genade door God geschonken is.

Geloof dit. Leef en sterf in dit geloof! De Heere Jezus Christus wordt u voorgesteld. Op geen andere wijze wordt Hij u gepredikt, wordt Hij u aangeboden. Wie is er onder ons, die een schuldeiser heeft, die benauwd is en wiens ziel bitter bedroefd is? Hij kome! Hij gelove in Gods waarachtigheid, want God Zelf zegt tot dezulken: “Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve” (Ezech. 33:11).

(Uit: Preek over Jeremia 30:21)

*

De prediking maakt onderscheid

Een prediking waarin niet wordt uiteengezet het onderscheid tussen Wet en Evangelie, is maar schijn; dat is geen prediking. En zulk een zogenaamde prediking heeft tot gevolg dat de mensen bedrogen worden. Want het komt alles aan op het onderscheid, op de kennis van het onderscheid tussen de Wet en het Evangelie, alles! Ik zou geen vrijmoedigheid hebben om aan te nemen dat u een begenadigd mens zijt, als u dit onderscheid niet in meerdere of mindere mate, meer of minder duidelijk, had leren kennen, het onderscheid tussen de Wet en het Evangelie. We kunnen het ook anders zeggen: de kennis van het onderscheid tussen de algemene werking des Heiligen Geestes en de bijzondere werking des Heiligen Geestes.

Iemand die van dit onderscheid niets afweet, zou ik niet voor een begenadigd mens kunnen noch mogen houden, al was hij mijn eigen kind – niet kunnen noch mogen. Want er zijn twee Verbonden: er is een Verbond der werken en er is een Verbond der genade. Van het eerste moeten we losgemaakt worden. Hoe, dat moet ik, moet u weten. En in het tweede moeten we ingebracht worden. Wederom: hoe, dat moet ik, moet u weten.

Deze dingen moeten wij elkaar kunnen vertellen. En wanneer men deze dingen verstaat, dan is dat een bewijs dat men van God geleerd is. Dezen zijn van God geleerd, zij die het onderscheid kennen tussen het ene en het andere Verbond, tussen de Wet en het Evangelie, tussen de algemene werking van de Heilige Geest en de bijzondere werking van de Heilige Geest. En de anderen kunnen noch mogen voor begenadigde mensen gehouden worden. Gebeurt dit toch, dan heeft er bedrog plaats, bedrog.

(Uit: Preek over Hooglied 1:4

*

In de roeping hoort men de stem van Christus

Om het leven deelachtig te zijn, moeten we met Christus verenigd wezen. En deze vereniging nu is van de zijde Gods, dat de uitverkorene wordt in Christus ingelijfd. Maar zij is ook van ’s mensen zijde, want de mens, de uitverkorene, verenigt zich met de Zoon Gods. Maar hoe en waardoor geschiedt het, dat de doden zullen horen? Door de stem van de Zoon Gods te horen, met andere woorden: in de krachtdadige roeping, want het is Christus Die de uitverkorene tot Zich roept.

Geliefden, verwerp al de gedachten van de roeping, tenzij ze hiermee overeenkomen. De Heere Jezus zegt: “Mijn schapen horen Mijn stem” (Joh. 10:27). Dit is het onderscheid tussen de algemene bewerking en de bijzondere bearbeiding des Geestes. Waar de algemene bewerking is, daar hoort de mens nooit de stem van Christus. En waar de bijzondere bearbeiding des Geestes is, daar hoort de mens wél de stem van Christus. Zij lezen beide de Heilige Schrift, zowel hij die een algemene als hij die een bijzondere bewerking des Geestes ondergaat. Zij zitten samen onder dezelfde prediking, ze weten dezelfde dingen; maar die zaligmakend wordt bearbeid, hoort de stem van Christus, en de andere hoort de stem van Christus niet. Dit is het alles beslissende onderscheid tussen het algemene niet-zaligmakende en het bijzondere wel-zaligmakende werk des Geestes.

(Uit: Preek over Johannes 5:25)

*

Nodig is de kennis en openbaring van Christus

Wij moeten Christus leren kennen. “Wat?”, zouden honderden, ja duizenden uitroepen, “wat, Christus leren kennen? Wij hebben altijd geweten dat wij door Christus moeten zalig worden.” Maar, geliefden, die kennis is niet genoeg. Gij voelt het immers toch wel, dat het wat anders is dit te zeggen of tot Christus te komen. Zal men komen, zo moet men kennen en weten wie Jezus is, wat God in Christus voor een arm, verloren zondaar zijn wil en is. Zal men Christus nu zó kennen, dan moet de Heilige Geest ons Christus bekend gemaakt hebben; en door die kennis worden we levend gemaakt. Christus zegt: “De ure komt en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven” (Joh. 5:25).

Een zaligmakende openbaring van Jezus Christus is een levendmakende openbaring. Want om tot Christus te komen, moet er leven zijn. Deze openbaring is verder een zielvernederende, een zielzaligende openbaring. Zal men tot Christus komen, zo moet ons worden getoond dat Hij ons wordt aangeboden. De moeilijke knoop moet voor ons worden losgemaakt, en de vraag “is het voor mij?” opgelost. Deze knoop is niet losgemaakt, deze vraag is niet beantwoord, voordat Christus en God in Christus ons is geopenbaard. Is ons dat geopenbaard, dan zien wij dat niet alleen anderen, maar ook ons vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit louter genade, alleen om der verdiensten van Christus wil (Heidelbergse Catechismus, antwoord 21). (…)

De openbaring van Christus om ons zalig te maken, is het enige middel om ons gewillig te maken. Niet zodra is ons Christus geopenbaard, of de ziel zegt: “Ziet, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE, onze God” (Jer. 3:22). En met de dichter van Psalm 36: “Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen” (vs. 8).

(Uit: Preek over Johannes 6:35)

Plaats een reactie