Wat is het verschil tussen het rabbinale Jodendom en het klassiek christelijke geloof? De blijvende betekenis van de Reformatie tegenover sacramentalistische vormen van christendom

Verbondsnomisme. Het hangt van ons af of wij in het verbond blijven

Het rabbinale Jodendom is de stroming binnen het Jodendom die na de val van de Tweede Tempel bleef voortbestaan. Ze is een voortzetting van de Schriftgeleerde en Farizese beweging die wij tegenkomen in het Nieuwe Testament. Andere stromingen binnen het Jodendom, zoals de Sadduceeërs en de Essenen, zijn na de val van de Tweede Tempel spoedig verdwenen.

Uiterlijk gezien was de christelijke kerk in de eerste eeuw eveneens een Joodse stroming. De volgelingen van de gekruisigde en opgestane Heere Jezus stonden bekend als ‘mensen van de weg’ of als de stroming van de Nazareners. Wat was nu het onderscheid tussen de Joden die Jezus als de Christus beleden en de proto-rabbinale stroming binnen het Jodendom (en later het rabbinale Jodendom)?

Dat antwoord ligt in de ernst en omvang van de zonde, en in verband daarmee het antwoord op de vraag of wij een Middelaar nodig hebben. Is de Messias alleen koning, of is Hij ook priester? Het rabbinale Jodendom kijkt anders tegen de ernst van de zonde aan; men wil niet weten van erfzonde. Men kijkt ook anders tegen het verbond aan.

Volgens het rabbinale Jodendom geldt van alle leden van het Joodse volk dat zij in het verbond zijn. Een bekende rabbinale uitspraak luidt: ‘Heel Israël heeft deel aan de toekomende wereld.’ Vervolgens geeft men aan dat toch niet élke Jood behouden wordt, waarna er wat uitzonderingen volgen. Maar zalig zijn en zalig blijven is regel, en verloren gaan is voor een verbondskind een randmogelijkheid.

In zijn boek Paul and Palestinian Judaism heeft de Amerikaanse geleerde E.P. Sanders het proto-rabbinale Jodendom uit de eerste eeuw na Chr. getypeerd als ‘verbondsnomisme’. Werken zijn nodig om in het verbond te blijven, maar niet om in het verbond te komen. Men behoort reeds tot het verbond, en dat is een zaak van verkiezing en genade.

In het latere Jodendom wordt gesteld dat vanuit het verbond met Noach heel de mensheid deelt in Gods gunst, en dat wie naar de Noachitische geboden leeft, deelt in de zaligheid. Voor het Joodse volk geldt het verbond met Abraham, Izak en Jakob en het verbond bij de Sinaï, en voor de heidenvolkeren het verbond met Noach. Terwijl een heiden in de zaligheid deelt als hij de Noachitische geboden houdt, geldt voor een Jood dat hij binnen het verbond blijft als hij naar de wetten van Mozes leeft.

Wie zo denkt, meent geen verzoening met God en geen wedergeboorte nodig te hebben. Als de relatie met God niet verbroken is, hebben we immers ook geen Middelaar nodig. Sanders meende dat het rabbinale Jodendom ten onrechte als een wettische godsdienst is gezien. Als we wetticisme en legalisme in heel beperkte zin opvatten is dat waar, maar vatten we het breder op, dan ligt dat anders. Het hangt namelijk van onze gehoorzaamheid af of wij in Gods verbond blijven.

De kern van de klassiek christelijke boodschap: verzoening met God door Christus’ bloed en wedergeboorte door Zijn Geest

Het klassiek christelijke geloof leert daarentegen dat wij verzoening met God en wedergeboorte nodig hebben. De verhouding met God is verbroken en wij kunnen die relatie niet van onszelf herstellen. Met Zijn dood aan het kruis heeft Christus de verzoening tot stand gebracht. God verzoent vijanden met Zichzelf door de dood van Zijn Zoon en behoudt hen door Zijn leven; dat wil zeggen: door Zijn voorbede aan de rechterhand van de Vader als de opgestane Levensvorst en biddende Hogepriester.

De prediking is het middel waardoor Christus tot ons komt. In Christus biedt God ons Zijn vriendschap aan. In Efeze 2:17 lezen we: ‘En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u die verre waart en dien die nabij waren.’ Daartoe zendt Christus nog altijd boodschappers van de zeer blijde boodschap van het Evangelie.

Die worden uitgezonden tot mensen die nabij zijn (dat wil zeggen: zij hebben van huis uit al van deze dingen gehoord). Zij worden ook gezonden tot mensen die verre zijn (mensen die er nooit van hebben gehoord). Beiden hebben hetzelfde nodig: verzoening met God, het ontvangen van vrede met God en toegang tot God.

Het is de Heilige Geest Die mensen die dood zijn in de misdaden en zonden levend maakt met Christus en hen zo met het geloof begiftigt. In zijn gesprek met de farizeeër Nicodemus had Jezus al gesproken over de noodzaak van wedergeboorte. Daar wist Nicodemus niets van. Hij meende als verbondskind reeds vrede met God te hebben. Hij moest echt leren zich met heel de wereld op één hoop te laten werpen. Heel de wereld — zowel verbondskinderen als degenen die buiten de lichtkring van het verbond zijn opgevoed — ligt verdoemelijk voor God.

Zalig zijn we als God ons, goddelozen, rechtvaardigt. Daaraan verbonden is dat Hij ons wederbaart door Zijn Geest. Verzoening met God, rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof als gave van God en wedergeboorte door Zijn Geest zijn de centrale waarheden van het klassiek christelijke geloof.

*

De noodzaak en zegen van de Reformatie

In de Middeleeuwen kreeg de christelijke kerk steeds meer een sacramentalistisch karakter. Onder christelijke vlag kreeg een vorm van verbondsnomisme gestalte in de kerk. ‘Door de doop ben je wedergeboren,’ zo werd geleerd, ‘en met Gods hulp moet je uit de genade die je in de doop ontving tot Gods eer zien te leven.’ Het is echter mogelijk de genade die je in de doop ontving weer te verspelen.

Tegen dit alles heeft de Reformatie zich gekeerd. De hoop dat de gehele kerk hervormd zou worden, ging niet in vervulling. Er kwam een breuk tussen de Kerk van de Reformatie (de Gereformeerde Katholieke Kerk) en Rome (de Rooms-Katholieke Kerk). Waar de Reformatie het geloof in Christus stelt dat de Heilige Geest met en door het Woord in ons werkt, stelt Rome de doop. Er is volgens die opvatting geen persoonlijke wedergeboorte en persoonlijke vrijspraak nodig.

Groen van Prinsterer vatte in zijn geschrift Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd de blijvende betekenis van de Reformatie als volgt samen:

‘Wicleff, Huss, Luther, Zwinglius, Calvijn, Spener, Whitefield en Wesley predikten dezelfde leer: volslagen bederf, verzoening in het bloed van Christus, noodzakelijkheid van bekeering en heiligmaking, het nietsbetekenende van eigen geregtigheid; dezelfde leer in al wat zaligheid raakt. Onderling, en met de gelovigen van alle tijden en kerkgenootschappen eensgezind, bouwden zij op het Evangelie en behoorden tot de algemeene christelijke kerk, aan geen tijd, of plaats, of kerkgenootschap verbonden, wier eenheid van geen pauselijk bestuur, maar van Gods Woord en Geest afhankelijk, niet materieel, zoo als in de roomsche kerk, maar geestelijk is.’

Rome is niet veranderd, maar menig protestant wel. Ook binnen het protestantisme werd zeker in de praktijk door menigeen de doop als garantie voor de zaligheid gezien. Protestantse theologen gingen leren: als lid van Christus’ kerk ben je vrijgesproken en wedergeboren; zaak is wel dat je ernaar leeft. Het lutherse protestantisme was daarbij van meet af aan vatbaarder voor sacramentalistische opvattingen dan het gereformeerde protestantisme.

Binnen het anglicaans christendom nam het sacramentalisme in de negentiende eeuw een hoge vlucht. Daarbij kon men wel aansluiten bij tendensen uit de eeuwen daarvoor, maar moest men ook afstand nemen van wat de Negenendertig Artikelen (de officiële geloofsbelijdenis van de Anglicaanse Kerk) leren. Daarin staat nadrukkelijk dat het geloof ons deel geeft aan Christus en dat de sacramenten ons alleen van nut zijn als we die in geloof ontvangen.

Evenals Rome stellen sacramentalistische protestantse theologen: ‘Door de doop word je écht een kind van God. Punt.’ Het verschil is dat men meer relationeel en minder substantieel denkt dan Rome, maar verder denkt men op het essentiële punt van hoe een liefdesrelatie met God ontstaat gelijk: er wordt eenvoudig naar de doop gewezen. Daarom is het niet bevreemdend als protestanten die zo denken, bij kerkelijke eenheid ook Rome in het vizier hebben.

Feitelijk verschillen sacramentalistische vormen van christendom niet echt van het verbondsnomisme van het Jodendom. Weliswaar wordt Jezus als Zaligmaker beleden en over de Heilige Geest gesproken, maar omdat elk verbondskind reeds in Christus is (tenzij hij de gehoorzaamheid aan Hem opzegt) en reeds Gods Geest heeft (tenzij men Die uitblust), reikt men elkaar de hand als het gaat over het karakter van het verbond. Eigenlijk is het genadeverbond zo een soort werkverbond: we zijn erin, maar wij moeten aan de slag om dat te laten zien en erin te blijven.

*

De actualiteit van de Reformatie voor het protestantisme zelf

Dit alles laat zien hoe actueel de boodschap van de Reformatie nog altijd is. De Reformatie ontstond doordat men weer een helder zicht kreeg op de boodschap van de Bijbel. Elke generatie moet de kracht van het Evangelie persoonlijk leren kennen. We zijn bevoorrecht als wij er van huis uit mee in contact kwamen, maar zalig zijn we als we van harte in kunnen stemmen met wat Paulus aan de gemeente van Efeze schreef: ‘Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden).’

De anglicaanse bisschop J.C. Ryle keerde zich in de negentiende eeuw zeer krachtig tegen het sacramentalisme in zijn kerk. Vrijblijvend was zijn prediking allerminst; hij riep zeer indringend op tot geloof en bekering. Heel duidelijk kwam in zijn preken naar voren dat het ontvangen van de doop en het deelnemen aan het avondmaal ons niet tot een ware christen maken. Daarvoor is wedergeboorte nodig. Het onderscheid tussen wedergeboren en niet-wedergeboren christenen komt in al zijn preken naar voren. Daarbij leerde hij dat een boom aan zijn vruchten wordt gekend.

Als het gaat om de zienswijze ‘Door de doop word je écht een kind van God. Punt.’, stem ik volledig in met de beoordeling van deze anglicaanse bisschop. Hij zag dat als vergif voor de ziel en waarschuwde zeer ernstig om je ziel daarmee niet 52 zondagen per jaar te laten vergiftigen. Een predikant die met zo’n boodschap tot zijn hoorders komt, is een blinde leidsman van blinden, die wij nooit als leidsman mogen nemen, maar voor wiens bekering wij wel vurig moeten bidden.

In de achttiende en later ook in de negentiende eeuw is dat trouwens met meerdere theologiestudenten en predikanten in de Anglicaanse Kerk gebeurd. Waar zij eerst leerden ‘met de doop ben je een kind van God en leef daar ook naar’, gingen zij door genade het Evangelie van verzoening met God door Christus’ bloed verkondigen; een verzoening waaraan je deel krijgt als je Christus omhelst. Wie dat doet, kan alleen maar zeggen: ‘Ik kreeg Hem lief, omdat Hij mij eerst heeft liefgehad.’

We werden zalig niet in de weg van een genadeverbond dat feitelijk een soort werkverbond was, maar echt in de weg van het genadeverbond en zo leerden wij roemen: ‘Gij toch, Gij zijt onze roem, de kracht van onze kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht.’

Niet door de doop – of wij die nu op volwassen leeftijd hebben ontvangen of als kind – worden wij een kind van God maar als wij het Evangelie aannemen, en de Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelzen (Dordtse Leerregels I, 4). Ik noem hier ook het prachtige antwoord dat in de Shorter Catechism (Korte Catechismus van Westminster) wordt gegeven op de vraag wat de krachtdadige roeping inhoudt. Dat antwoord luidt: ‘De krachtdadige roeping is het werk van Gods Geest, waarmee Hij, door ons te overtuigen van onze zonde en ellende, onze geest te verlichten in de kennis van Christus en onze wil te vernieuwen, ons overtuigt en in staat stelt Jezus Christus te omarmen, die ons vrijelijk wordt aangeboden in het evangelie.’

Ten slotte wijs ik op de omschrijving die Abraham Hellenbroek in zijn boekje Voorbeeld der goddelijke waarheden geeft van de verandering die zich in de mens voltrekt bij de inwendige roeping: ‘Het verstand wordt verlicht, om God te kennen in Zijn algenoegzaamheid, Jezus in Zijn dierbaarheid, en zichzelf in zijn vloekwaardigheid. De wil om God te dienen en te verheerlijken. De hartstochten worden gezuiverd, om de zonde te haten, daarentegen God te beminnen als het hoogste Goed, en een lust tot heiligheid, enz.’

Het belangrijkst is wat de Schrift zelf zegt. Dan citeer ik Johannes 1:12–13: ‘ Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn.’ In het hart van kinderen kan God dit geloof reeds als zaad leggen. Dat zal als we afzien van jonggestorven kinderen eerder uitzondering dan regel zijn. Calvijn zei dat wij kinderen dopen met het oog op hun toekomstige bekering en toekomstig geloof.

Nooit mogen wij vergeten dat wij en onze kinderen kinderen des toorns zijn en het koninkrijk van God niet kunnen binnengaan, tenzij wij opnieuw geboren worden. Heel expliciet wordt dit verwoord in de klassiek gereformeerde formulieren voor zowel het dopen van kinderen als van volwassenen. Dat degenen die als kind gedoopt zijn, dit als volwassenen horen, is een appel tot zelfonderzoek. Nu, werd ik als kind gedoopt, maar heb ik nu ook reeds de dood in mijzelf gevonden en het leven en de zaligheid buiten mijzelf in Christus leren zoeken? Dood ik mijn oude natuur en wandel ik in een godzalig leven?

Zo maakt het doopsformulier ons duidelijk dat we in het verbond kunnen zijn en toch niet van het verbond, in de kerk en toch niet van de kerk (vgl. artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Als we niet alleen in het verbond maar ook van het verbond zijn verzekert niet alleen de doop maar ook het avondmaal ons opdat wij vast mogen geloven dat wij tot dit genadeverbond behoren en dat de Heilige Geest ons dagelijks blijft vernieuwen en wij uiteindelijk onbevlekt in het eeuwige leven onder de gemeente van Gods uitverkorenen worden gesteld. Niets zal ons in dit leven van Zijn liefde scheiden.

Een kind van God mag zingen: ‘Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen.’ Het wordt ‘opdat’ dat in dit kader in het klassiek gereformeerde avondmaalsformulier wordt gebruikt laat ons zien dat doop en avondmaal niet een liefdesrelatie verzegelen die toch noch door ons kan worden verbroken. God Die de Zijnen met het geloof begiftigd, kan wel toelaten dat de Zijnen diep vallen (waarvoor ons God genadig moge verhoeden), maar niet dat zij afvallen.

Ik denk ook aan het eerste en laatste couplet van het meest gezongen lied ter wereld waarbij men bede is dat mensen het niet alleen met hun mond, maar ook met hun hart leren zingen. Dat zal dan daarmee beginnen dat men zich gaat realiseren wat men zingt:

Amazing grace, how sweet the sound,

That saved a wretch like me;

I once was lost, but now am found;

Was blind, but now I see.

*

The earth shall soon dissolve like snow,

The sun forbear to shine:

But God, who called me here below,

Will be for ever mine.

Inmiddels zijn er sacramentalistische theologen die dat beweren dat ook al breekt de mens het verbond, de mens toch in Gods genade blijft delen. Dan gaat men ervan uit dat elke gedoopte niet alleen in het verbond maar ook van het verbond is en dat elke gedoopte zelfs al zou hij met de christelijke kerk breken, behouden wordt. Dan vervalt de absolute noodzaak van persoonlijk geloof en persoonlijke bekering. Vroegere generaties van sacramentalistische theologen gingen daarentegen nadrukkelijk uit van de afval van de heiligen. Wie in welbewust en hardnekkig ongeloof volhardt, gaat verloren.

De Schrift en de gereformeerde belijdenis als getrouwe samenvatting van haar kern boodschap leren dat ‘Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk van God niet zien.’ (Joh. 3:3). We zijn óf een kind des toorns en der ongehoorzaamheid of een kind van God dat wedergeboren is tot een levende hoop. Het is niet zo dat wij het dit tegelijkertijd kunne zijn. We zijn óf onder de wet óf onder de genade. Niet door de doop maar door een levend geloof dat de Heilige Geest in ons hart ontsteekt, gaan we de nieuwe werkelijkheid van Gods koninkrijk binnen. Wie nalaat dat te leren en anderen daarin te onderwijzen, snijdt het hart weg uit de bijbelse en gereformeerde leer.

Wie het onderscheid tussen kinderen des toorns en hen die wedergeboren zijn loslaat en meent dat men beiden kan zijn, kan geen recht meer doen aan de bijbelse boodschap van de twee wegen. Die loopt vast met het antwoord op de vraag in de Heidelbergse Catechismus dat ‘volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en iedereen, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls als zij de belofte van het Evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus’ wil, vergeven zijn; daarentegen allen ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren; naar welk getuigenis van het Evangelie God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven.’

Als het goed is, zien ouders die hun kind lieten dopen er naar uit dat zij bij het opgroeien van hun kinderen of als zij volwassen zijn geworden, ernaar dat zij mogen werken dat zij door een levend geloof het eigendom van Christus zijn geworden en daarom uit Hem en voor Hem leven. Voor ons allen is de vraag of dat ons geldt. Is dat niet het geval dan getuigt onze doop – en als wij aan het avondmaal gaan ook onze avondmaalsgang – tegen ons. De sacramenten versterken wel het geloof maar bewerken het niet. De allerbelangrijkste vraag is: ‘Wat dunkt u van de Christus?’ Kennen wij Hem als de enige en volkomen Zaligmaker tot Wie wij dagelijks de toevlucht nemen.

Mijn bede is dat alle lezers van deze weblog zo de kracht van het Evangelie leren kennen en gaan belijden. Dan hoeven we niet kunstmatig voor kerkelijke eenheid te kiezen, maar is die eenheid er al: een eenheid in het allerheiligst geloof. Wel mogen we bidden of die eenheid in meer dan één opzicht verder gestalte krijgt. Laten we het goede voor elkaar zoeken en anderen die de kracht van het Evangelie zo niet kennen van die kracht betuigen.

Ik besluit met een gezang van de anglicaanse prediker John Newton, voor wie evenals later voor Ryle gold dat hij allereerst een christen was en dan pas anglicaan:

May the grace of Christ, our Saviour,

And the Father’s boundless love,

With the Holy Spirit’s favour,

Rest upon us from above.

Thus may we abide in union

With each other and the Lord;

And possess, in sweet communion,

Joys which earth cannot afford.

Geef een reactie