In het verleden ligt het heden. Lessen uit de geschiedenis van de Gereformeerde Bond

Inleiding

Velen, zowel binnen als buiten de Hervormde Kerk van vóór 2004 zetten een isgelijkteken tussen de hervormd-gereformeerde richting en de Gereformeerde Bond. Soms wordt ook de indruk ge­wekt dat er pas vanaf 1906 sprake zou zijn van een georganiseerde hervormd-gereformeerde beweging met de oprichting van de Gereformeerde Bond. Noch het een, noch het ander is het geval. Organisatie rond haar belijdenis vanwege het leerverval van de Hervormde Kerk begon al in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Naast de Confessionele Vereniging moeten de plaat­selijke, provinciale verenigingen en de lan­delijke vereniging van Vrienden der Waarheid wor­den genoemd. Laten we daarbij niet vergeten dat deze verenigingen predikanten onder haar leden telden die zich helemaal herkenden in de theologie en godsvrucht van de Nadere Reformatie. Vooral van meer bevindelijke, her­vormd-gerefor­meerde predi-kanten gold dat zij zich niet organiseerden.

De Vrienden der Waarheid gaven in 1886 onvoorwaardelijke steun aan de Doleantie. Daarmee kwam er een einde aan het bestaan van deze vereniging. In de Nederduits Gereformeerde Kerken, voort­gekomen uit de Doleantie, zagen zij hun ideaal verwerkelijkt. Een aantal predikanten be­horend tot de Confes­sio­nele Vereniging ging met de Doleantie mee. De meesten bleven echter de Hervormde Kerk trouw. We kunnen hier de naam van de leidinggevende confessionele theo­loog Ph.J. Hoedemaker noe­men.

Dat in 1906 naast de Confessionele Vereniging de Gerefor­meerde Bond ontstond, heeft een aantal oorzaken. Het is wel zeker dat de geschiedenis van de hervormd-gere­formeerde richting er anders uit had gezien als de Gereformeerde Bond niet was opgericht. Het heeft weinig zin erover te speculeren wat er dan anders zou zijn gegaan. Wie wil weten hoe het metterdaad ging, kan ik wijzen op een bundel die in 2015 bij uitgeverij Labarum Academic te Apeldoorn verscheen. Het gaat om Bonders in opmars. Hervormd-gereformeerden 1890-1960 onder redactie van John Exalto en Fred van Lieburg.

 

Redenen voor het ontstaan van de Gereformeerde Bond

De Confessionele Vereniging had als geheel al vanaf haar oprichting een wat ambivalente hou­ding ten opzichte van de Dordtse Leerregels. De daar beleden leerstukken van de verkiezing en de particuliere ver­zoening wilde men als vereniging niet tot inzet maken van de strijd tot het her­stel van de Her-vormde Kerk. Zowel onder het kerkvolk als onder de predikanten was een deel dat zich daar nooit in heeft kun­nen vinden.

Volgens meerderen rond het begin van de twintigste eeuw legde de confessionele voorman Hoedemaker zozeer de nadruk op de Her­vormde Kerk als geheel dat de notie dat de kerk overal te vinden is waar in een plaatselijke ge­meente het Woord recht verkondigd wordt, onder druk kwam te staan. Enerzijds kon hij theologisch geen plaats geven aan het feit dat de Kerk van Christus ook buiten de Hervormde Kerk is te vinden. Anderzijds dreigde de wel heel sterke nadruk op het vasthouden van de Hervormde kerk als geheel het belang van de gereformeerde belijdenis te relativeren.

Als het ging om het laatste werkte de samen­werking die Hoedemaker aan het einde van zijn leven zocht met de ethische voorman J.H. Gunning jr. vervreemdend voor de andere hervormd-gerefor-meerden. Gunning had op meerdere pun­ten zijn reserves ten opzichte van de gerefor­meerde belijde-nis. Dat gold niet alleen de ver­kie­zingsleer zoals die in de Dordtse Leerregels wordt bele­den, maar ook de Schriftleer. Gunning meende dat een gelovig gebruik kon worden gemaakt van de historisch-kritische methode.

Al deze zaken schepten een klimaat dat ruimte bood voor nieuwe organisatievorming van her­vormd-gereformeerden binnen de Hervormde Kerk. Dat begon in 1901 met de oprichting van de Gerefor­meerde Zendingsbond. In 1886 was de reeds bestaande gereformeerde zendings­ver­eni­­ging met de Doleantie meegegaan. Katalysator voor het ontstaan van de Gereformeerde Bond in 1906 was het feit dat in 1905 de Antirevolutionaire Partij een zware verkiezings­neder­laag had geleden en dat de Hervormde synode in datzelfde jaar de schorsing van ds. Louis Adriën Bähler door de classis nietig had verklaard omdat deze Boeddha boven Christus stelde.

Terwijl de Confessionele Vereniging nauw verbonden was met de Christelijke Historische Unie, gold dat voor de Gereformeerd Bond ten aanzien van de Antirevolutionaire Partij. Dat zou pas na de Tweede Wereldoorlog veranderen. Met ds. W.L. Tukker kwam er voor het eerst een lid van de SGP in het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Door veranderingen van koers en geestelijk klimaat van de Antirevolutionaire Partij werd de afstand tussen deze partij en de Gere­formeerde Bond, die al voor de Tweede Wereldoorlog zichtbaar was, in de loop van de jaren steeds groter.

De Gereformeerde Bond werd opgericht met als doel de Hervormde Kerk uit haar diepe verval te verheffen. Onverkort wilde men de gehele gereformeerde belijdenis handhaven, inclusief de Dordtse Leerregels. Daarnaast legde men bij de oprichting in een onveranderlijk artikel vast dat men wenste terug te keren tot de Dordtse Kerkorde. Concreet ging het er daarbij om dat men in de erediensten naast de Psalmen enkel de Enige Gezangen wilde gebruiken, waarvan het zingen door de Dordtse Kerkorde gelegitimeerd was.

Met de invoering van de Evangelische Gezangenbundel in 1807 was er in de Hervormde Kerk de verplichting gekomen minimaal één gezang in de dienst op te geven. Toen in 1860 die ver­plich­ting werd afgeschaft, waren er direct een aantal gemeenten en predikanten die het gezang prijsgaven. Toen de Confessionele Vereniging werd opgericht, werden ook predikanten lid die in de diensten geen gezang opgaven. Zij werden door het kerkvolk ‘confessionelen zonder gezang’’ ge­noemd. Hugo Visscher en Jan Daniël de Lind van Wijngaarden behoorden tot hun bedanken voor de Con­fessionele Vereniging in 1895 bij deze categorie. In dat jaar startten zij samen Het Gereformeerde Weekblad, een periodiek die pas na 2004 ophield te verschijnen en vele jaren een eigen plaats heeft gehad in de hervormd-gereformeerde richting.

Concreet werd het niet zingen van gezangen een uiterlijk kenmerk, waarmee het gewone kerk­volk onderscheid maakte tussen een gemeente die zich op de Gereformeerde Bond oriënteerde en een gemeente die op de Confessionele Vereniging was gericht. Omgekeerd heeft het er ook toe geleid dat elke gemeente die in de eredienst alleen Psalmen zong, tot de Gereformeerde Bond werd gerekend, ook al had de Gereformeerde Bond binnen zo’n gemeente niet tot nauwelijks invloed.

Van confessionele zijde is de Gereformeerde Bond wel verweten dat zij louter om kerkpolitieke rede-nen de gezangenkwestie zo hoog opnam. Dat lijkt mij echter niet terecht. Het alleen zingen van Psalmen in de eredienst heeft oude papieren en is nauw verbonden met de gereformeerde Refor-matie. Ten onrechte wordt wel eens gemeend dat het een louter Nederlandse kwestie is. In Schotland en Ierland was men zelfs strikter dan in Nederland en was er ook voor een berijming van de Tien Geboden, het Onze Vader, de Lofzang van Maria en Zacharias enz. geen plaats in de eredienst. Nog altijd zijn er daar kerken die dit principe handhaven.

 

De Gereformeerde Bond en de hervormd-gereformeerde richting

Het is bepaald niet zo dat met de oprichting van de Gereformeerde Bond alle predikanten van hervormd-gereformeerde richting zich bij deze Bond voegden. Integendeel, aanvankelijk was het aantal predikanten dat lid werd van de Gereformeerde Bond onbeduidend. Terwijl er ruim tweehon-derd hervormde gemeenten waren die in de erediensten enkel Psalmen lieten zingen, meldden zich aanvankelijk nog geen twintig predikanten als lid van de Gereformeerde Bond.

Afgezien van de liturgie zijn de gren­zen naar bijvoorbeeld de Confessionele Vereniging qua theologie en predi­king altijd vloei­end gebleven. In de kring van de Confessionele Vereniging ging men in de loop van de jaren steeds meer ruimte bieden aan een lossere binding aan de gereformeerde belijdenis. Echter, heel lang telde zij predikanten in haar midden die zeker ernst wilden maken met de inhoud van de confessie. Daarbij moeten wij bedenken dat er zeker in de eerste helft van de twin­tigste eeuw nog confessionele predikanten waren die ook aan het bevindelijke element in de prediking aandacht gaven. In Elspeet werd onder oudere zeer bevindelijke gemeen­te­leden de naam van ds. Berenkamp uit Nunspeet met ere genoemd. Hij preekte de ene Naam tot zaligheid, de twee wegen en de drie stukken.

Zelf ben ik afkomstig uit de Gereformeerde Samenkomst van Alblasserdam, een gemeente die zich na 2004 aansloot bij de Hersteld Hervormde Kerk. De Hervormde Gemeente van Alblas­serdam verschoof in de tweede helft van de negentiende eeuw van de ethische naar de confes­sionele richting. Een van haar predikanten uit de eerste helft van de vorige eeuw was G.P. van Itterzon die in 1956 tot hoog­leraar kerkgeschiedenis aan de rijksuniversiteit van Utrecht werd benoemd. Dhr. W. Verloop, die jarenlang in het kerkbestuur van de Gereformeerde Samen­komst heeft gezeten, heb ik meer dan eens in positieve zin over Van Itterzon horen spreken. Hij noemde uitdruk­kelijk diens waar­dering voor Bunyan. ‘Er waren’, zo zei hij, ‘genoeg bonds­pre­di­kanten die qua diepgang de min­dere waren van Van Itterzon.’

Toen ik in Utrecht aankwam, was Van Itterzon al met emeritaat. Wel gaf hij nog eindkritiek op preek­­vergaderingen van het dispuut Voetius. Aan die eindkritiek bewaar ik goede herinneringen. De meeste leden van Voetius kwamen uit de kring van de Gereformeerde Bond. Van Itterzon bracht ooit bij de kritiek op een preek van een bondsstudent het volgende naar voren: ‘Ik hoop aan­staande zondag in Bodegraven te preken in een wijkgemeente die wordt gerekend tot de Gere­formeerde Bond. Als ik deze preekoefening daar als preek zou houden, zouden zij mij wel een beetje licht vinden en dan zouden zij nog geen ongelijk hebben ook.’

Mijn goede vriend de weleerwaarde heer L. van der Sluijs woonde na de oprichting ervan altijd de vergaderingen van Het Gekrookte Riet bij. Juist daarom acht ik het van belang om zijn kijk op de dingen weer te geven. Met vreugde kon hij terugdenken aan confessionele predikanten die hij als jongeman had ontmoet. Hij zei me eens: ‘Die echte, oude confessionelen daar kan menig bonder van nu niet tegen op. Dat waren levende, bevindelijke mensen. Ze lieten alleen in de dienst één gezang zingen.’

Het feit dat vooral na de Tweede Wereldoorlog steeds meer van ouds confessionele gemeenten een Gereformeerde Bonder gingen beroepen, is mede te verklaren uit het feit dat het type con­fessioneel predikant steeds moeilijker te vinden was. In een artikel dat hij in de bundel Beproefde trouw, uitgegeven ter gelegenheid van het vijfenzeventigjarig bestaan van de Gere­for­meerde Bond schreef, heeft prof. dr. C. Graafland aangegeven dat naast een stroming die nauw aan de Confessionele Vereniging ver­want was, de Gereformeerde Bond een kuyperiaanse en een bevindelijke stroming her­bergde. Zonder meer is dit een zeer zinvolle typering, al zou ik wel meer dan Graafland doet, naar voren willen brengen dat de grenzen tussen deze drie stromingen vloeiend waren.

Hoewel zij niet met de Doleantie mee waren gegaan, dachten Visscher en De Lind van Wijn­gaarden niet alleen in politiek, maar ook in kerkelijk opzicht sterk kuyperiaans. Zij wensten de Her­vormde Kerk vrij te maken van de organisatievorm die haar in 1816 was opgelegd. De Her­vormde Kerk als geheel gaven zij eigenlijk op. Dat lag anders bij Van Grieken en Jongebreur. Mede onder hun invloed werden de statuten van de Gereformeerde Bond in 1909 gewijzigd. Echter, in onderscheid met de Confes-sionele Ver­eniging wensten Van Grieken en Jongebreur wel dat de Hervormde Kerk onverkort de belij­denis zou handhaven. Het zogenaamde volks­kerkideaal, waarbij de gereformeerde belij­denis op de twee­de plaats kwam staan, zoals de meeste confessionelen dat hadden, werd door alle ver­tegen­woordigers van de Gereformeerde Bond van de hand gewezen.

Naast predikanten die zich oriënteerden op Kohlbrugge waren het vooral predikanten die sterk leefden bij het geestelijke erfgoed van de Nadere Reformatie die hun aarzelingen hadden bij de Gereformeerde Bond. Zo zijn ds. B. van der Wal, ds. W.R. Kalshoven. Ds. P. Kruijt en ds. P. Zandt, die jarenlang voor de SGP in de Tweede Kamer zat, nooit lid geweest van de Gere­formeerde Bond. Allen waren gerespecteerde hervormd-gereformeerde predikanten. De inte­gratie van de meer bevindelijke stroming onder de hervormd-gere­for­meerden bin­nen de Gere­for­meerde Bond heeft lang geduurd en is nooit volledig ge­weest.

Onder het voor­zit­ter­schap van Boer krijgt deze maximaal gestalte. Vanaf de jaren vijftig tot tachtig van de vori­ge eeuw vallen de Gereformeerd Bond en de hervormd-gerefor­­meerde rich­ting bijna samen. Echter, ook na de Tweede Wereldoorlog is een bekend hervormd-gereformeerd predi­kant als ds. J.T. Doornenbal welbewust nooit lid geweest van de Gereformeerde Bond, al steunde hij wel van ganser harte de Gereformeerde Zendingsbond.

Afkomstig uit de Alblasserwaard weet ik van heel nabij van de ambivalente houding van meer­dere bevindelijke hervormd-gereformeerden ten opzichte van de Gereformeerde Bond. Een uitspraak die ik uit de mond van één van hen hoorde, is typerend: ‘Ik heb heel veel achting voor ds. Tukker, ook al is hij voorzitter van de Gereformeerde Bond’. De ambivalentie ten aanzien van de Gereformeerde Bond had ermee te maken dat men bij de Bond toch teveel kuyperiaans activisme vond en daarnaast dat het bestaan van een bond als zodanig onwillekeurig de aan­dacht afleidde van de Hervormde Kerk.

De persoon en levensgang van Zandt illustreert dat de hervormd-gereformeerde stroming en de Gereformeerde Bond niet helemaal met elkaar gelijk te stellen zijn. Zandt was afkomstig uit een Gronings gezin dat bij de belijdenis (confessie) van de Hervormde Kerk wilde leven. Zandt zou later altijd met achting over de godsvrucht van vooral zijn moeder spreken. Zij heeft op hem een on­uit­wisbare indruk gemaakt. Onder studenten viel hij op door zijn belangstelling voor de zen­ding en zijn afkeer van groepsvorming.

In zijn studententijd groeide hij feitelijk weg van datgene waarbij hij was opgevoed. Dat zou aan het einde van zijn studententijd veranderen. Naar eigen getui­genis werd hij onder het lezen van de Duitse filosoof Hegel ‘door één van Gods pijlen als een vogel uit een boom geschoten’. Hij begon nu de geschriften van oudvaders te lezen. Het neo­­calvinisme bekoorde hem niet. Wel miste hij aanvankelijk de zekerheid dat hij Christus toe­be­hoorde. Dat zou pas in zijn tweede gemeente Loon op Zand veranderen.

De eerste gemeente van Zandt was Kamperveen. Dat Zandt geen bonder was, bleek uiterlijk uit het feit dat hij een gezang liet zingen. Van huis uit was Zandt onbekend met bezwaren tegen het zingen van gezangen. Toch kreeg hijzelf er als predikant spoedig steeds meer moeite mee. Niet in het minst, omdat juist de gemeenteleden met wie hij zich het meest verbonden wist, geen gezangen wilden zingen. Vrij geruisloos is Zandt ervan afgestapt in de diensten gezangen op te geven. Tot een lidmaat-schap van de Gereformeerde Bond kwam het echter niet.

Zandt stond veel kritischer ten opzichte van de Antirevolutionaire Partij dan de leiding van de Gere-formeerde Bond. Terwijl in die dagen de leiding van de Gereformeerde Bond weinig tot geen moeite had met de visie van Kuyper op artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis stond Zandt, even­als trouwens Ph.J. Hoedemaker voor onverkorte handhaving van dit artikel. Dat ver­klaart ook dat toen na de Tweede Wereldoorlog de Christelijk Historische Unie steeds meer van haar wor­tels vervreemde er hier en daar confessioneel hervormden waren die in ieder geval landelijk SGP stemden. Tegelijkertijd was Zandt veel meer een uitge­sproken Schrif­tuurlijk-bevin­d­elijk pre­diker dan menig predikant van de Gereformeerde Bond.

In Delft heeft Zandt predikanten van de Gereformeerde Bond naast zich gehad. Ik denk aan ds. J. Fokkema en ds. M. van Grieken. De relatie met hen was zeer gespannen. Dat zou later met ds. Tukker die ook de Delftse gemeenten heeft gediend, anders zijn. Tussen de prediking van Zandt en die van Van Grieken en Fokkema waren behoorlijke verschillen. De prediking van Zandt was veel ernstiger, waarschuwender en onderscheidenlijker. Tegelijkertijd had Zandt veel meer dan Van Grieken het vermogen om onderscheid te maken tussen personen en zaken.

Van Grieken was zozeer een partijman dat hem dit moeilijk afging. Na het sterven van Zandt schreef ds. A. de Voogd, een Delftse predikant die behoorde tot de ethische richting, een ontroerend in memoriam waarin hij verhaalde dat hij aan het ziekbed van Zandt voor hem had mogen bidden. Zo laat de persoon van Zandt ons zien dat we moeten oppassen mensen op grond van bepaalde opvattingen die zij hebben, al te zeer in een bepaald vakje te plaatsen. Ik moet eerlijk zeggen dat Zandt mij hierin zeer sympathiek is.

 

De Gereformeerde Bond. Haar opmars en betekenis voor kerk en theologie

Vanaf haar oprichting tot aan de jaren tachtig was er sprake van een gestadige opmars van de Gereformeerde Bond. Ongetwijfeld heeft het studiefonds dat de Gereformeerde Bond in het leven riep, hiermee te maken. Het grote predikantentekort in de Hervormde Kerk voor ge­meen­ten die een predikant van gereformeerde richting wensten, is een stimulans geweest dit fonds op te richten. Mannen die anders niet de mogelijkheid hadden gehad de studie tot predi­kant te volgen, werden nu daartoe mede door de Gereformeerde Bond in staat gesteld. Op zijn minst maak­te het de financiële zorgen van studenten minder. Boze tongen hebben wel beweerd dat stu­denten die anders wellicht zich meer op de Confessionele Vereniging hadden georiën­teerd, nu voor de Gereformeerde Bond kozen. Wellicht zijn daar voorbeelden van te geven, maar dat was toch geen algemeen patroon.

Niet in de laatste plaats ligt de betekenis van de Gereformeerde Bond in het feit dat in de loop van tientallen jaren jongemannen in staat wer­den gesteld te studeren en vervolgens als predikant een Bijbelse en gereformeerde pre­di­king te brengen. Toch ligt de betekenis van de Gere­for­meerde Bond vooral op het vlak van de plaatselijke gemeenten. In plaatselijke gemeenten klonk een prediking naar Schrift en belijdenis. Was dat niet het geval, dan stimu­leerde de Gere­for­meerde Bond het oprichten van een evangelisatie.

Dat de prediking van de een dan toch hel­der­der was dan van de ander is een feit. Dat is door de eeuwen zo geweest. Wie de kerkgeschie­de­nis bestu­deert, ziet niet alleen voorbeelden van Gods zorg en leiding over Zijn Kerk, maar ook dat de Kerk in haar concrete vorm nooit vrij was van wangestalten en van kleinmenselijke over­we­gingen. Meer dan eens lopen die twee helemaal door elkaar. De geschie­denis van de Gere­for­meerde Bond is op die regel geen uitzondering.

Naast het studiefonds was er het leerstoelfonds. Dat fonds had als doelstelling bijzondere leer­stoelen in te stellen aan rijksuniversiteiten opdat ook aan de academie de gereformeerde leer verbreid en verdedigd werd. Vele jaren heeft Hugo Visscher aan de rijksuniversiteit van Utrecht naast zijn gewone leerstoel een bijzondere leerstoel voor de Gereformeerde Bond ver­vuld. De verhouding tussen de Gereformeerde Bond en Visscher was spanningsvol, maar er is wel gezegd dat de Gereformeerde Bond niet om Visscher heen kon en Visscher niet om de Gere­for­meerde Bond. Aan de theologische faculteit van Utrecht was naast Visscher de nieuwtes­tamen­ticus prof. dr. J.A.C. van Leeuwen lid van de Gereformeerde Bond. Toen de laatste met emeritaat ging was er geen man van gereformeerd beginselen die hem als nieuwtestamenticus kon opvolgen. Toen Visscher als gewoon hoogleraar met emeritaat ging volgde de Gereformeerde Bonder J. Severijn hem op.

Wie de geschiedenis van de Gereformeerde Bond bestudeert, ziet echter dat zij academisch veel minder heeft betekend dan op het terrein van het gemeenteleven. Nu klopt ongetwijfeld het hart van de christelijke kerk in de prediking en op het niveau van de plaatselijke gemeente. Toch ligt hier wel een zwakte van de Gereformeerde Bond. Het geringe aantal hoogleraren en uni­ver­sitaire docenten dat tot de Gereformeerde Bond kan worden gerekend, kan niet alleen aan onwil van de overheid of van de Hervormde synode wor­den toegeschreven om mannen van deze signatuur te be­noemen. De omvang van de Gereformeerd Bond in ogenschouw ne­mend, was het aantal gepromoveerden in haar midden lange tijd laag. Daar kwam bij dat de promoties vrijwel uitsluitend op het terrein van de kerkgeschiedenis lagen.

Vooral op het gebied van de Bijbelvakken maar ook op andere terreinen leunde men zwaar aan tegen de Gereformeerde Kerken. Dat gold overigens ook van andere delen van de gerefor­meer­de gezindte. In de jaren zestig begonnen binnen de Gereformeerde Kerken grote ver­schuiv­ingen op te treden. Verschuivingen die niet alleen grote gevolgen hadden voor de Gere­for­­­­meerde Kerken zelf, maar ook voor de gehele gereformeerde gezindte. Wilde men trouw blij­ven aan de gereformeerde belijdenis, dan kon men niet langer aanleunen tegen de Gerefor­meerde Kerken.

Hoe de geschie­denis van de Hervormde Kerk in de twintigste eeuw verlopen zou zijn zonder de Gereformeerde Bond is moeilijk te zeggen. John Exalto en Fred van Lieburg, de redacteuren van de bundel Bonders in opmars zien de oprichting van de Gereformeerde Bond als een weef­fout. Zij betwis­ten dat de Gereformeerd Bond echt redenen van bestaan had naast de Confes­sio­nele Vereni­ging. Ik kan daarin niet zonder meer met hen meegaan.

Ik meen dat het een zwakte van de Gereformeerde Bond was dat zij soms te veel haar kracht zocht in organisatievorming. Heel nauwkeurig werd afgebakend welke ge­meenten tot haar gerekend kon­­den worden en welke niet. Daarom telde men gemakshalve alle gemeenten mee waar geen gezang werd gezongen. Vooral het zogenaamde schippers­boekje had daarbij een belang­rijke plaats. Het is het boekje dat de namen en adresgegevens van predikanten behorend tot de Gere­formeerde Bond bevat. Het dankt zijn naam aan het aan het feit dat het bedoeld was om schippers te helpen gemeenten te vinden waar zij een gerefor­meerde prediking konden horen.

Het was beter geweest als men zich louter op het verbreiden en verdedigen van de gerefor­meerde leer had gericht en het zoveel mogelijk aan predikanten zelf had overgelaten om naar buiten te brengen of men bij de Gereformeerde Bond behoorde. Maar ook dan zou de feitelijke geschie­denis vlekken en rimpels hebben vertoond. Helemaal merkwaardig is dat in het adres­senboekje ook namen opgenomen werden van predikanten die geen lid waren van de Gere­formeerde Bond. Het is een symptoom dat de Gereformeerde Bond sterk de neiging had mensen en gemeenten te willen annexeren.

Hoe dan ook blijft staan dat een deel van de predikanten die naar Schrift en belijdenis preekten zich nooit bij de Confessionele Vereniging had aangesloten. Was de Gereformeerde Bond niet op­ge­richt dan hadden gemeenten en predikanten die op ondubbelzinnige wijze aan de gereformeerde belijdenis wil­den vasthouden, op een andere wijze bovenplaatselijk contact met elkaar gezocht.

Het is een sociologisch gegeven, dat als een wat omvangrijkere groep via be­staan­de kanalen en wegen haar stem te weinig vertolkt ziet, zij zelf naar nieuwe wegen gaat zoeken. Temeer omdat van een on­dubbelzinnige binding aan de confessie in de kring van de Con­­fessionele Vereniging in de loop van de jaren steeds minder sprake was. Deze ontwikkelingen hebben het ontstaan van de Gereformeerde Bond alleen maar verder gestimuleerd. Een ver­snel­ling van het weg groeien van de belijdenis bij de confessionelen had plaats toen meerdere voor­man­nen in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog de opkomende theologie van Karl Barth omarmden.

 

Is de Gereformeerde Bond verschoven?

Als het gaat om de bundel Bonders in opmars vind ik een van de meest intrigerende bijdragen die van Mirjam Hofman. Ongetwijfeld heeft zij gelijk dat de Gereformeerde Bond in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog een veel sterker neocalvinistisch karakter had dan daarna. Als zij echter stelt dat Visscher en Van Grieken het veel gemakkelijker vonden om gereformeerde beginselen los te denken van specifieke formuleringen, zie ik daarvoor geen aanleiding in haar eigen artikel over de periode vóór de Tweede Wereldoorlog noch in andere bijdragen in Bonders in opmars die op deze periode betrekking hebben.

Vóór de Tweede Wereldoorlog stond het gezag van de Schrift, de leer van verzoening door voldoening, de boodschap van de recht­vaardiging door het geloof, van de verkiezing enkel uit genade en de wetenschap dat de gemeente niet alleen levende, maar ook dode leden bevat binnen de Gerefor-meerde Bond niet ter discussie. Het waren deze zaken waarover Boer geen discussie, laat staan een vrijblijvende discussie wilde. Dat hij een opmerking van Van Grieken over variëteit in bekeringswegen niet voor zijn rekening zou hebben genomen, zou ik met kracht willen bestrijden.

Wat wel valt aan te wijzen, is dat er naast reserve ten opzichte van artikel 36 ook het besef was dat wij in onze kerkelijke situatie niet een al te rechtstreeks beroep kunnen doen op artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis als het gaat om de ware en de valse kerk. Echter, dat laatste merk je ook bij Boer. Ik denk aan de indrukwekkende lezing die hij in 1964 voor de COGG hield met de titel De gereformeerde gezindte nu en in de toekomst.

Wat wel aangewezen kan worden, is dat Boer als voorzitter van de Gereformeerde Bond meer aansluiting had bij het ge­dach­tegoed van de Nadere Reformatie dan zijn voorgangers. Daarnaast zou ik ook de expli­ciete waardering van Boer voor Kohlbrugge willen noemen. Voor de Tweede Wereld-oorlog was Kohl­brugge vrijwel een onbekende binnen de kring van de Gereformeerde Bond. Dat werd na de Tweede Wereldoorlog anders.

Onjuist is ook de constatering van Hofman dat geringe aandacht voor de historische context type­rend zou zijn voor bevindelijk gereformeerden. Datzelfde zou je ook neocalvinisten kunnen ver­wijten. Hofman ziet in de briefwisseling die Boer in 1956 in het blad Woord en Dienst had met Berkhof een voorbeeld van het niet ernstig nemen van de historie. Echter, waar het Boer in de discussie omgaat, is dat er vragen zijn die de historische context overstijgen.

Bij Berkhof heeft de persoonlijke verzoening met God en de persoonlijke toe-eigening van het heil geen echte plaats. Volgens hem geeft de gereformeerde belijdenis antwoorden op vragen die niet meer worden gesteld. Boer maakt tegenover Berkhof duidelijk dat er de eeuwen door christenen geweest zijn die door weder­geboorte en in de weg van een per­soon­lijke worsteling christen zijn geworden. Dan noemt hij de namen van Augustinus, Luther en Kohlbrugge. Het gaat hem om de diepe een­heid in geloof en geloofsbeleving zonder dat daarmee de diversiteit en variëteit wordt ontkend.

Volgens Hofman is de Gereformeerde Bond onder leiding van Boer naar rechts opgeschoven en zou na 1980 de Gereformeerde Bond weer haar oorspronkelijke breedheid hebben terug­gekre­gen. Ik meen dat dit een volstrekte vertekening van de feiten is. Laat ik echter een buiten­staander het woord geven. Ik denk aan prof. dr. A. van de Beek. Van de Beek is weliswaar uit de kring van de Gereformeerde Bond afkomstig – zijn vader was in Lunteren ouderling bij ds. G. Boer – maar is daar helemaal van weg gegroeid.

Al zo’n vijftien jaar geleden deed Van de Beek de volgende constatering: ‘In de Bond vindt men thans het hele scala aan modaliteiten dat vijftig jaar geleden de Hervormde Kerk als geheel kende. Er zijn bondse midden-orthodoxen en bondse vrijzinnigen. Dat wordt alleen gecamoufleerd door een traditionele liturgie en zelfs dat begint te veranderen. De Bond is een meerstromenland geworden. Zeker, er waren altijd vleu­gels, maar die gingen over klassiek gereformeerde twistpunten, met name over de verhouding van verbond en verkiezing. Maar de huidige diversiteit in de Bond strekt zich uit van de vereni­ging van vrijzinnig hervormden tot de oud-gereformeerden.’

Gaat Van de Beek niet te ver als hij over bondse vrijzinnigen spreekt? Nemen we de Godheid van de Heere Jezus Christus en de realiteit van Zijn opstanding uit de doden als ijkpunt, dan is dat inderdaad het geval. Anders wordt het als wij denken aan de verzoening door voldoening. Andries Knevel heeft een programma waarin hij personen uit kerkelijk Nederland interviewt.

Bij interviews met een tweetal bondspredikanten viel mij op dat de verzoening met God en de ver­lossing van de toekomende toorn bij hen geen enkele plaats had. Het ging alleen over de pre­sentie van Christus in de samenleving door Hem na te volgen. Dat is inderdaad een klassiek vrij­zinnig geluid. In één van de interviews hield Knevel de predikant die hij interviewde ook nadruk­ke­lijk voor dat hij de verzoening door Christus’ bloed kennelijk zo onbelangrijk vond dat hij spre­kend over zijn geloof daar niet naar verwees.

Nu zeg ik niet dat het laatste representatief is. Wie echter de discussie die in 1956 tussen Boer en Berkhof werd gevoerd leest, zal moeten constateren dat een niet onbelangrijk deel van de huidige Gereformeerd Bond meer het gedachtegoed van de vroege Berkhof huldigt dan dat van Boer. Wel zijn er ook nu nog predikanten in de PKN die zich heel graag op Boer willen oriën­teren. Zo nam ds. Lohuis uit Scherpenisse het initiatief om de op de band opgenomen preken van Boer in boekvorm uit te laten geven.

 

De ontwikkelingen vanaf de jaren tachtig tot nu

Nieuwe ontwikkelingen hebben altijd een voorgeschiedenis. Dat geldt ook voor ontwikkelingen in de geschiedenis van de Gereformeerde Bond. Wie echter na de Tweede Wereldoorlog een marke-ringspunt wil aanwijzen, zou kunnen denken aan het terugtreden van ds. W.L. Tukker in 1978 als voorzitter van de Gereformeerde Bond. Nog tijdens het voorzitterschap van Tukker was dr. ir. J. van der Graaf fulltime secretaris geworden.

Na het terugtreden van Tukker was het niet zo­zeer de voorzitter als wel Van der Graaf die naar buiten toe het gezicht van de Gereformeerde Bond bepaalde. Heel lang heeft de Gereformeerde Bond de volkskerkgedachte van Hoede­maker afge­wezen. Zij meende dat zo te weinig ernst werd gemaakt met het feit dat de Hervormde Kerk allereerst een kerk is met een gereformeerde belijdenis. Onder invloed van dr. ir. J. van der Graaf werd deze – aanvankelijk tientallen jaren afgewezen – lijn van Hoede­maker juist domi­nant binnen de kring van de Gereformeerde Bond.

Terwijl de Gereformeerde Zendingsbond ouder is dan de Gereformeerde Bond zijn na de op­richting van de Gereformeerde Bond een aantal andere bonden opgericht. Jarenlang aan­vaard­den al deze bonden de leiding van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Dat wordt in de laatste decennia van de twintigste eeuw anders. De IZB en HGJB gingen ten opzichte van de Gereformeerde Bond eigen wegen.

Dat gold bijvoorbeeld voor de vrouw in het ambt. Het materiaal van de HGJB werd in toenemende mate ook door gemeenten die behoor­den tot de brede middenstroom in de Hervormde Kerk gebruikt. Niet omdat deze gemeenten zich in gereformeerde richting ontwikkelden, maar juist omdat het materiaal van de HGJB goed aan­sloot bij eigen theologische inzichten.

Naast een verschuiving in kerkelijke visie wordt in allerlei opzichten de Gereformeerde Bond in theologisch opzicht steeds veelvormiger. Dat blijkt als het gaat om zaken als het Schriftgezag, de vrouw in het ambt, aanvaarden van homoseksuele relaties, visie op de historiciteit van de zondeval enz. Zaken die eerst alleen aan de rand van de Gereformeerde Bond speelden, komen nu ook steeds meer in het centrum voor. Minder is de stem van het hoofdbestuur representatief voor de achterban. Er wordt ook minder naar geluisterd. Dat staat niet los van het veranderde culturele en maat-schappelijke klimaat in Nederland.

Niet lang na het terugtreden van Tukker als voorzitter van de Gereformeerde Bond verschijnt binnen hervormd-gereformeerde kring een nieuw periodiek en wel Het Gekrookte Riet. Rond Het Gekrookte Riet ontstaan vergaderingen van predikanten en ambtsdragers. Al de initiatiefnemers van Het Gekrookte Riet zijn afkomstig uit de kring van de Gereformeerde Bond. Meerdere predi­kanten die schrijven in Het Gekrookte Riet en vergaderingen bezoeken, blijven wel ge­woon lid van de Gere-formeerde Bond. Anderen hebben bedankt. Als reden tot oprichting van Het Ge­krookte Riet wordt genoemd dat via de bestaande kanalen het gereformeerd bevindelijk geluid te weinig doorklinkt.

Het Gekrookte Riet heeft heel gevoelig gelegen. Een animositeit vergelijkbaar met die er in de begin­­jaren van de Gereformeerde Bond in confessionele kring was ten aanzien van de Gere­for­meerde Bond wordt nu gevonden binnen de kring van de Gereformeerde Bond. Zelf ben ik nooit lid geweest van de Gereformeerde Bond, al heb ik wel een keer een aantal meditaties voor De Waarheidsvriend geschre-ven. In Het Gekrookte Riet heb ik nooit geschreven en ook de ver­ga­de­ringen die vanuit de kring rond Het Gekrookte Riet werden belegd, nooit bezocht. Dat maakt het mij gemakkelijker om over deze materie te schrijven.

Allereerst zou ik willen opmerken dat de kring rond Het Gekrookte Riet theologisch minder homo­geen was dan buitenstaanders wel deden voorkomen. De ene predikant oriënteerde zich op Steenblok, terwijl de ander meer voor Ryle voelde. Feit is wel dat er aan de ene kant ge­meenten waren die uitsluitend predikanten uit de kring van Het Gekrookte Riet wilden laten voor­gaan. In andere gemeenten was het juist een reden om zo’n predikant niet te vragen. Dat kon ver gaan.

In een kerkenraad die besloten had geen predikanten uit de kring van Het Gekrookte Riet te vragen, bracht een ouderling naar voren dat hij graag een bepaalde predikant een keer als gastpredikant uit wilde nodigen. Hoewel deze niet tot Het Gekrookte Riet behoorde, kon de meerderheid daar toch niet mee akkoord gaan. Men had namelijk de indruk dat de bewuste pre­dikant toch enige sympathie voor Het Gekrookte Riet koesterde. Het partijdenken dat zo open­baar kwam, is heel verdrietig. Dan gaat het niet meer om zaken als zodanig, maar of een persoon tot de eigen kring kan worden gerekend.

Meer dan eens is wel een rechtstreekse lijn getrokken van de stroming rond Het Gekrookte Riet naar de Hersteld Hervormde Kerk. Wie op Wikipedia het lemma van de Hersteld Hervormde Kerk opzoekt, vindt daarvan een voorbeeld. Feit is echter dat een aantal predikanten die in Het Gekrookte Riet hebben geschreven, uiteindelijk toch meegingen met de PKN, al kwam de over­grote meerderheid in de Hersteld Hervormde Kerk. Het massieve verzet tegen de vorming van de PKN kwam overwegend van de kant van hen die meer tot de rechterzijde van de Gere­formeerde Bond behoorden zonder dat men zich uitdrukkelijk op Het Gekrookte Riet oriën­teerde.

Vragen niet alleen bij de kerkelijke, maar ook bij de theologische koers van de Gere­formeerde Bond leefden bepaald breder dan in de kring rond Het Gekrookte Riet. Zorgen over theologische ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Bond zijn er ook bij hen die in 2004 met de PKN meegingen. Binnen de PKN bleek bij een deel van hen die tot de kring van de Gerefor­meerde Bond behoor­den, de verontrusting over de koers van de HJGB zodanig te zijn dat men een eigen jeugdbond: het Hervormd Gereformeerd Jeugwerk in het leven riep.

In de geschiedenis van de Gereformeerde Bond kwam telkens weer de vraag op of men moest delen (kiezen voor kerkelijke scheiding) of helen (kiezen voor blijven in de Hervormde Kerk). Onjuist is echter te stellen dat degenen die niet met de PKN meegingen, kozen voor delen. Im­mers de keuze was niet tussen blijven in de Hervormde Kerk of eruit weggaan, maar blijven bij de gereformeerde belijdenis als grondslag van de Kerk of meegaan in een nieuwe kerk. Een kerk die een veel bredere grondslag had en daarbij in strijd was niet alleen met de gereformeerde en de lutherse, maar ook met de katholiek christelijke erfenis. En die ook in de kerkorde de mogelijkheid bood homo­seksuele relaties te zegenen en daartoe een formulier in haar dienstboek zou laten opnemen.

Bij de presentatie van het boek Bonders in opmars deed prof. dr. H. van den Belt de oproep: ‘Voeg u bij de PKN. De ware kerk.’ Ik kan om meer dan een reden die oproep niet bijvallen. In constateer dat in de geschiedenis van de Gereformeerde Bond dit nooit op deze wijze is ver­woord ten aanzien van de Hervormde Kerk. De Gereformeerde Bond hoopte op begrip en vooral meeleven voor haar strijd binnen de Hervormde Kerk om de gereformeerde leer.

Wie tot de Hervormde Kerk wilde terugkeren om die leer te verbreiden was, welkom. Maar het besef was aanwezig dat de kerkelijke verdeeldheid gemeenschappelijke schuld was en niet zomaar ongedaan kon worden gemaakt. Als men het advies gaf zich te voegen bij de Hervormde Kerk was dat altijd dat het dan wel moest gaan om een plaatselijke gemeente waar de ¨prediking naar Schrift en belijdenis was. Ik zeg niet dat Van den Belt dit alles ontkent, maar hij legt toch wel andere accenten.

Eigenlijk is dit het geluid wat vroeger in de Gereformeerde Kerken klonk. Daar wist men heel zeker dat de verschijningsvorm van eigen kerkelijke leven over de hele lengte en breedte de ware kerk vertegenwoordigde. Nu is niet alleen het overgrote deel van de Hervormde Kerk in de PKN opgegaan maar ook de Gereformeerde Kerken zo goed als geheel. Echter, als de ecclesiologie van de Gereformeerde Kerken ook die van de Gereformeerde Bond wordt, kan ik dat bepaald niet als winst zien. Niet allen persoonlijk maar ook kerkelijk past ons – zonder het criterium van de ware kerk als toetssteen voor anderen en vooral ook voor onszelf op te geven – de gestalte van Jacob die hinkend door het leven ging.

Verblijdend is overigens wel dat na 2004 onder verantwoording van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond studies zijn verschenen, waarin het nee tegen de vrouw in het ambt wordt gehandhaafd en homoseksuele relaties worden afgewezen. Ook als het gaat om de realiteit van de eeuwige rampzaligheid klinkt vanuit het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond een bijbels geluid Sinds kort heeft het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond wel ruimte gegeven voor het laten zingen van gezangen in de dien­sten. Het laat zien dat zelfs het opnemen van een onveranderlijk artikel in statuten geen garantie is dat ontwikkelingen geen plaats krijgen.

Zelf hoop ik dat wij erbij blijven om ons in de eredienst tot de Psalmen te beperken. Terzijde zou ik willen opmerken dat dit voor het hoofd­bestuur van de Gereformeerde Bond een goed moment is om alleen namen van predikanten in het adressenboekje te vermelden die echt lid zijn van de Gereformeerde Bond. Daarnaast zou men een voorbeeld kunnen nemen aan confessionele organisaties in de wereld­kerk die aan­vaarding van de vrouw in het ambt en al helemaal van homoseksuele relaties onverenigbaar ach­ten met het lidmaatschap van de bewuste organisatie. Als de Gereformeerde Bond tot deze stap overgaat, zou zij niet onbelangrijk deel van haar leden verliezen maar wel geloofwaardiger overkomen als zij stelt dat zij de gereformeerde waarheid wil verdedigen en verbreiden.

Terugkomend op het zingen van gezangen: we moeten het zingen van gezan­gen niet buiten proporties zien. Dat is van een heel an­de­re orde dan de vrouw in het ambt, om van aanvaarding van homoseksuele relaties maar te zwij­gen. Zeer bevindelijke en onverdacht gereformeerde pre­dikers hebben gezangen laten zin­gen. Ik denk niet alleen aan hervormd-gereformeerde predikanten uit de negentiende eeuw, maar ook aan mannen als H.F. Kohlbrugge, J.C. Philpot, C.H. Spurgeon en J.C. Ryle.

Wel vrees ik dat daar waar men overgaat van het zingen van louter Psalmen naar het ruimte maken voor het zingen van gezangen er in de meeste gevallen meer aan de hand is. In de kring van de Gereformeerde Bond zien we dat juist gemeenten die weg gegroeid zijn of bezig zijn weg te groeien van de gereformeerde belijdenis deze keuze maken. Dit voorjaar verscheen een bun­del met geschriften van ds. G. Boer. Bij de presentatie werd herhaaldelijk de opmerking gemaakt dat men deze prediking miste.

In hoeverre is er nog sprake van een bevindelijke stroming in de Gereformeerde Bond, of breder binnen de PKN? Een columnist van Terdege typeerde De Waarheidsvriend als een bevindelijke Elzevier. Een heel ander geluid liet ds. J. Maasland nog voor 2004 op een contio van de Gereformeerde Bond horen. Hij stelde dat hij het prototype van de ‘bevindelijke mens’ wei­nig meer tegen kwam onder ons. Hij lijkt verdwenen. Teus Lagemaat zit daar wat tussenin. Hij gaat er in zijn proefschrift De stille revolutie vanuit dat zo’n vijf procent van de huidige aanhang van de Gereformeerde Bond als bevindelijk kan worden getypeerd. Zelf denk ik dat de klankbodem toch nog groter is, maar dat het om een minderheid gaat, is wel zeker en dan behoeven we echt geen tijdbepaalde culturele kenmerken als ijkpunt te gebruiken.

Slot

Uit de geschiedenis van de Gereformeerde Bond zijn zowel voor hen – die nog altijd tot deze bond worden gerekend – als voor anderen binnen de gereformeerde gezindte lessen te trekken. Volgens Exalto en Van Lieburg was de oprichting van de Gereformeerde Bond een weeffout en is het nu tijd deze weeffout te herstellen. Zeker is dat de Gereformeerde Bond nu veel breder is dan de Confessionele Vereniging in 1906 was.

Nog afgezien van de vraag of de oprichting van de Gere­formeerde Bond in 1906 nodig was, is een veel wezenlijker vraag of de gereformeerde belijdenis nog altijd adequaat is om de kernen van ons geloof te belijden. Of is het zo dat wij er zaken in mis­sen die voor ons gevoel wezenlijk zijn voor het welzijn van de gehele kerk. Of worden er zaken in genoemd die wij niet voor onze rekening kunnen nemen dan wel voor ons van weinig belang zijn.

Afgaande op datgene wat zij in hun publicaties uitstralen, moeten we van Exalto en Van Lieburg het laatste zeggen. Wat zij voorstaan is een brede orthodoxie die niet welbewust gereformeerd is. Daarnaast moet gezegd worden dat aan de belijdenis van de Drie-eenheid en aan de realiteit van de opstanding van de Heere Jezus Christus onverkort wordt vastgehouden.

Echter, de heiligheid van het huwelijk als een relatie tussen één man en één vrouw hoeft niet zonder reserve te worden vastgehouden. Al helemaal mag de openstelling van de ambten voor de vrouw geen punt zijn. De realiteit van de toekomende toorn krijgt niet tot nauwelijks aandacht. De orthodoxie die zij voorstaan, krijgt alom in de gereformeerde gezindte ingang. Ik denk aan de nationale synode. Ds. G. de Fijter wiens stem in de Hervormde synode doorslaggevend was voor het ontstaan van de PKN was er de initiatiefnemer van. De nationale synode is nog ruimer dan breed orthodox en voor gematigde vormen van vrijzinnigheid is er plaats. Zo wil men naar buiten toe de een­heid van de christelijke kerk in Nederland presenteren.

Echte christelijke eenheid is altijd een eenheid in de waarheid van het algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof. De gereformeerde belijdenis is daarvan de rijkste en diepste expressie. Dan denk ik aan wat daar wordt beleden over het gezag van de Schrift, over God en over Jezus Christus als de enige Middelaar, over verzoening door voldoening, over rechtvaardiging en heiliging, over wedergeboorte, geloof, bekering en uitverkiezing. Als Hersteld Hervormde Kerk past ons bepaald geen zelfverheffing. Dat is nooit een christelijke deugd. Daarbij komt dat de jaren vanaf 2004 weinig ge­tuigen van geestelijke bloei en diepgang. Alom heeft kerkelijk Nederland bekering en een he­rleving nodig. Die kan alleen God geven. Laten wij er gedurig om bidden.

Wij mogen en moeten leren van de Kerk van alle eeuwen. De ene gereformeerde theoloog heeft de inhoud van Schrift dieper ontvouwd dan de andere. Als het gaat om hervormd-gereformeerde predikers die voor ons een gidsfunctie mogen hebben, denk ik wel heel in het bijzonder aan ds. G. Boer. Onbekrompen bood hij Christus aan zijn hoorders aan. In zijn preken proef je de drang om zijn hoorders voor Christus te winnen. Nadrukkelijk komen de kenmerken van de kinderen van God in zijn preken aan de orde.

Boer zei zelf dat prediken betekent dat je je hoorders daagt voor Gods rechterstoel. Daar staat elk mens schuldig. Alleen de tussenkomst van Jezus Christus de grote Advocaat en Zaligmaker kan uitkomst bieden. We mogen er naar uitzien en horen erom te vragen of deze prediking in plaatselijke gemeenten wordt gehoord. Of het nu hersteld hervormd gemeenten, oudgereformeerde gemeenten zijn of gemeenten binnen de PKN en dat afgezien van de toevoeging hervormd.

Laten wij als Hersteld Hervormd Kerk onbekrompen en ondubbelzinnig (een uitdrukking van Groen van Prinsterer) aan de gerefor­meerde belijdenis vasthouden. Bij Groen kon in ‘onbekrom­pen’’ ook een zekere reserve ten aanzien van de Dordtse Leerregels meeklinken. Dat bedoel ik. Aan de andere kant moet het ons bij de gereformeerde belijdenis om het Evangelie van Gods genade gaan. Dat Evangelie moet krachtig wordt beleden en gepredikt zodat het harten in brand zet en levens vernieuwt. Dat is dan ook het enige alternatief voor alle on-Bijbelse eenheid­streven.

De Hersteld Hervormde Kerk is een heel gebrekkige voortzetting van de Hervormde Kerk. Tal van gebreken van vóór 2004 zijn gebleven. Juist wij hebben ook herstel nodig. Vanuit de gerefor­meerde belijdenis mogen en moeten we dan uitzien naar verdere kerkelijke eenheid. Hoe dan ook, moet het ons verblijden als, waar dan ook, de prediking een Bijbels karakter heeft. Het lied ‘Zegen and’ren maar ook mij’ mogen we niet alleen persoonlijk, maar ook kerkelijk opvatten. Dit is zeker dat wij van God grote dingen mogen verwachten, ook als wij ze niet hebben verdiend. God is een God van wonderen. Laat onze belijdenis met die van de vader van de maanzieke knaap zijn: ‘Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.’

N.a.v. John Exalto en Fred van Lieburg (red.) Bonders in opmars. Hervormd-gereformeerden 1890-1960 (Apeldoorn: Labarum Academic, 2015), paperback 400 pp., € 26,95 (ISBN 9789462782648) en G. Boer, Tijdbetrokken vreemdelingschap, verzameld en geannoteerd door dr. ir. J. van der Graaf (Apeldoorn: De Banier, 2016), hardcover 849 pp. prijs €59,95 (ISBN 978946278643)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s