De dankgebeden bij de doop in de formulieren van de Gereformeerde of Hervormde Kerken

Inleiding

Het afgelopen jaar heb ik meer dan eens over de doop geschreven. Vorig jaar verscheen trouwens een uitgebreide druk van mijn boekje Het paspoort van het koninkrijk. Over de betekenis van de Heilige Doop. De afgelopen tijd is mij herhaaldelijk gevraagd om nog iets te schrijven over het dankgebed in het klassieke doopformulier. De reden is dat er meerderen zijn die dit dankgebed aangrijpen voor hun visie dat wij in principe heel de gemeente als een gemeente van gelovigen moeten zien. Anderen hebben daarom moeite met het dankgebed.

De doop is het teken en zegel van opname in de gemeente van Christus, van de reiniging door Christus’ bloed en van de wedergeboorte. Kinderen van christenouders behoren reeds vanaf hun ontvangenis bij de christelijke gemeente. Ook niet-biologische kinderen behoren bij Gods gemeente vanaf het moment dat zij in een christelijk gezin worden opgenomen. Omdat zij bij de gemeente des Heeren behoren, mogen ze niet alleen gedoopt worden maar moeten ze dat ook.

Het is niet zo dat de doop onmisbaar is tot zaligheid. Ook als kinderen reeds voor hun geboorte of al in de moederschoot sterven mogen wij geloven dat God hen opnam in Zijn heerlijkheid. Heel expliciet wordt dit verwoord in het doopformulier dat wij vinden in het Book of Common Order van de Kerk van Schotland, en Jacobus Revius, een van de revisoren van de Statenvertaling, heeft dat op ontroerende wijze in een gedicht verwoord.

We mogen de doop, net als het avondmaal, nooit losmaken van geloof en bekering. Zonder geloof en bekering delen wij niet in de zegeningen van het verbond. Als zuigelingen of kinderen al vóór hun geboorte opgenomen worden in Gods heerlijkheid, mogen we ervan overtuigd zijn dat geloof en bekering in de vorm van een zaad reeds aanwezig waren. God heeft dat dan in Zijn verbondstrouw en vanuit Zijn eeuwige welbehagen geschonken.

God kan reeds jong het geloof als zaad in het hart van een kind leggen. Veelal zullen degenen die als kind zijn gedoopt, pas later getrokken worden uit de duisternis tot het licht. We kunnen ook zeggen dat een kind gedoopt wordt met het oog op zijn of haar toekomstige geloof en toekomstige bekering.

*

De context van het dankgebed

We moeten het dankgebed na de doop niet losmaken van het smeekgebed vóór de doop en van het gegeven onderwijs in het doopformulier over de drie stukken die nodig zijn tot zaligheid en die trouwens ook weer terugkomen bij het zelfonderzoek bij de toetreding tot het avondmaal. Weten we van verootmoediging voor Gods aangezicht, zoeken we onze reinigmaking buiten onszelf in Christus en hebben we de oude mens afgelegd en de nieuwe aangedaan? Dan moeten we beseffen dat er tweeërlei kinderen van het verbond zijn en de gemeente niet alleen levende maar ook dode leden telt. Nadrukkelijk wijst Zacharias Ursinus er in De Grote Catechismus op dat niet allen die de sacramenten ontvangen metterdaad wedergeboren zijn. Dat geldt zowel voor het ontvangen van de doop als van het avondmaal. Alleen degenen die de sacramenten waardig ontvangen delen in de zegeningen die erdoor betekend en verzegeld worden.

We moeten het dankformulier na de bediening van de doop niet anders zien dan het dankformulier na de bediening van het avondmaal of na de bevestiging van ambtsdragers. Al deze dankgebeden spreken de taal van het geloof. Dat betekent niet dat wij onze zaligheid op deze dankgebeden kunnen gronden. Dan is de eerste vraag of wij inderdaad de toekomende toorn hebben leren ontvluchten en Christus ons leven is geworden.

Goed is te weten dat op de nationale synode van Dordrecht van 1578 een ander dankgebed is vastgesteld. Dat luidt als volgt: ‘Wij danken U, dat U ons met ons zaad in Uw verbond genomen hebt en hetzelve met de Heilige Doop aan ons lichaam verzegelt en bekrachtigt. Wij bidden U dat U dit kind (deze kinderen) wilt wassen met het bloed en de Geest van Jezus Christus, dat is, wil het zijn zonde om des bloedstortens van Christus wil, niet toerekenen en door Uw Heilige Geest wederbaren en vernieuwen, opdat het Christelijk en godzalig opgebracht worde, enz.’

Eigenlijk is dit dankgebed minder vatbaar voor misverstand. Toch keerde men op de nationale synode van Dordrecht van 1618/1619 tot het oorspronkelijke dankgebed van 1566 terug. In beide gevallen lijkt er niet tot nauwelijks discussie te zijn geweest. Dat laat zien dat men tussen de twee dankgebeden geen groot verschil voelde. Mijn vermoeden is dat men gezien de hoge kindersterfte terugkeerde tot het dankgebed van 1566. Bij jonggestorven kinderen hanteren we het oordeel van de liefde. Zij hebben niet getoond dat zij hun doop niet verstaan en daarom mogen we ruim denken over hun zaligheid. Bij het ouder worden is de vraag of degenen die als kind gedoopt zijn de kentekenen van de kinderen van God vertonen, en dan moeten we eerlijk zeggen dat dit bepaald niet altijd het geval is.

Als ik het zo verwoord ga ik ook in de lijn van vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie als Wilhelmus à Brakel en Theodorus van der Groe. Ik verwijs voor Brakel naar zijn werk De redelijke godsdienst en voor Van der Groe naar zijn verklaring van de Heidelbergse Catechismus. In de lijn van de klassieke gereformeerde theologie denken zij ruim over de zaligheid van jonggestorven kinderen. Nog nadrukkelijker dan Van der Groe verbindt Brakel dat niet met de oprechtheid van het persoonlijk geloof van de ouders of van een van de ouders.

Beiden gaan er ook vanuit dat slechts weinigen die als kind zijn gedoopt, bij het opgroeien betonen dat zij al van jongs af de Heere vrezen. De meesten die als kind zijn gedoopt worden pas later, zo stellen zij, uit de duisternis tot het licht getrokken. Brakel brengt naar voren dat dit meestal tussen de leeftijd van vijftien en dertig jaar is en bij sommigen nog daarna.

Nooit moet het ontvangen van de sacramenten als vervanging worden gezien van een persoonlijk en levend geloof dat blijkt in een godzalige wandel. Veelzeggend is dat in ons doopformulier staat dat wij en onze kinderen kinderen des toorns zijn, tenzij wij wedergeboren zijn. Dat is voor elke gedoopte die in een doopdienst aanwezig is en deze woorden hoort, een appel tot zelfonderzoek. Nooit moeten we meegaan met de gedachte dat elke gedoopte of elke avondmaalganger deelt in de genade die deze sacramenten verzegelen. De sacramenten werken het geloof en daarmee de ingang in het koninkrijk van God niet, maar versterken het geloof.

*

Het doopformulier in The Book of Common Order

De Kerk van Schotland kreeg in de zestiende eeuw The Book of Common Order (Boek van gemeenschappelijke orde) op. We zien hierin niet in de laatste plaats de hand van John Knox. In het formulier dat gebruikt wordt voor het dopen van kinderen wordt nadrukkelijk gesteld dat velen die gedoopt zijn nooit gereinigd worden door Christus’ bloed, maar dat God op Zijn tijd datgene wat in de doop betekend en verzegeld wordt effectief tot stand brengt in de harten van Zijn uitverkorenen. Als wij onze doop leren verstaan, zo maakt dit formulier duidelijk, dan doden we de oude mens en wandelen we in een nieuw leven en dragen we zo het kleed waarmee we in de doop werden bekleed.

Als wij bij de bediening van een doop aanwezig zijn, zo lezen we, dan worden we herinnerd aan het verbond tussen God en ons, dat Hij onze God wil zijn. We moeten dan onszelf beproeven en ons afvragen of wij vaststaan in het geloof van Gods uitverkorenen. Is dat door ongeloof of niet-godzalige wandel niet het geval en ons geweten beschuldigt ons daarvan, dan worden we door het horen van de liefderijke beloften van onze hemelse Vader Die alle mensen door bekering tot Zijn ontferming oproept, vermaand voortaan waardig onze roeping te wandelen.

In ons formulier wordt aan ouders gevraagd kinderen in de bijbelse en gereformeerde leer te onderwijzen. In het formulier van The Book of Common Order wordt in de uitleg zelf uiteengezet dat God dat van ouders vraagt. Zij moeten hun kinderen leren dat zij alleen op de gerechtigheid van Christus moeten rusten om zo God waarlijk te kennen en te vrezen.

Ik geef nu zowel het gebed vóór als na de doop uit The Book of Common Order door.

*

Gebed voor de doop

ALMACHTIGE en eeuwige God, Die uit Uw oneindige barmhartigheid en goedheid ons heeft beloofd dat U niet alleen onze God zult zijn, maar ook de God en Vader van onze kinderen, wij smeken U, zoals U hebt beloofd ons deel te geven aan deze grote barmhartigheid, in de gemeenschap van het geloof, zodat het U behaagt dit kind dat wij volgens Uw Woord zullen dopen, met Uw Geest te heiligen, en te doen delen in de vergeving van zonden de opstanding van het lichaam en het eeuwige leven, opdat het, op volwassen leeftijd, U alleen mag belijden, de ware God, en die Gij hebt gezonden, Jezus Christus, en Hem zo mag dienen en vruchtbaar zijn voor Zijn Kerk gedurende zijn hele leven, zodat het, nadat zijn leven is beëindigd, als een levend lid van Zijn lichaam tot de volle vervulling van Uw vreugde in de hemelen mag worden gebracht, waar Uw Zoon, onze Verlosser Christus, over de wereld heerst zonder einde; in Wiens naam wij bidden: Onze Vader enz.

*

Gebed na de doop

WANT, meest heilige en barmhartige Vader, zoals U ons niet alleen verfraait en zegent met gemeenschappelijke zegeningen, zoals de rest van de mensheid, maar ook ons overvloedig zeldzame en wonderbaarlijke gaven schenkt, richten wij door plicht gedrongen onze ogen en geest op tot U, en geven U de meest nederige dank voor Uw oneindige goedheid, Die ons niet alleen tot Uw heiligen heeft gerekend, maar ook uit Uw vrije genade onze kinderen tot U roept, hen met dit sacrament markeert, als een bijzonder teken en zegel van Uw liefde. Daarom, meest liefdevolle Vader, hoewel wij niet in staat zijn dit grote voordeel te verdienen (ja, als U ons zou behandelen naar onze verdiensten, zouden wij de straf van eeuwige dood en verdoemenis ondergaan), maar om Christus’ wil, smeken wij U dat Gij deze gunst steeds meer voor ons zult bevestigen, en dit kind dat wij aan U aanbieden en presenteren met gemeenschappelijke smeekbeden, in Uw toezicht en bescherming zult nemen en het nooit in zo’n onvriendelijkheid laat vervallen dat hij de kracht van de doop verliest, maar dat het U voortdurend als zijn barmhartige Vader mag waarnemen, door Uw Heilige Geest werkend in zijn hart, door Wiens goddelijke kracht het over de satan de overhand kan hebben en die kan overwinnen, zodat het uiteindelijk, door de overwinning te behalen, verheven mag worden in de vrijheid van Uw koninkrijk.

*

De strijd in de Kerk van Engeland over het dankgebed bij de doop in The Book of Common Prayer

Zoals de Kerk van Schotland in de zestiende eeuw The Book of Common Order kreeg, zo kreeg de Kerk van Engeland The Book of Common Prayer (Gemeenschappelijk gebedenboek). In 1662 werden nog een aantal wijzigingen aangebracht. Veel meer dan dit geldt voor The Book of Common Order in relatie tot de Kerk van Schotland dat The Book of Common Prayer het gezicht van de Kerk van Engeland heeft bepaald en nog bepaalt. In de twintigste eeuw zijn een aantal ingrijpende wijzigingen aangebracht en nu speelt de vraag of ook andere relaties dan het huwelijk een plaats kunnen krijgen in The Book of Common Prayer , maar de gezaghebbende en historische versie is die van 1662.

De hoogkerkelijke richting verbond de wedergeboorte met de doop als zodanig. Dat betekende niet dat geestelijken die tot deze richting behoorden ervan uitgingen dat alle gedoopten zalig werden. Men moest bij de genade in de doop gegeven volharden of daarnaar terugkeren. De volharding van de heiligen werd ontkend. De sacramentalistische theologen waren arminiaans in hun genadeleer en kwamen daarmee in strijd met de leer van de verkiezing zoals die werd beleden in The Thirty-nine Articles (Negenendertig artikelen). Deze artikelen zijn de officiële geloofsbelijdenis van de Kerk van Engeland en laten zien dat deze kerk confessioneel gezien een gereformeerde/hervormde kerk is.

In de negentiende eeuw ontwikkelde zich uit de hoogkerkelijke richting een stroming die betoogde dat de Kerk van Engeland helemaal geen gereformeerde/hervormde kerk was of hoorde te zijn. Men wilde op het primaat van de paus na zoveel mogelijk terug naar de erfenis van voor de Reformatie. Deze stroming staat bekend als de anglo-katholieke stroming en kreeg in de loop van de negentiende eeuw steeds meer voet aan de grond in de Kerk van Engeland, hoewel een aantal vertegenwoordigers ervan de overstap maakten naar de Rooms-Katholieke Kerk. De bekendste die dat deed, is wel John Henry Newman.

In ons eigen land is een boek verschenen met de titel Een eeuw van strijd over verbond en doop. Dat boek gaat over de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Ook in Engeland ontstond er strijd over de betekenis van de doop tussen de evangelicals en vertegenwoordigers van de hoogkerkelijke stroming en dan met name de anglo-katholieke variant daarvan. Men meende voor de zienswijze dat wij alle gedoopten als wedergeboren mogen zien, steun te vinden in het Book of Common Prayer.

Na de doop zegt de priester (zo wordt een predikant in het Book of Common Prayer genoemd): ‘Omdat wij zien zeer geliefde broeders, dat dit kind wedergeboren is en ingelijfd in het lichaam van de kerk van Christus, laat ons de almachtige God dank geven voor deze zegeningen en één van gevoelen tot Hem bidden dat dit kind de rest van zijn leven mag leiden overeenkomstig dit begin.’

Men beriep zich ook op de catechismus, die te vinden is in het Book of Common Prayer die jongelui bij hun confirmatie (te vergelijken met het doen van belijdenis bij ons) uit het hoofd moesten kennen. Aan het begin wordt dan naar de naam gevraagd en dan noemt degene die geconfirmeerd wordt de naam die hem/haar bij de doop is gegeven en waarmee, zo staat er dan, hij/zij een lidmaat van Christus, een kind van God en erfgenaam van het koninkrijk der hemelen is gemaakt.

De evangelicals stelden dat deze woorden niet los mogen worden gemaakt van het feit dat de catechismus en het Book of Common Prayer duidelijk maken dat een levend geloof nodig is om te delen in de zegeningen waarvan de sacramenten getuigen. De artikelen 25 en 27 van de Negenendertig artikelen maken duidelijk dat de doop de beloften van het Evangelie verzegelt en dat een waardig ontvangen ervan nodig is om te delen in de zaak die erin wordt afgebeeld. De doop is er om het geloof te bevestigen en de genade te versterken, en vraagt zo om gebed.

De evangelicals wezen erop dat de Negenendertig artikelen heel nadrukkelijk spreken over het versterken van het geloof bij hen die de sacramenten waardig ontvangen. Het zijn geen voertuigen die genade meedelen. De Negenendertig artikelen maken ook duidelijk dat God Zelf al de Zijnen tot Zich roept en trekt door op Zijn tijd met Zijn Geest in hen te gaan werken. Door Zijn genade te gehoorzamen en aan Zijn roepstem gehoor te geven worden zij enkel uit genade gerechtvaardigd en aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig gemaakt. Zij gaan in goede werken wandelen en ontvangen ten slotte in Gods ontferming de eeuwige gelukzaligheid.

William Goode (1801-1868) was een van de belangrijke theologen onder de negentiende-eeuwse Anglicaanse evangelicals. Hij diende als hulpprediker (curate) en predikant (rector) een aantal parochies in de Kerk van Engeland. Vanaf 1860 was hij deken van de kathedraal van Ripon. Hij schreef over de doop in relatie tot de wedergeboorte het volgende: ‘Er moet in de geestelijke nieuwe geboorte een levend geloof worden ingeplant om de geboorte door de doop effectief te maken zodat er sprake van is dat men geestelijk levend is gemaakt.’

Goode maakte duidelijk dat wij het Book of Common Prayer geen recht doen als wij geen onderscheid maken tussen het teken en de betekende zaak die alleen in geloof wordt ontvangen. Hij onderstreepte ook het onderscheid tussen de zichtbare en onzichtbare kerk. Zonder geloof als vrucht van de wedergeboorte zijn we als we de sacramenten ontvangen en gebruiken, niet meer dan een dood lid van de kerk.

Iedereen die gedoopt is, kan er op worden aangesproken dat hij/zij een lid is van de zichtbare kerk, maar tenzij God hem/haar trok uit de duisternis tot Zijn wonderbare licht en wij alleen op Christus rusten tot zaligheid en Zijn beeld dragen, zijn we geen lid van de onzichtbare kerk. Heel uitvoerig belichtte hij dit alles in een boek dat in 1850 verscheen en de titel heeft: The Doctrine of the Church of England as to the Effects of Baptism in the Case of Infants.

De evangelicals in de Kerk van Engeland beklemtoonden dat het gebruik van de sacramenten pas zegen heeft als er sprake is van een levend geloof. In de prediking moeten daarom niet de sacramenten centraal staan maar de persoon en het werk van onze Heere Jezus Christus.

*

Wat de gereformeerde gezindte kan leren van anglicaanse evangelicals

Tussen de opvattingen van de Engelse sacramentalistische theologen en de verbondsmatige richting in ons land die met het beroep op verbond en doop de noodzaak van persoonlijke wedergeboorte ontkent omdat men ervan uitgaat dat een gedoopte die reeds deelachtig is, bestaan opmerkelijke parallellen. Meer dan eens zien we ook in Nederland dat met een beroep op het dankgebed uit het doopformulier gesteld wordt dat wij allen die als kind gedoopt zijn moeten aanspreken als kinderen van God, en wordt nagelaten naar voren te brengen dat aan hen die opgroeien de vraag moet worden gesteld wie Christus voor hen is en hoe zij Hem nodig hebben gekregen en tot Hem de toevlucht leerden nemen. Daarom kan de gereformeerde gezindte het een en ander leren van de negentiende-eeuwse Engelse anglicaanse evangelicals. Ik geef een aantal van hun uitspraken door.

*

Henry Ryder (1777-1836), bisschop van Gloucester en later van Lichfield: ‘Ik wil plechtig protesteren tegen de ernstigste vergissing om alle leden van een gedoopte gemeente als bekeerd te beschouwen, alsof allen de waarheid hebben leren kennen en het rechte pad leren bewandelen.’

Ryder spoorde de geestelijken in zijn diocees aan om hun gemeenteleden ertoe aan te sporen ‘in waar berouw en een levend geloof tot de Zaligmaker te gaan en hun deel te ontvangen van Zijn Middelaarsverdiensten’ (Visitation Charge 1816, 20-22).

*

Thomas Musgrave (1788-1860), bisschop van Hereford en later aartsbisschop van York: ‘De zestiende-eeuwse Engelse hervormers waren calvinisten en leerden dat geestelijke wedergeboorte in de doop slechts tot stand kwam bij hen die van eeuwigheid tot het eeuwige leven waren verkoren.’ (A Charge Delivered to the Clergy of the Diocese of York, June 1849)

*

Robert Bickerseth (1816-1884), bisschop van Ripon, spoorde in 1861 de geestelijken van zijn bisdom aan veel stil te staan bij de centrale waarheid van het gehele stelsel van het Evangelie en bij de verzoening tot stand gebracht door onze Zaligmaker Jezus Christus toen Hij aan het kruis stierf.

*

Ik besluit met enkele woorden van J.C. Ryle (1816-1900), de anglicaanse evangelical die het meest bekend is in Nederland en wiens geschriften trouwens, na die van Spurgeon, in zijn eigen tijd het breedst werden gelezen in de Engelssprekende wereld, niet alleen door anglicanen, maar ook door presbyterianen, congregationalisten en baptisten. In de negentiende eeuw werden zijn geschriften al in het Nederlands vertaald, maar echt brede ingang kreeg hij in ons land toen niet. Pas enkele tientallen jaren geleden ontstond er in Nederland opnieuw belangstelling voor zijn geschriften.

Ik kan niet nalaten te vermelden dat ik in mijn waardering voor Ryle in het spoor ga van een van mijn overgrootvaders, namelijk Willem Koutstaal (1867-1939). Hij las in de Gereformeerde Samenkomst preken van Ryle voor die hijzelf had vertaald. Hij heeft traktaten van Ryle in handen gekregen toen hij voor de werf van Leen Smit samen met een van de eigenaars daarvan voor een zakenreis in Engeland was. Ryle was zijn oudere tijdgenoot. Nu krijgt Ryle het woord:

‘Het is zeer zeker nu de tijd dat elk waarachtig christen zich op dit onder­werp zal bezinnen. Wij moeten ons af­vragen of wij de wedergeboorte ken­nen, en bereid zijn verantwoording af te leggen van de hoop die in ons is. Wanneer de waarheid wordt aange­tast, zullen zij die de waar­­heid lief­hebben deze meer dan ooit aangrij­pen.

Moge er toch meer ernst en be­slistheid on­­der Gods volk komen, een diepe vastberadenheid des harten om altijd aan de zijde des Heeren te staan. Ik wil trachten de wedergeboorte voor u duidelijk te stellen. Ik besef heel goed dat ik niets nieuws te vertellen heb. Ik weet dat ik niets kan zeggen wat niet door ande­ren beter onder woorden is gebracht. Maar elk aan­vullend getuigenis kan zijn nut heb­ben in een aangevochten zaak als deze.

Een wedergeboren mens gelooft, dat Jezus Christus de enige Heiland is door Wie hij ver­ge­ving kan krijgen en gered kan worden. In zichzelf ziet hij niets dan onwaardigheid, maar in Christus heeft hij volle vrijmoedigheid en ver­trouwen om tot God te gaan. Hij gelooft dat al zijn zonden zijn vergeven en zijn ongerechtigheid werd weggedaan. Hij gelooft in God de Vader, Die Jezus, zijn Heere, uit de doden opgewekt heeft; dat Jezus Christus overgeleverd is om zijn zonden, en opgewekt om zijn rechtvaar­digmaking. (Rom. 4:24‑25).

Hij kan zijn duizend vrezen en twijfels hebben. Soms kan hij zeggen dat hij zijn geloof kwijt is. Maar vraagt u hem of hij op iets anders vertrouwt dan op Chris­tus, hoor dan wat hij ant­woordt. Vraag hem of zijn hoop op eeuwig leven rust op zijn eigen goedheid, zijn goede wer­ken, zijn gebeden, zijn dienst in of bui­ten de gemeente, of iets van hemzelf, hoor dan wat hij ant­woordt. Hoewel hij zal toegeven dat hij zich zwak voelt en slecht, zal hij Christus niet wil­len opgeven. Hem behoort hij toe, in leven en in sterven, Christus is zijn God en Zalig­maker. Gelooft u, dat Jezus is de van God gezonden Redder der wereld, ook uw Redder?’

Plaats een reactie