De eenheid van het geloof die over grenzen van tijden en culturen heengaat

De eenheid van het geloof en de eenheid van de kerk

De wijze waarop wij ons geloof verwoorden, staat nooit los van de tijd en de cultuur waarin wij leven. Betekent dit dat de geloofsinhoud en de geloofsbeleving tot in de kern toe zelf ook tijd- en cultuurbepaald is? Wie dat stelt, doet geen recht aan het getuigenis van de Schrift. De Schrift openbaart ons wie God is en hoe hij gekend kan worden en gediend wil worden. Dat getuigenis is waar los van het geloof van mensen erin. Wie geloofsinhoud en geloofsbeleving primair aan tijd en cultuur bindt, heeft ook al meent hij nog orthodox te zijn feitelijk een andere visie op de Schrift. De Schrift wordt dan allereerst een geloofsdocument van menselijke schrijvers en niet het onfeilbare Woord van God dat geschreven is door mensen die God daartoe in Zijn dienst nam, opdat hun woorden Zijn woorden zouden zijn.

Al vanaf de zondeval vergadert en beschermt Christus Zijn kerk en Hij gaat daarmee door tot de jongste dag. Dan is er een verschil tussen de gelovigen van het oude en het nieuwe verbond. De gelovigen van het oude verbond leefden uit de Christus Die komen zou en die van het nieuwe verbond uit de Christus Die gekomen is.

Om tot Gods gemeente te behoren is het nodig dat wij de naam van de HEERE kennen. Dat was onder de oude bedeling het grote voorrecht van het nageslacht van Abraham, Izak en Jacob. Onder het oude verbond blijkt reeds dat er binnen het ene wezen van God meerdere personen zijn. Onder de nieuwe bedeling wordt volkomen duidelijk dat Davids grote Zoon ook Davids Heere is. Feitelijk mogen we HEERE hier ook met hoofdletters schrijven.

Nu kunnen we behoren bij Gods gemeente en toch geen levend lid zijn van Zijn gemeente. Dat was onder de oude bedeling het geval en dat geldt ook voor de nieuwe bedeling. Hoe indringend hebben de oudtestamentische profeten het volk Israël opgeroepen tot bekering. Het feit dat alle mannen en jongens waren besneden betekende niet dat elke Israëliet een besneden hart had.

Bij de overgang van de oude naar de nieuwe bedeling zien we dat het optreden van Johannes de Doper in de lijn ligt van de oudtestamentische profeten. Hij waarschuwt zijn volksgenoten dat het feit dat zij Abraham tot een vader hebben geen garantie is dat zij met Abraham, Izak en Jacob zullen aanzitten in het koninkrijk der hemelen. Bekering is nodig.

Onze Heere Jezus Christus heeft als de vervulling van Mozes en de Profeten Zijn tijdgenoten ertoe opgeroepen tot Hem te komen, omdat Hij alleen hen rust kon geven. Nog altijd worden wij via de prediking daartoe opgeroepen. Die prediking vindt niet bij iedereen ingang en zowel onder de oude als nieuwe bedeling heeft de gemeente des HEEREN niet alleen levende maar ook doden leden.

De Heere Jezus Zelf heeft dat in meerdere van Zijn gelijkenissen duidelijk gemaakt. Ik noem ook de brieven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië. Er waren zeer levendige gemeenten, maar ook zeer dode en gemeenten met maar enkele namen van mensen die hun klederen niet bevlekt hadden, dat wil zeggen die in hun leven betoonden dat zij Jezus als Heere kenden en liefhadden. We worden een levend lid van Gods kerk als wij wedergeboren worden tot een levende hoop en de Heilige Geest door en met het Woord het geloof in ons hart ontsteekt.

Van de kerk die Christus al vanaf het paradijs ging vergaderen zijn we een levend lid als wij persoonlijk de Heilige Geest hebben ontvangen. Op de vraag: ‘Wat gelooft gij van de Heilige Geest?’ wordt in antwoord 53 van de Heidelbergse Catechismus het volgende beleden: Ten eerste, dat Hij tezamen met de Vader en de Zoon waarachtig en eeuwig God is. Ten tweede, dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make, mij troost, en eeuwig bij mij blijft’.

*

Persoonlijke wedergeboorte en persoonlijk geloof is in elke tijd nodig

Er wordt wel beweerd dat de aandacht voor persoonlijke wedergeboorte iets is van de moderne tijd. Duidelijk zal zijn dat de noodzaak van wedergeboorte op die manier gerelativeerd wordt. Vooral van rooms-katholieke zijde is nogal eens gesteld dat de Reformatie in haar aandacht voor de verhouding van de persoonlijke gelovige met God en het terzijde schuiven van de bemiddelende functie van de kerk een typisch (vroeg)modern verschijnsel is. De Reformatie zou met haar aandacht voor de persoonlijke gelovige geen recht doen aan de betekenis van de kerk die aan het persoonlijke geloof vooraf gaat.

Nogmaals: de wijze waarop het geloof verwoord wordt, wordt op de een of andere manier gekleurd door de tijd en cultuur waarin wij leven. Echter, als de Reformatie stelt dat een christen iemand is die alleen door Christus in de kracht van Zijn Geest tot de Vader nadert, grijpt zij terug op de Schrift zelf, maar weet zij zich ook gesteund door mannen als de kerkvader Augustinus en de middeleeuwse theoloog Bernardus van Clairveaux. In de geloofsleer en zeker in de geloofsbeleving leeft de augustijns-bernardijnse traditie door de eeuwen vóór de Reformatie in gereformeerde vorm voort.

Al is er buiten de kerk geen zaligheid, we mogen van het behoren tot de gemeente of de kerk nooit een grond maken voor de zaligheid. Daar heeft Augustinus catechumenen (dat wil zeggen personen die via de catechese voorbereid werden op de doop in de christelijke kerk) op gewezen. Niet elke katholiek, zo hield hij hen voor, is een ware gelovige.

Veelzeggend is dat een eigentijdse rabbijn, namelijk Jacob Neusner in zijn boekje A rabbi talks with Jesus duidelijk maakt dat zijn grote bezwaar tegen Jezus en Zijn leer is dat Jezus een onnodige verdeling in Israël teweeg brengt en geen recht doet aan het feit dat in principe heel Israël deel heeft aan de toekomende wereld. Farizeeërs en Schriftgeleerden wilden niet weten van de noodzaak van persoonlijke wedergeboorte. Met de noodzaak van reiniging door Christus’ bloed behoort de levendmaking door Gods Geest bij de diepste kern van het christelijke geloof.

Onder de kerkvaders heeft niemand zich zo diep in zijn hart laten kijken als Augustinus. Dan denk ik aan zijn werk de Confessiones Belijdenissen). Dit werk heeft tal van aspecten. Qua vorm heeft het de vorm van een gebed. In de eerste tien boeken vertelt Augustinus in de Confessiones hoe God in hem werkte, wat Hij van hem beval, en hoe God het hoogste van zijn blijdschap werd. In Gods licht mocht hij het licht zien.

Omdat hij zo nadrukkelijk aandacht vraagt voor de enkele mens in zijn verhouding tot God is Augustinus wel de eerste moderne mens genoemd. De achtergrond van die typering is dat in (vroeg)moderne tijd in vergelijking met de Middeleeuwen er veel meer aandacht komt voor de individuele mens. Echter, als het gaat om het geloof moeten we niet vergeten dat de Schrift zelf duidelijk maakt dat de gemeenschap met God, de gemeenschap der heiligen en de gemeenschap met de kerk bij elkaar behoren.

Wie op mag groeien in een christelijke gemeente wordt daar al jong met de boodschap van het Evangelie geconfronteerd, maar nodig blijft dat de Heilige Geest, Die Heere is, ons levend maakt. Dat ervoer de kerkvader Augustinus in zijn eigen leven. In zijn nadruk op de noodzaak van een persoonlijke en levende verhouding tot God wist de kerkvader zich een leerling van de Schrift en heel in het bijzonder van de Psalmen. Onder de boeken van de Bijbel had dit boek een bijzondere plek in zijn hart en leven. Daarin was deze kerkvader niet de eerste en ook niet de laatste.

In elke tijd blijft het nodig dat we beseffen dat men een lid kan zijn van de kerk zonder een levend lid te zijn. Dat was in de Vroege Kerk nodig, maar ook in de tijd van de Reformatie en de eeuwen daarna tot op de dag van vandaag. Als we modern alleen als tijdsaanduiding zien is de theologie van de reformatoren, de puriteinen en van mannen als Kohlbrugge en Bavinck moderne theologie. Zij bedreven allen theologie in de moderne tijd. In die zin komen we het woord tegen in de oorspronkelijke titel van een zeventiende-eeuws werk dat wij kennen als Het merg van het Evangelie. De oorspronkelijke Engelse titel is The Marrow of Modern Divinity. Naast een tijdsaanduiding is in deze titel ‘modern’ een typering voor de theologie van de reformatoren en hun opvolgers. Met modern wordt dan in de context van die tijd bedoeld gereformeerd katholiek en niet ongereformeerd-katholiek. In die laatste zagen de reformatoren namelijk de eigentijdse rooms-katholieke theologie. Die was ongereformeerd en niet werkelijk katholiek.

*

Kenmerken van theologiebeoefening en geloofsbeleving in de postmoderne tijd

Wij leven inmiddels in de postmoderne tijd. In deze postmoderne tijd zien we aan de ene kant dat nog meer dan in de moderne tijd die in de vijftiende eeuw begint en in de vorige eeuw begon af te lopen, nog meer aandacht voor de individuele mens. Tegelijkertijd zien wij dat in de postmoderne tijd het onderscheid tussen een levend en dood geloof in dit postmoderne klimaat onder nog zwaardere druk staat dan in de moderne tijd. De waarheid van het geloof is immers geen objectieve zaak die wij persoonlijk leren toe-eigenen, maar geloven is een intersubjectief gebeuren. Daarom kan het onderscheid tussen de objectieve waarheid van de inhoud van de Bijbel en van het christelijke geloof helemaal niet worden gemaakt. Het gaat er louter om dat je persoonlijk betrokken bent op wat je gelooft.

De inhoud van het geloof verschilt van geloofsgemeenschap tot geloofsgemeenschap en van persoon tot persoon. Wat verwacht kan worden is dat je jouw perspectief op de inhoud van de Bijbel en het christelijke geloof verwoordt. Of het nu gaat om de boodschap van verlossing, de realiteit van de eeuwige zaligheid en rampzaligheid of die van de betekenis van de sacramenten. Het zal duidelijk zijn dat op deze manier aan de bijbelse de boodschap van de twee wegen geen recht kan worden gedaan.

Het postmoderne klimaat heeft ook de wijze waarop theologie in academische context wordt beoefend beïnvloed. Theologie is niet naspreken en nadenken van Gods openbaring in de Schrift. Dat zou namelijk betekenen dat de openbaring een objectieve inhoud heeft en daar wil men niet van weten. heologie is verantwoorden van wat je gelooft of verantwoord spreken over God. De geloofsgemeenschap is daarbij het uitgangspunt en binnen dat uitgangspunt kunnen eventueel orthodoxe standpunten worden ingenomen, maar het zal duidelijk zijn dat een dergelijke orthodoxie een ander karakter heeft dan de klassieke orthodoxie. Voor de klassieke theologie is de objectieve waarheid van de Schrift en van het christelijke geloof uitgangpunt.

*

De Reformatie heeft het verschil tussen de werking van het Woord en van de sacramenten benadrukt

De Reformatie is bovenal een terugkeer naar de Schrift maar ook een augustijns reveil. In de Middeleeuwen had de theologie en de geloofsbeleving een steeds sacramentalistischer karakter gekregen. De sacramenten werden als voertuigen van genade gezien. Daarbij viel het begin van de geestelijke loopbaan samen met het ontvangen van de doop. Opgemerkt moet worden dat tegenstemmen niet hebben ontbroken.

De Reformatie heeft gebroken met de heersende sacramentsopvatting. De Heilige Geest werkt en versterkt het geloof door middel van het Woord. De sacramenten – en dat zijn alleen doop en avondmaal – versterken het geloof maar werken het niet. De gereformeerde Reformatie heeft dit nog sterker onderstreept dan de lutherse, al heeft Luther zelf telkens betuigd dat de sacramenten ons zonder geloof nooit tot zegen kunnen zijn.

In antwoord 65 van de Heidelbergse Catechismus lezen we dat de Heilige Geest het geloof in onze harten werkt door de verkondiging van het Evangelie en het versterkt door het gebruik van de sacramenten. Voor ‘werken’ wordt in de Latijnse versie het werkwoord accendere gebruikt en voor ‘versterken’ confirmare. In artikel 22 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt beleden dat de Heilige Geest een oprecht geloof in ons hart ontsteekt. Dan wordt daar in de Latijnse versie het woord impartiri gebruikt.

In artikel 5 van de Augsburgse Confessie wordt gesteld dat door het Woord en door de sacramenten als door werktuigen de Heilige Geest wordt gegeven en dat deze werktuigen waar en wanneer het God behaagt het geloof bewerkstelligen (Latijn: efficere) in hen die het Evangelie horen, namelijk het Evangelie dat God degenen die geloven om Christus’ wil rechtvaardigt en in genade aanneemt. In artikel 13 van deze belijdenis lezen we dat de sacramenten bedoeld zijn om bij degenen die ze ontvangen het geloof op te wekken (Latijn: excitare) en te versterken (Latijn: confirmare). Nadrukkelijk volgt dat voor het ware ontvangen van de sacramenten geloof nodig is dat vertrouwt op de beloften die door de sacramenten aangeboden en getoond (Latijn: exhibere) worden.

In relatie tot de betekenis van de sacramenten stelt ook Calvijn dat zij ons Gods genade en Zijn beloften tonen (exhibere), maar Calvijn noch andere gereformeerde theologen stellen dat de sacramenten het geloof opwekken (excitare). Dit woord kan namelijk zowel als ‘aanwakkeren’ als ‘aansteken’ worden opgevat. Wie het in de eerste zin opvat, vervalt in een gevaarlijk sacramentalisme. Een gereformeerd theoloog zal niet zeggen dat de sacramenten het geloof opwekken, omdat dit voor meer dan één uitleg vatbaar is als het gaat om de werking van de sacramenten. De lutherse Reformatie is daar theologisch vatbaarder voor dan de gereformeerde.

Ik schrijf met nadruk ‘theologisch’. Immers, men kan theologisch heel zuiver denken over verbond en doop maar dat de praktijk er niet aan beantwoordt. Onder de erfgenamen van de gereformeerde Reformatie komt naast een bedenkelijk uit zijn verband rukken van de leer van de verkiezing ook een zeer bedenkelijk verbondsautomatisme voor.

*

Calvijn en Owen als theologen van de Heilige Geest

Luther wist dat het geloof een gave is van de Heilige Geest, maar minder dan Calvijn heeft hij zich uitvoeriger bezonnen op de betekenis van de persoon en het werk van de Heilige Geest. In het derde boek van de Institutie maakt Calvijn duidelijk dat het werk van Christus dat buiten ons tot stand is gebracht ons ten nutte wordt door de verborgen werking van Gods Geest in ons. De Heilige Geest brengt de vereniging met Christus tot stand.

Niet voor niets is Calvijn wel de theoloog van de Heilige Geest genoemd. Niet de paus is de plaatsvervanger van Christus op aarde maar de Heilige Geest. Niet de doop verenigt ons met Christus, maar de Heilige Geest die het geloof in ons hart ontsteekt door de verkondiging van het Woord. De doop is een teken en zegel van de vereniging met Christus en bij de doop aan kinderen wordt die bediend met het oog op hun toekomstig geloof en toekomstige bekering.

Na de dood van Calvijn wordt de leer van de orde van het heil ontwikkeld. Als we de verkiezing van eeuwigheid buiten beschouwing laten, is de eerste schakel de krachtdadige roeping en de laatste de verheerlijking. In de Dordtse Leerregels I, 7 worden de verschillende schakels van de orde of gouden ketting van het heil opgesomd. In onderscheid van onze belijdenisgeschriften wijdt de Westminster Confession of Faith een hoofdstuk aan elk van de schakels van de orde van het heil.

De aandacht voor de Heilige Geest in de toepassing van het heil is een vrucht van de Reformatie. Er dreigt het gevaar dat de toepassing van het heil losgemaakt wordt van het heil zelf. Dat gevaar zien we in de Middeleeuwen bij bepaalde vormen van mystiek. In de kerken van de Reformatie zijn er vormen van piëtisme geweest die ook niet aan dit gevaar zijn ontkomen.

Bij een gezonde en bijbelse geloofsbeleving gaat het om de toepassing en beleving van de zaligheid waar het Woord van getuigt en die buiten ons in Christus vast ligt. We gaan niet van het subject naar het object, maar van de waarheid buiten ons en Christus buiten ons naar de persoonlijke toe-eigening ervan. Ik spreek liever over persoonlijk dan over subjectief, omdat het woord subjectief kan betekenen dat iets louter aan een persoon is gebonden, terwijl het er bij de toepassing van de zaligheid om gaat dat de waarheid van het Evangelie ons hart in brandt zet en ons leven stempelt.

Al direct nadat de generatie van de eerste reformatoren wegvalt en de kloof met Rome definitief wordt zien we bijzondere aandacht ontstaan voor de vragen rond de toepassing van het heil. De gereformeerde en lutherse orthodoxie consolideerden zich, maar orthodoxie alleen zo beseften meerderen is niet voldoende. Het gaat om beleefde orthodoxie. Er is wel gesproken over het ontstaan van evangelisch piëtisme (evangelical piëtism). In Nederland kunnen mannen als Jean Taffin en Petrus Datheen dan worden genoemd en vervolgens de Nadere Reformatie met als geestelijk vader Willem Teellinck.

Teellinck is dan weer in meer dan één opzicht verbonden met het piëtistische puritanisme waarvan William Perkins de geestelijke vader is. Het ging de puriteinen zowel om een beleefd geloof als om de praktijk van de godzaligheid die alle terreinen van het leven doortrekt. Een van de grootste puriteinen, zo niet de allergrootste is, John Owen. Hij wordt wel de Engelse Calvijn genoemd. Meer dan andere puriteinen was hij niet alleen een stichtelijk schrijver maar ook een theoloog.

Uitvoeriger dan wie dan ook voor hem in de geschiedenis van de kerk heeft hij over de Heilige Geest en Zijn werk geschreven. Tot dusver is hij daarin door niemand geëvenaard laat staan overtroffen. Evenals Calvijn is Owen van mening dat in de na-apostolische tijd hooguit nog sporen van de bijzondere gaven van de Heilige Geest aanwezig zijn, maar dat deed voor hem niets af van het schenken van aandacht aan de Heilige Geest en Zijn werk.

Bij de ontwikkeling van de leer van de Heilige Geest heeft Owen zich naar zijn eigen getuigenis op drie ­bronnen gebaseerd en wel de Heilige Schrift, het inzicht van de Vroege Kerk en de bevinding van hen die oprecht geloven en wel met nadruk in die volgorde. Owen blijkt evenals Calvijn zeer goed thuis te zijn in de kerkvaders en zeker in wat zij hebben geschreven over de Heilige Geest.

Meer dan sommige andere puriteinen heeft Owen beklemtoond dat de inwo­ning van de Heili­ge Geest een persoonlijk karakter draagt. Het is niet slechts de genade van de Heilige Geest die ons wordt ge­schonken. De Persoon van de Heilige Geest Zelf woont in de gelovi­gen. Daarmee blijkt hij een goede exegeet van het Nieuwe Testament te zijn. In het Nieuwe Testament is de Heilige Geest Zelf de belangrijkste gave die aan een gelovige wordt geschonken. De Heilige Geest Zelf, Die zowel in de gemeente als geheel als in de gelovigen persoonlijk woont, is het onderpand en de eersteling van de komende heerlijkheid.

We kunnen dan ook noch de puriteinen in het algemeen noch Owen in het bijzonder verwijten dat hij een representant is van een modern individualistische benadering. Juist in zijn aandacht voor het werk van Gods Geest in ons in combinatie met het werk van Christus buiten ons en de rechtvaardiging door het geloof alleen is Owen zowel een katholiek als gereformeerd theoloog. Orthodoxie zonder aandacht voor persoonlijk verzoening met God en persoonlijke wedergeboorte baant de weg voor een activistisch en moralistisch christendom waarin verborgen omgang met God als realiteit en verwondering over het ontvangen van Gods genade ontbreekt.

Als het gaat om die zaken heb ik zelf veel geleerd van de geestelijke erfgenamen van de reformatoren en puriteinen in de Engelssprekende wereld en wel de evangelicals uit de achttiende en negentiende eeuw. Dan denk ik aan mannen als John Newton, Henry Venn, Robert Murray McCheyne, Octavius Winslow en J.C. Ryle. Bij hen zijn de boodschap van verzoening door voldoening, rechtvaardiging door het geloof alleen en wedergeboorte door Gods Geest nauw met elkaar verbonden en wordt het een niet tegen het ander uitgespeeld.

*

De geloofsinhoud en geloofsbeleving van de levende leden van Gods kerk gaat boven hun eigen tijd en culturele context uit

De eenheid van geloofsinhoud en geloofsbeleving is nauw verbonden met de werkelijkheid dat wij sinds de zondeval alleen maar tot onze Schepper kunnen naderen door Christus in de kracht van Zijn Geest. Die werkelijkheid verbindt de gelovigen van alle eeuwen met elkaar. We worden sinds de zondeval allemaal als kinderen des toorns geboren en hoe groot het voorrecht ook is in een gezin dat deel uitmaakt van de christelijke kerk te mogen opgroeien, ieder mens moet wedergeboren worden om het koninkrijk van God te kunnen binnengaan.

Ik weet dat iemands zicht op de geloofsleer heel gebrekkig kan zijn, en hij of zij toch een kind van God kan zijn. Het is moeilijk uit te maken hoeveel dwalingen en misvattingen iemand kan hebben en toch een kind van God kan zijn. Dit is zeker, elke ware christen roemt in het kruis van Christus en weet dat hij niet door eigen inspanningen een christen werd maar dat de Heilige Geest hem of haar medelevend maakte met Christus. Die wetenschap stempelt bij alle vlekken en rimpels die er zijn de geloofsbeleving.

Er is een eenheid in geloof en in verbondenheid daarmee in geloofsbeleving die de grenzen van tijden en culturen doorbreekt. Zelf zag ik dat bij mijn eigen oma van vaders zijde. Zij behoorde tot een generatie die alleen maar basisschool had gehad. Na de Bijbel had zij drie lievelingsboeken: de Belijdenissen van Augustinus, Luthers uitleg van de brief aan de Galaten en Weldadigheden van een Verbondsgod van John Warburton.

Toen Luthers uitleg van de brief aan de Galaten en Weldadigheden van een Verbondsgod van John Warburton weer eens werden heruitgegeven, gaf ze al haar kinderen een exemplaar. Uit de liefde tot die boeken bleek al dat zij lid was van de heilige, algemene, christelijke Kerk. Zij wist zich één in het geloof met de kerkvader Augustinus, met de hervormer Luther en met de negentiende-eeuwse baptisten­predikant Warburton die slechts de basisschool had doorlopen. Vaktheologen kunnen allerlei verschillen tussen deze mannen benoemen en meerdere verschillen zullen ook mijn oma niet zijn ontgaan, maar meer en helaas soms in tegenstelling tot menig vaktheoloog wist zij dat er onder die verschillen een diepe eenheid lag.

*

De stemmen van G. Boer en G. Groen van Prinsterer

Ten slotte geef ik door wat ik las bij G. Boer en G. Groen van Prinsterer. In 1956 had ds. G. Boer een van de vroegere voorzitters van de Gereformeerde Bond, in het blad Woord en Dienst een openbare briefwisseling met dr. H. Berkhof die toen rector van het Hervormd Seminarie was. Voor Berkhof waren de vragen naar de toe-eigening van het heil achterhaald. Dat lag voor Boer anders. Berkhof stelt dat in de preken van hervormd-gereformeerde predikanten geen andere accenten en tonen klinken dan van de Reformatoren en vooral van de Nadere Reformatie. Dat acht hij een tekort. De prediking, zo meent hij, kan niet in dat patroon worden vastgelegd. In het antwoord van Boer lezen we het volgende:

‘Bij alle veranderingen waaraan we onderworpen zijn verandert de ontmoeting met de levende God niet. Deze situatie is beslissend tot aan de wederkomst van Christus. In deze situatie komen wij inderdaad van verschillende kanten. Dat is ook onder ons zo. Maar in de ontmoeting met God krijgt niemand een aparte behandeling. Daar staat niet de antieke mens, ook niet de reformatorische mens, ook niet de moderne gehavende mens, maar de mens, de zondaar, de goddeloze.

Hier ontmoeten elkaar eenvoudigen en ontwikkelden, mensen, die door het nihilisme zijn heengegaan, en die ervoor bewaard zijn gebleven, ouderwetse en moderne mensen. In dit gezelschap staan profeten en apostelen, kerkvaders en hervormers, mensen van alle eeuwen. Wie voor de God van de Bijbel staat, schreeuwt om genade en ontvangt ook de genade. Hier gaat het niet over bepaalde accenten, nog minder om de hiërarchie van de accenten, maar om de kennis Gods in Jezus Christus door de Heilige Geest.

Hier heeft Augustinus geworsteld, hier is Luther tot zijn gebeente uitgekleed, hier is Calvijn door de Vader tot Christus getrokken, hier heeft Kohlbrugge gestreden en gejuicht over het Lam Gods, dat hem genoeg was voor de tijd en de eeuwigheid. En met hen willen ook wij belijdenis doen van ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof. Waar de vaderen het Woord Gods hebben gehoord, willen ook wij in deze tijd staan, met hetzelfde geloof.

Wie aan deze plaats voorbij is, wie aan dit geloof ontgroeid is, is er nog nooit aan toe geweest. Wanneer andere vragen de vraag naar een genadige God verdringen, zijn wij op weg het contact met de levende gemeente te verliezen. Immers de gemeente weet ervan en getuigt ervan. Wie dit niet doet, verwatert en verarmt het Evangelie. (….)

Wij geloven en belijden een enige katholieke of algemene kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest, enz. Het is niet de vraag, of er in de kerk plaats is voor wat u of ons beweegt, maar of wij instemmen met dit belijden van de kerk. Wij wensen ieder, die, vanuit welke situatie dan ook, dit Woord hoort en met dit belijden instemt, te erkennen als broeders en zusters in Christus. Het is ons alles waard, dat niet de een of andere groep het voor het zeggen krijgt, maar dat de kerk in al haar geledingen door de regenererende werking van de Heilige Geest uit haar ingezonkenheid en betovering oprijst, om te horen het oude Woord, dat telkens opnieuw fonkelnieuw blijkt te zijn en het belijden der vaderen niet vervaagt of reduceert, maar van harte beaamt en honoreert.’

Ik hoop dat de Groen van Prinsterer de grondlegger van de christelijke politiek in Nederland geen introductie behoeft. Zijn devies was: ‘Geen staatsman maar een belijder van het Evangelie.’ Groen van Prinsterer heeft die de uitdrukking gereformeerde gezindte geijkt en dan is het van belang te weten dat hij die uitdrukking theologisch opvatte. Hij brengt in zijn geschrift Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd het volgende naar voren:

‘Wicleff, Huss, Luther, Zwinglius, Calvijn, Spener, Whitefield en Wesley predikten dezelfde leer. Volslagen bederf, verzoening in het bloed van Christus, noodzakelijkheid van bekeering en heiligmaking, het nietsbetekenende van eigen geregtigheid; dezelfde leer in al wat zaligheid raakt. Onderling, en met de gelovigen van alle tijden en kerkgenootschappen eensgezind, bouwden zij op het Evangelie en behoorden tot de algemeene christelijke kerk, aan geen tijd, of plaats, of kerkgenootschap verbonden, wier eenheid van geen pauselijk bestuur, maar van Gods Woord en Geest afhankelijk, niet materieel, zoo als in de roomsche kerk, maar geestelijk is.’

In het decembernummer van 1875 van Nederlandse Gedachten heeft Groen bij zijn naderend levenseinde zelf zijn geestelijk testament geformuleerd. Dat luidt als volgt: ‘Met de tollenaarsbede: O God, wees mij zondaar genadig! Met de Heidelberger Catechismus­wijsheid: mijn enige troost in leven en sterven. Met de juichtoon: Ik danke God door Jezus Christus onzen Heere. Met de strijdleus der Reformatie: Doet aan de gehele wapenrusting Gods en het zwaard des Geestes hetwelk is Gods Woord. Met de zinspreuk: Een Staatsman niet! Een Evangeliebelijder.’

Laten wij ons deze dingen lezend afvragen of wij weten van het geloof dat alle tijden en contexten overtreft. Dat wij ervan doordrongen zijn dat de vraag hoe wij zonder vrees God kunnen ontmoeten niet een vraag is enkel van de zestiende eeuw. Ook nu gaat het erom dat wij die vraag gaan stellen en ook het antwoord mogen weten: ‘Ik ken de waarheid zo diep als gewis dat Jezus alleen mijn gerechtigheid is.’ De wetenschap van de noodzaak van persoonlijke wedergeboorte is niet een zaak die wijst op een modern individualistische instelling, maar laat zien dat wij ervan weten dat de eeuwen door alleen Gods Geest het geloof in ons hart kan ontsteken en de begeerte om tot Gods eer te leven in ons hart kan bewerken, hoezeer het ook waar is dat daarvoor mensen worden gebruikt.

Om deze dingen gaat het tot welke kerk wij ook behoren. De kerk is daar waar deze dingen in de prediking, de catechese en het pastoraat worden gehoord. Zelf ben ik daarom allereerst een christen, vervolgens een zoon van de Reformatie en pas in de derde plaats een Hersteld Hervormd predikant. Het bestaansrecht van een kerk of gemeente – en dat geldt ook de Hersteld Hervormde Kerk en een Hersteld Hervormde Gemeente staat of valt met deze boodschap.

Gereformeerd gezind is ten slotte elke christen die alleen roemt in het bloed van Christus en die mag weten van de inwoning van Gods Geest. Laat de gereformeerde gezindte van Nederland bij deze erfenis bewaard blijven of er toe terugkeren om uit deze erfenis leven. Dan verbindt ons dat met christenen wereldwijd en met christenen de eeuwen door.

Plaats een reactie