Ds. H. Hofman (1902-1975). Een wegwijzer naar Sion

Op woensdag 15 juli hoop ik voor de Hersteld Hervormde Gemeente van Nunspeet een lezing te houden over ds. H. Hofman die 46 jaar een vrije gemeente in Schiedam diende. Iedereen is deze avond van harte welkom. De avond begint om 19.30 uur en de locatie is Mudde Kok Automotive, Oosteinderweg 104, 8072 PD Nunspeet. Er is een pauze en na de pauze hoop ik de vragen die in de pauze zijn ingediend te beantwoorden. De avond eindigt rond 21.30 uur.

De prediking van Hofman was met macht en met gezag. Daarom wil ik iets over hem doorgeven.Toen in het jaar 2000 in de krant een aankondiging had gestaan dat ik in Elspeet een kerkhistorische lezing over Hofman zou houden, ontving ik van een goede bekende een brief met onder andere de volgende passage: ‘Ook u al het goede toegewenst en dat u Christus centraal mag stellen in de bediening van het Woord. U haalt in uw stukjes in de kerkbode nogal eens ds. Hofman aan, maar ook ik denk nog wel met heim­wee aan hem terug. Veel ‘rechtse prediking’ zowel in de Hervormde Kerk als daarbuiten is toch in de verte zelfs niet vergelijkbaar met wat hij bracht.’

In de preek die hij hield bij zijn vijfentwintigjarig jubileum typeert Hofman zichzelf als een wegwijzer naar Sion en naar Christus. Ds. Hofman stelde in deze preek onder andere het grote verval aan de orde dat over Nederland is gekomen na de Tweede Wereldoorlog. Bij alle economische vooruitgang was helaas geen sprake van geestelijke bloei. Hij ging toen als volgt verder: ‘In de ontzettende moedeloosheid die me toen heeft aangegrepen, want ik wilde wel sterven, is openbaar gekomen dat Christus toch Zijn kerk zou onderhouden. Dat was toch zelfs in de dagen van koning Achab zo geweest. Ook toen waren er zevenduizend die hun knieën voor Baäl niet gebogen hadden. Toen heb ik gevraagd: ‘O God, mag ik dan alstublieft nog als een wegwijzer zijn? Die staat er zowel in de zon als in de vorst, bij dag en nacht. Dronken automobilisten rijden hem soms omver. Er wordt tegenaan gegooid en getrapt; maar o God, het geeft niet, het geeft helemaal niet. Als het dan maar zijn mag dat ik een wegwijzer mag wezen: Dat is de weg naar Sion.’

Ik merk op dat dit het geval is bij elke ware dienaar van het Woord. Het is niet zo belangrijk wat de mensen van ons denken. Als we voor anderen maar een wegwijzer naar het kruis mogen zijn. Er is immers alleen vrede met God door het bloed van het kruis. Wie Christus heeft, heeft in Hem barmhartigheid en genade en wie Hem niet heeft, mist met Hem ook al Zijn zegen. Laat u dan met God verzoenen.

In een preek die hij in 1973 hield, verwoordde Hofman dat als volgt: ‘Paulus wilde nergens anders in roemen dan in Christus. Hij roemde dus niet in zijn ervaring of heldere bekering. De bekering, waardoor wij God leren kennen, is het werk van de Heilige Geest, maar de bekering op zichzelf beschouwd is onze zaligheid niet. Want: “Die God is onze zaligheid.” Als Paulus spreekt over roem, dan is het: “Het zij verre van mij dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus.” Dus alleen roem in Zijn ganse Middelaarsarbeid, want Hij is uit God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Vervolgens zegt Paulus: “Door Welke de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.”

Is dat niet een wonderlijk woord? Nee, mijn vrienden. De wereld grijpt naar ieder mens en wij hebben van nature een wereldsgezind hart dat omgekeerd ook naar de wereld grijpt. Die dingen zijn niet anders! Laat ons dat steeds voor ogen houden. Maar bij Paulus is het zo: Christus’ werk heeft hem zo inge­nomen dat heel de wereld en alles wat daartoe behoorde bij hem gekelderd is. Dat noemt hij door welke de wereld mij gekruisigd is.

Toen opengekomen was dat ook ik nog zalig kon wor­den, ben ik naar Bogaard (de voorganger bij wie Hofman in Sliedrecht naar de kerk ging; P.d.V.) gegaan. Want dát was wat. Dat anderen zalig werden dat was al geweldig, maar nu ik ook. Dat God mij bedoelde en wilde bezitten. Toen heb ik heel mijn hart uitgesproken.

Ten slotte zei ik: “Nu ben ik eenentwintig jaar en is het voor mij in zeker op­zicht of ik een oude man ben, want ik spuw van heel de wereld en wat de wereld toebehoort.” Toen stond Bogaard op en gaf mij de hand en zei: “Jongen, op wat je hebt gezegd zeg ik amen, maar dat laatste raakt mij het meest. Hoe kwam het dat ik toen zei dat ik de wereld spuugzat was? Ik heb, mijn vrienden, vanaf mijn jeugd een doel gezocht. Gezocht naar een doel in het leven, maar ik kon het niet vinden. Maar toen God Zijn liefdeshart opende, had ik in één keer een doel. Dat was om Gód te kennen. Daarbij is de wereld in het niet gezonken.’

In de rouwdienst die voorafging aan de begrafenis sprak namens de gemeente dhr. G.J. van de Ende. Jarenlang had hij deel uitgemaakt van het kerkbestuur. Er was in de gemeente van Hofman geen officiële kerkenraad met ouderlingen en diakenen. Van der Ende besloot zijn toespraak met de volgende woorden:

‘Vrienden, die het nog niet hebt; die nog niet kunnen zeggen: ‘Ik ben in leven en sterven het eigendom van Jezus Christus’, laat niet na, die God te zoeken met uw ganse hart. ’t Loont de moeite. Het loont waarachtig de moeite. God is een Beloner dergenen die Hem zoeken. ‘Indien zij naar Mij vragen met hun ganse hart, Ik zál van hen gevonden worden.’ Dat is Gods onloochenbare waarheid.

En daarachter zegt Pau­lus: ‘Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben, ál den raad Gods.’ (…) Christus regeert de wereld, en Hij wordt niet moede noch mat in het regeren van die wereld. En nu behoeven ook wij niet moe of mat te worden, maar we mogen zwaar leunen op die trouwe God, waarop ds. Hofman zijn leven lang zó zwaar geleund heeft.’

Plaats een reactie