Meer dan eens kun je in preken en toespraken horen: “God heeft ons onvoorwaardelijk lief, of Gods genade is onvoorwaardelijk.” Dan kun je de vraag stellen: wat bedoelt de spreker, en ook: hoe begrijpt de hoorder dit? Ik wijd hier een bijdrage aan op mijn weblog omdat een lezer naar aanleiding van een eerdere bijdrage mij vroeg wat de bijbelse grond is om over voorwaardelijke en onvoorwaardelijke beloften te spreken. (zie https://drpdevries.com/2026/07/07/het-evangelie-van-gods-genade-gods-beloften-en-het-appel-om-tot-christus-te-gaan/)
In delen van de gereformeerde gezindte zijn heel uitvoerige discussies gehouden over het karakter van Gods beloften en werden en worden er allerlei onderscheidingen gemaakt. Ik moet eerlijk zeggen dat de benadering om allerlei fijne onderscheidingen te maken ten aanzien van Gods beloften en discussies die deze onderscheidingen dan weer op roepen feitelijk ver van mij afstaan.
Laten predikers Christus prediken opdat wij mensen die van nature kinderen des toorns zijn vrede met God vinden en erfgenamen worden van het eeuwige leven. In bepaalde gemeenten van de gereformeerde gezindte heeft het onderscheid tussen levende en dode leden van de gemeente helemaal geen plek en daarom ontbreekt het appel en de oproep. In andere gemeenten van de gereformeerde gezindte durven predikers hoorders niet onbevangen tot bekering en geloof op te roepen omdat hij dit niet weet te verenigen met de wetenschap dat een mens van huis uit dood is in misdaden en zonden.
Laten we ons aan de Schrift houden die ons zowel op de totale verdorvenheid van de mens wijst en op de noodzaak van wedergeboorte als ons oproept ons te bekeren tot de levende God en in geloof de toevlucht te nemen tot Jezus Christus Die als enige en volkomen Zaligmaker redt van de toekomende toorn. Als ik dan namen van predikers uit de kerk der eeuwen mag noemen, die ons daarbij kunnen helpen, denk ik niet in de laatste plaats aan de gebroeders Ralph en Ebenezer Erskine en Robert Murray McCheyne. Waar men zich in deze prediking herkent, kunnen allerlei discussies worden stopgezet en hoeven er over de prediking van Gods beloften geen uitvoerige besprekingen binnen en tussen kerken te worden gevoerd.
Als ik kan zeggen dat je op juiste wijze een verschil kan maken tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke beloften, gaat het er mij om dat in de prediking naar voren moet komen dat geloof en bekering nodig zijn om in Gods genade te delen. Het feit dat in de doop en het avondmaal Gods beloften aan ons verzegeld worden, betekent nog niet dat elke gedoopte of avondmaalganger deelheeft aan de inhoud van Gods belofte. Ik kan en durf niet tegen elke kerkganger te zeggen: je bent gereinigd door Christus’ bloed, je zonden zijn je vergeven en je bent een geliefd kind van God.
Als predikers zeggen dat Gods liefde en genade onvoorwaardelijk is, moeten zij dat ook toelichten. Wordt met Gods onvoorwaardelijke genade bedoeld dat elke zondaar welkom is bij Christus, dan stem ik daarmee helemaal in. Maar we moeten er niet vreemd van opkijken als zonder die toelichting het zo wordt gehoord, namelijk dat God ons allemaal aanvaardt zoals we zijn, ook al zijn wij niet met Christus aan de zonde gestorven en niet met Hem opgewekt tot een nieuw leven.
We moeten dan ook onszelf beproeven of wij de kenmerken van Gods kinderen vertonen. Is dat niet het geval, dan zijn we nog altijd een kind des toorns. Wanneer wij ons dan op Gods genade beroepen, is dat een beroep waartegen Paulus zich in Romeinen 6:1 heel nadrukkelijk keert. Het ontvangen van genade gaat altijd gepaard met het krijgen van droefheid over de zonde en een verlangen naar al Gods geboden te leven.
Zonder toelichting zal de uitspraak dat Gods liefde onvoorwaardelijk is ook heel snel verkeerd worden begrepen en zullen mensen er de conclusie uit trekken dat niemand bevreesd hoeft te zijn dat hij of zij voor eeuwig verloren gaat. De hel is hooguit een dreigement, maar wordt voor niemand een realiteit.
Als het gaat om Gods onvoorwaardelijke liefde, dan weet ik dat voor al Gods kinderen geldt dat niets hen van Gods liefde kan scheiden. God verkoos de Zijnen niet op grond van reeds voorziene goede hoedanigheden in hen. Gods liefde en genade gaan aan onze bekering en ons geloof vooraf. Daarover schrijft Paulus in Efeze 2:4-5: ‘Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden).’ Al is Gods eeuwige liefde onvoorwaardelijk, alleen als wij de onfeilbare kenmerken van Gods uitverkorenen dragen, mogen wij op goede grond weten dat ook wij tot de eeuwige zaligheid zijn verkoren. Het feit dat God het werk van Zijn handen nooit opgeeft, is voor ons de krachtbron om te volharden in het geloof.
Laten we elkaar aansporen tot Christus te vluchten en voor Hem te leven en laten we elkaar vertellen wat het betekent Christus toe te behoren en voor Hem te leven. Dan mogen we ook degenen die Christus toebehoren vertellen dat God hen liefheeft met een eeuwige en onveranderlijke liefde. Dan weten we ook voor onszelf dat wij God liefhebben, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Die wetenschap maakt ons ootmoedig en afhankelijk en leert ons bidden en belijden:
Zend, HEER, Uw licht en waarheid neder,
En breng mij, door dien glans geleid,
Tot Uw gewijde tente weder;
Dan klimt mijn bange ziel gereder
Ten berge van Uw heiligheid,
Daar mij Uw gunst verbeidt.
*
Dan ga ik op tot Gods altaren,
Tot God, mijn God, de bron van vreugd;
Dan zal ik, juichend, stem en snaren
Ten roem van Zijne goedheid paren,
Die, na kortstondig ongeneugt’,
Mij eindeloos verheugt.