De opkomst van de Schriftkritiek
De kern van de zonde is verzet tegen God en wat God van ons vraagt. God schiep ons opdat wij Hem zouden verheerlijken en ons eeuwig in Hem zouden verheugen. Daartoe openbaart God Zich aan ons. Onze houding behoort te zijn: ‘Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort’ (1 Sam. 3:9). De slang stelde in het paradijs de vraag: ‘Is het ook, dat God gezegd heeft?’ De zondeval zette in toen Eva de mogelijkheid openliet dat God wel eens ongelijk zou kunnen hebben.
God is de waarachtige en daarom is ook Zijn openbaring, die uiteindelijk schriftelijk werd vastgelegd, waarachtig. Het Bijbelse getuigenis vormt een eenheid. Die eenheid ligt verankerd in het feit dat achter de vele menselijke schrijvers van de Bijbelboeken de Heilige Geest staat als de ene goddelijke Auteur.
We mogen allerlei hulpmiddelen gebruiken om de Bijbel te gaan begrijpen of beter te gaan begrijpen. Daarbij moeten we bovenal bidden om de verlichting en hulp van de Heilige Geest. Anders zouden we heel veel kunnen gaan begrijpen, terwijl de diepste zin van de Schrift ons ontgaat. De Schrift is ons gegeven om ons wijs te maken tot zaligheid. Schriftonderzoek en Schriftkennis mogen geen doel op zich zijn. Het gaat erom dat wij mensen van God worden die tot alle goed werk volkomen zijn toegerust (2 Tim. 3:17).
Eeuwenlang stond het gezag van de Schrift binnen de kerk niet ter discussie. De wegen van Rome en de Reformatie gingen niet uiteen omdat de vraag of de Schrift de stem van God is verschillend werd beantwoord, maar omdat men verschillend antwoordde op de vraag of de Schrift de hoogste en uiteindelijke gezagsbron is . Voor de Reformatie weten we uit de Schrift wat de kerk is en voor Rome bepaalt de kerk hoe we de Schrift moeten lezen.
Vanaf de Verlichting doet kritiek op de Schrift haar intrede in de kerk. Tot die tijd was er geen discussie over de historiciteit van Bijbelse gebeurtenissen. Of het nu ging om de zondeval, de zondvloed, de uittocht of Jona in de vis, de historiciteit ervan werd door iedereen eenvoudigweg voorondersteld. Wie de werken van kerkvaders, middeleeuwse theologen of reformatoren leest, kan dat met eigen ogen constateren.
Met de Verlichting wordt dat anders. De gedachte komt op dat wij de Bijbel moeten lezen als elk ander boek. De Bijbel is een bundel geschriften die bepaald niet een eenduidige boodschap geven. De eenheid van de Schrift is niet langer het uitgangspunt bij het lezen ervan. Er rijzen vragen bij de historische betrouwbaarheid van de Schrift. De vragen betreffen ook de grote heilsfeiten van de maagdelijke geboorte en de opstanding van onze Heere Jezus Christus. Wie meent dat er nooit gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die niet natuurwetenschappelijk geanalyseerd kunnen worden, kan ook aan deze zo centrale gebeurtenissen geen plaats geven.
*
Hoe werd in Nederland op de Schriftkritiek gereageerd?
Niet iedereen ging met deze nieuwe benadering van de Schrift mee. In de kerken klonken tegenstemmen. Er waren theologen die een middenweg zochten. Men aanvaardde dat wij de Bijbel in principe moeten lezen als elk ander boek, maar wilde vasthouden aan de centrale boodschap van de Bijbel van redding door Christus. We zien dat in Nederland bij de vertegenwoordigers van de zogenaamde ethische theologie, een van de richtingen die in de Hervormde Kerk in de tweede helft van de negentiende eeuw opkwam. Aan de realiteit van de centrale heilsfeiten wilde men niet twijfelen. Dat gold zeker voor de opstanding. Voor de maagdelijke geboorte lag dat al anders. J.H. Gunning jr. liet op een gegeven moment doorschemeren dat de berichten daarover wellicht het karakter van een legende hadden. Er stak een storm van kritiek op, waaronder ook van de kant van Abraham Kuyper. Vergeleken met anderen uitte hij zijn kritiek nog gematigd. Gunning zelf kwam op zijn suggestie terug. Uitgangspunt was voor hem het geloof van de gemeente. Ook de historiciteit van de maagdelijke geboorte van de Heere Jezus bleek in de negentiende eeuw diep verankerd te zijn in het geloof van veel gemeenteleden.
Abraham Kuyper en Herman Bavinck achtten het geloof van de gemeente een subjectieve en wankele grond. Hun uitgangspunt was de Schrift als het door Gods Geest geïnspireerde Woord van God. In 1881 hield Kuyper bij zijn overdracht van het rectoraat van de Vrije Universiteit een rede met de titel De Hedendaagsche Schriftcritiek in hare bedenkelijke strekking voor de gemeente des levenden Gods. Een eenvoudige gelovige kan op de betrouwbaarheid van de Schrift aan. Bijbelwetenschap mag nooit de Schrift uit handen van de gemeente nemen, maar is bedoeld om de gemeente bij het verstaan van de Schrift te dienen.
Vanuit deze zienswijze werd tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en ook aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Kampen Bijbelwetenschap gedoceerd. De hele gereformeerde gezindte steunde intellectueel op de arbeid van de Gereformeerde Kerken. Dat gold voor de Gereformeerde Gemeenten niet minder dan voor de Gereformeerde Bond binnen de Nederlandse Hervormde Kerk en de Christelijke Gereformeerde Kerken.
Men plaatste wat kanttekeningen bij de Gereformeerde dogmatiek van Bavinck en de Gereformeerde homiletiek van Hoekstra, maar ging grotendeels in dat spoor verder. De Korte Verklaring en ook de serie Commentaar Oude Testament en Commentaar Nieuwe Testament werden door predikanten over de gehele breedte van de gereformeerde gezindte gebruikt. Aan dit steunen op de arbeid van de Gereformeerde Kerken kwam een einde in de jaren zestig.
Voor een deel namen de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (later TUK en nu TUU) en de Theologische Hogeschool van de Christelijke Gereformeerde Kerken (nu TUA) de plaats over die de instellingen van de Gereformeerde Kerken hadden gehad. Voor Bijbeluitleg denk ik aan de CNT derde serie onder de redactie van prof. dr. J. van Bruggen. Ik noem de publicaties op het gebied van de ethiek van de hoogleraren dr. J. Douma en dr. W.H. Velema. Ik kan ook wijzen op de Beknopte Gereformeerde Dog matiek van prof. dr. J. van Genderen en prof. dr. W.H. Velema.
Inmiddels is de tijd verder gegaan. Ook in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, die inmiddels zijn opgegaan in de Nederlandse Gereformeerde Kerken, en in de Christelijke Gereformeerde Kerken kwam de visie op dat wij op een gelovige wijze van de Schriftkritiek gebruik kunnen maken. Meerderen gingen mee met een nieuwe benadering van de hermeneutiek. We kunnen ons niet zonder meer op de Schrift beroepen, want onze eigen context doet altijd mee en mag ook mede de uitkomst bepalen. In samenhang hiermee verdween de kritische houding ten opzichte van de theologie van Karl Barth. Barth wendde zich weliswaar af van de liberale theologie, maar voor hem vallen de Schrift en het Woord van God niet samen.
In de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (nu de NGK) is tot op heden een enkeling niet gelukkig met deze ontwikkeling, maar de meerderheid ging erin mee. Dat komt ook tot uiting in de koers en het onderwijs van de TUU. In de Christelijke Gereformeerde Kerken hebben, zoals iedereen wel zal weten, deze ontwikkelingen inmiddels tot een tweedeling geleid. De TUA wil zowel aan de klassiek gereformeerde theologie als aan meer modern gereformeerde theologische inzichten – en dan denk ik onder andere aan die van Barth – een plaats geven.
In het dogmatisch onderwijs is niet meer de Gereformeerde Dogmatiek van Bavinck of de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek van Van Genderen en Velema het handboek dat wordt gebruikt, maar de Christelijke Dogmatiek van dr. G. van den Brink en dr. C. van der Kooi. Die gaat juist in haar Schriftleer niet in het klassiek gereformeerde spoor, maar in dat van het Schriftrapport Klare wijn (1967) van de Hervormde Kerk en van God met ons. Over de aard van het Schriftgezag (1981) van de Gereformeerde Kerken, de twee kerken die zich samen met de Evangelisch-Lutherse Kerk hebben verenigd in de PKN.
Destijds klonken niet alleen vanuit de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de Christelijke Gereformeerde Kerken, maar ook uit de kring van de Gereformeerde Bond krachtige tegenstemmen tegen de omgang met de Schrift zoals die in genoemde synoderapporten werd verwoord. Ik zeg niet dat die stemmen helemaal verdwenen zijn, maar ze zijn schaars geworden. Wie gereformeerd wil zijn, moet beseffen dat ook de publicaties van hoogleraren en docenten van de TUU en de TUA niet alle zonder meer de toets van Schrift en belijdenis kunnen doorstaan.
Academisch wordt met name aan de TUA onderwijs op niveau aangeboden, maar de wijze waarop men zich bindt aan Schrift en belijdenis is eigenlijk niet anders dan die waarop de Hervormde Kerk dat vóór 2004 deed, met dien verstande dat echt vrijzinnige opvattingen niet worden getolereerd. Zeker is dat er een vacuüm ontstaan is als het gaat om het doordenken van vragen in gebondenheid aan de Schrift als het onfeilbare Woord van God en de gereformeerde belijdenis als getrouwe weergave van de kern van de Bijbelse boodschap.
*
Een belangwekkend boekje van een drietal jonge theologen
Het is dan ook een zeer goede zaak dat de synode van de Gereformeerde Gemeenten een drietal jonge theologen voor een deel van hun weektaak heeft vrijgesteld om de vragen rond het Schriftgezag te doordenken. Zij zijn niet alleen werkzaam voor het studiesecretariaat Schriftgezag, maar ook verbonden aan de CGO, een opleiding waar op hbo-niveau theologie wordt gegeven, en dat niveau is weinig minder dan dat van sommige universitaire opleidingen.
Drs. J. van Gurp, dr. J.N. Mouthaan en J.A. Roukens MA schreven een eenvoudig boekje over Schriftgezag en Schriftgeloof dat vooral jonge mensen en jongvolwassenen als doelgroep heeft. Levend en krachtig. Aangevochten Schriftgeloof met het oog op de Toekomst heeft als uitgangspunt het zelfgetuigenis van de Schrift. Bepalend voor onze omgang met en onze uitleg van de Schrift moet zijn wat de Schrift over zichzelf zegt. Zij gaan niet mee met de postmoderne benadering waarbij onze eigen context een zelfstandige plaats krijgt. We moeten onszelf en onze context in het licht van Gods Woord leren zien en niet omgekeerd.
De Bijbel is geen boek om allerhande vragen te beantwoorden, maar is ons gegeven opdat wij God als de God van onze zaligheid leren kennen. Men gaat niet mee met de gedachte dat daarom de betrouwbaarheid van historische en geografische gegevens er niet toe doet. De inhoud van de Bijbel kunnen we geen recht doen als wij de wijze waarop die inhoud tot ons komt van minder belang achten en zelf menen te moeten uitmaken wat van blijvend belang is en wat niet.
Ook de vraag naar de grenzen van de canon komt aan de orde. De Heere Jezus en Zijn apostelen hebben de boeken die door het gehele Jodendom van hun dagen als canoniek werden gezien ook zo aanvaard. Terecht gaan de auteurs van Levend en krachtig ervan uit dat aan het begin van de christelijke jaartelling de canon van het Oude Testament al was gesloten, al werden de boeken van het Oude en ook van het Nieuwe Testament pas vanaf de tweede eeuw in één handschrift geschreven. Daarvóór gebeurde dat op boekrollen. De schrijvers van het Nieuwe Testament waren apostelen of directe medewerkers van apostelen.
Als het gaat om twijfel aan de Schrift, is die twijfel – zo wordt treffend in Levend en krachtig geschreven – verbonden met een overschatting van het eigen verstand. Aan dat verstand zelf wordt niet getwijfeld. Zij wijzen er ook op dat ons zondige hart er belang bij heeft de waarheid van de Schrift te betwijfelen. Zelf denk ik in dit verband aan een opmerking van Bavinck dat twijfel aan of afwijzing van de Bijbelse boodschap niet allereerst een intellectuele zaak is, maar een morele. Zo verwoordde Pascal het trouwens al in de zeventiende eeuw in de richting van zijn libertijnse vrienden.
Wij ademen allemaal de geest van onze tijd in. Daarom is het gevaar groot dat wij – al is het onbewust – meegaan met de postmoderne wijze van Schriftlezen. Resultaat daarvan is dat aan radicaal tegengestelde overtuigingen een plaats moet worden gegeven. Diversiteit en inclusiviteit staan in onze tijd hoog genoteerd. In Levend en krachtig wordt beargumenteerd dat de moderne twijfel aan de Schrift het verstand tot norm heeft en de postmoderne twijfel de cultuur.
In het laatste hoofdstuk van Levend en krachtig, namelijk ‘De Bijbel en de Toekomst’, komt de ondertitel van het boekje terug. Terecht is beide keren het woord ‘Toekomst’ met een hoofdletter geschreven. Het loopt over in onze uiteindelijke toekomst. De Bijbel is het kompas en de reisgids om veilig bij het Vaderhuis aan te komen. In dat licht moeten we de vragen rond ons verstaan van de inhoud van de Schrift en alle vragen die daarbij opkomen, benaderen. We moeten er zelf ook niet van uitgaan dat wij bij voorbaat de Bijbel goed begrijpen.
Van belang is ook te beseffen, zo schrijven de auteurs terecht, dat aanvaarding of afwijzing van het Schriftgezag niet samenvalt met het gebruik van een bepaalde vertaling. Uiteindelijk is de Bijbel in de brontalen de norm. Het juiste gebruik van de Bijbel als reisgids kan er nooit zijn – zo lezen we aan het slot van Levend en krachtig – zonder een levend geloof in de Heere Jezus Christus.
Ik wens dit boekje in veler handen. Aan het einde van elk hoofdstuk vinden we literatuur voor verdere studie. Voor wie daar nog niet of nog weinig de weg in weet, is dit boekje alleen daarom al zeer nuttig. Dat er vraag naar is, blijkt wel uit het feit dat er zo kort na de eerste al een tweede druk verscheen. Mijn bede is dat het lezen ervan velen tot zegen mag zijn. Laten we vragen dat Nederland bewaard blijft bij of terugkeert tot de vaste overtuiging dat de Schrift de stem is van de levende God. Alleen zo kan de Bijbelse boodschap met kracht worden doorgegeven.
N.a.v. Drs. J. van Gurp, dr. J.N. Mouthaan en J.A. Roukens MA, Levend en krachtig. Aangevochten Schriftgeloof met het oog op de Toekomst (Apeldoorn: De Banier, 2025), hardcover 144 pp., €12,95 (ISBN 9789402912319)