Uitspraken en brieven van John Duncan (1796-1870)

John Duncan is een van de kleurrijkste Schotse theologen uit de negentiende eeuw. Vanwege zijn grote kennis van het niet alleen het Bijbelse maar ook het na-Bijbelse Hebreeuws is hij bekend gewor-den als ‘rabbi Duncan’. Hij was in staat in zo’n veertien talen te communiceren en kon daarnaast nog ande­re talen lezen.

Vanaf 1844 tot aan zijn dood in 1870 was hij hoogleraar Hebreeuws en Semitische talen aan het New College in Edinburgh. Zowel zijn grote geleerdheid als diep geloof trof zijn studenten. Door zijn per-soonlijke godsvrucht werd hij voor veel theologiestudenten een geestelijke vader. Binnen het les-programma was er ook het onderdeel ‘Bewijzen voor het christelijk geloof’. Tegenwoordig zouden we over apologetiek spreken. Deze colleges werden niet door Duncan gegeven maar door één van zijn collega’s.

Echter, een student noteerde ooit ’s avonds in zijn dagboek: ‘Onze professor Duncan is voor mij één van de beste bewijzen voor de waarheid van het christelijke geloof. Hij is een man van grote geleerd-heid, maar iedereen die hem leert kennen, bemerkt dat hij alle dingen schade en drek heeft leren achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus.

Ik noem nog een aantekening die een andere student in zijn dagboek maken. Duncan begon zijn college altijd met gebed. Die keer had hij wel heel innig geklaagd dat hij zich zozeer door God ver­laten voelde. Terwijl Duncan gebukt ging onder het gebrek aan geloofszekerheid en diep bezwaard was door het gemis van het gevoel van Gods nabijheid, noteerde de student: ‘Wat moet onze profes­sor een diepe kennis hebben van Gods liefde in Christus dat hij zo gebukt gaat onder het gemis van het gevoel ervan.

De naam van John Duncan is ook verbonden met de verkondiging van het Evangelie aan de Joodse gemeenschap in Boedapest. Door bemiddeling van Maria Dorothea von Württemberg weten daartoe wegen geopend. Maria Dorothea von Württemberg was gehuwd met aartshertog Joseph Anton von Habsburg Lotharingen, de landvoogd van Hongarije. Duncan heeft zijn dochter uit zijn tweede huwelijk naar haar vernoemd.

Ondanks zijn grote geleerdheid is de schriftelijk nalatenschap van John Duncan zeer gering. Toen één van zijn vrienden hem eens vroeg waarom hij geen boek schreef, antwoordde Duncan: ‘I am just a talker’ (Ik ben slechts een prater). William Knight, die in de zomermaanden van 1859 en 1860 nauw contact met hem had, omdat zij in hetzelfde dorp aan zee op vakantie waren, noteerde uit zijn mond tal van uitspraken: Colloquia Peripatetica.

Onder de titel Just a talker gaf een aantal jaren geleden The Banner of Truth een bloemlezing daarvan uit. De kracht van Duncan kwam in korte en kernachtige uitspraken naar voren. Naast een aantal van deze uitspraken heb ik een drietal brieven opgenomen die Duncan aan zijn dochter Maria Dorothea schreef.

Ik ben in de eerste plaats een christen, vervolgens een katholiek, dan een calvinist, ten vierde een aanhanger van de kinderdoop, en ten vijfde een presbyteriaan. Ik kan deze volgorde niet omdraaien.

(In antwoord op iemands suggestie dat deze confessies als het ware cirkels binnen elkaar waren, de eerste de ruimste en de beste:)

Ik zie ze liever als torens die boven elkaar oprijzen, alhoewel ze bij het rijzen steeds nauwer worden. De eerste is de breedste, en is het fundament dat Christus heeft gelegd. Maar wij moeten op dat fundament bouwen, en hoe hoger we in de toren komen des te ruimer wordt ons uitzicht.

Het is allerverschrikkelijkst om onbekeerd te sterven, terwijl de naam van de drie-enige God aan het voorhoofd is verzegeld.

De Heere heeft niet de namen van de uitverkoren gezaligden geopenbaard, maar de Naam van de uitverkoren Zaligmaker.

Ik zou aan de voeten van Jonathan Edwards willen zitten om te leren wat ware godsdienst is en aan die van Thomas Boston om te leren hoe ik die kan krijgen. (Duncan zinspeelt hier op het feit dat Edwards zeer diep ingaat op het bevindelijke karakter van de christelijke gods­dienst en dat Boston zonder enige reserve iedereen ertoe opriep onmiddellijk in Christus te geloven).

Hypercalvinisme is alleen maar huis en geen deur. Arminianisme is alleen maar deur en geen huis.

Het zuivere evangelische geloof plaatst de mensen voor een open deur, maar wanneer je die deur bent doorgegaan, vind je verder niets. Er is geen huis achter de deur. Ultracalvinisme is een prachtige plaats zonder een deur. Het huis is perfect, maar je kunt er niet in binnengaan. Het ene soort van antinomianisme zegt alleen maar: kom!, het andere soort weigert om te zeggen: kom! Het laatste is erger dan het eerste, omdat het geen verantwoordelijkheid op de zondaar legt. De Engelse ultracalvinisten aanvaarden alle antwoorden op de vragen in onze Shorter Catechism, op één na: ‘Om aan de toorn en vloek van God, waar wij vanwege onze zonde onder liggen, te ontsnappen, vraagt God van ons geloof in Jezus Christus, bekering ten leven, met het zorgvuldig gebruik van alle uitwendige middelen waardoor Christus ons de vruchten van de verlossing meedeelt’.

Over Thomas Halyburton

Er zijn drie biografieën waar ik nooit genoeg van krijg: die van Augustinus, van Bunyan en van Halyburton. De eerste is verre het diepst, de tweede het rijkst en het meest levenwekkend, en met Halyburton voel ik grote intellectuele verwantschap.

Ik kan geen beter kenteken van zelfonderzoek geven dan wat ik vond in de autobiografie van Halyburton, een boek die ik jullie aanbeveel om serieus te bestuderen. Hij onderzocht zichzelf met betrekking tot de Wet op het moment – wat wij ook zouden moeten doen – dat hij het slechtst gesteld was. Als hij op z’n slechtst gesteld was, en zichzelf op z’n slechtst tegenover de Wet beschouwde, zei hij: ‘Ik wens nooit dat de Wet wordt veranderd om aan mijn hart tegemoet te komen, maar wel dat mijn hart mag worden veranderd om aan Gods Wet tegemoet te komen.’ Kunnen wij dit op onze slechtste momenten zeggen? Als dat zo is, is onze gebondenheid een Wet van vrijheid geworden.

Ik adviseer iedere theoloog zich vertrouwd te maken met Halyburton. Ik voel veel sympathie met zijn geest. Hij overschat noch onderschat de waarde van de Wet ten opzichte van het Evangelie en de noodzaak van het Evangelie voor de Wet. Ik waardeer zijn visie op het aannemen van het Evangelie als een hartelijke goedkeuring van Gods wijze waarop Hij de mens herstelt.

De stappen die hij uitwerkte vanuit het Evangelie waren de volgende, zoals hij die in zijn Zelfonderzoek heeft opgeschreven:

1. Stem ik van harte in met het plan van God in het Evangelie? Ben ik er geheel tevreden mee dat deze orde zowel Gods deugden volledig genoeg doet en ook volledig beantwoordt aan mijn behoefte?

2. In al mijn duisternis en twijfel heb ik nooit een andere weg verlangd dan de weg die ons is aangewezen.

3. Ik ben vastbesloten om altijd hieraan vast te houden, met de verwachting – soms meer en soms minder levendig – van een goede afloop.

En daarna, vanuit de Wet:

1. Ik wens niet dat de Wet op enig punt wordt veranderd,

2. en dat zelfs wanneer de Wet het meest tegen mijn neigingen ingaat.

Zo diep ging hij op deze vraag van de Wet in, als het ware op hemzelf toegepast, dat hij zich zelfs tot dit standpunt bracht dat hij geen verandering wenste in de goddelijke behandeling van hem, maar slechts dat hijzelf zou worden veranderd. Dit lijkt een eenvoudig punt, maar als ik op mijn eigen ervaring mag afgaan, dan weet ik dat het nog niet zo gemakkelijk is om de Wet toe te stemmen dat zij goed is – wanneer dit tenminste niet slechts een intellectuele instemming betekent, maar ook een morele instemming, het ‘amen’ van de wil.

Halyburton was van nature een scepticus, maar God gaf deze scepticus een groot geloof. Zijn boek tegen de Deïsten, waarin hij Lord Herbert wijs behandelt, is een scholastiek betoog in de lijn van John Owen.

Duncan aan Maria Dorothea (1857)

Zodra wij zondaren zijn, hebben wij Christus nodig. Een Israëliet zou er niet verstandig aan hebben gedaan wanneer hij had gezegd: ‘Wanneer ik nog wat ernstiger ben gebeten, wanneer het vergif dieper heeft ingewerkt en ik de pijn nog heviger voel, wanneer ik bijna dood ben, als iemand die niet eerder naar de slang opkeek dan op het moment dat hij bijna de geest gaf, pas wanneer het zover komt zal ik opkijken naar de slang en niet eerder.’ Overtuigingen zijn niet nodig om ons welkom te doen zijn bij Christus, maar om Christus bij ons welkom te doen zijn.

Duncan aan Maria Dorothea (12 februari 1858, haar veertiende verjaardag)

Mijn lieve, lieve meisje! Mag de Heere, die jou genadig heeft gespaard zodat je opnieuw jarig mag zijn, je zegenen en tot een zegen stellen. Ik hoef je niet te zeggen wat voor een vreugde het is voor het hart van een vader wanneer hij zijn kinderen in de waarheid ziet wandelen. Dank daarvoor zij voor altijd aan Hem, die, naar ik vertrouw, jou iets van de plaag van je eigen hart heeft laten zien en van de gepastheid van de verheerlijkte Christus als een Redder om zondaren te redden, en die jou, naar ik vertrouw, niet alleen heeft gegeven dat je je aangetrokken voelt tot Zijn voortreffelijkheden en uitnodigingen, en dat je je daardoor bemoedigd voelt, maar Hij heeft jou ook (denk ik in nederigheid) enkele zoete tekenen gegeven van de ontvangst die Hij altijd geeft aan degenen die tot Hem komen.

Oh, wees dankbaar, nederig, waakzaam! Bid voor de genade om je dat te maken en je dat te doen blijven. Koester vertrouwen in de Heere, en schroom ten opzichte van jezelf. Zelfs wanneer je echt bekeerd bent, zal veel afhangen van de grondige vorming van je christelijke karakter tijdens deze eerste periode. Wanneer genade is geschonken en het gehele karakter symmetrisch doordringt, is er niet alleen leven maar ook schoonheid. Kanaänieten die door Israël worden gespaard, worden ook door God gespaard om doornen in Israëls zijden te zijn.

Oefeningen in de genade versterken het principe, en dragen er in grote mate aan bij dat de wandel van de gelovige met God aangenaam en nuttig is. Het is een onuitspreekbare zegen om vroeg in het leven bekeerd te worden, wanneer de gewoonten nog niet zo gevormd zijn, het karakter nog wat flexibeler, de affecties levendiger. En als God je zal sparen (wat wel onzeker is maar toch waarschijnlijk) ligt er zoveel voor je wat zal bepalen of je ‘nauwelijks zalig zult worden’ of dat je ‘rijkelijk zal worden toegevoegd de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus’

Papa is momenteel zo druk bezet met andere dingen dat hij niet in een staat is een gedicht te schrijven, laat staan poëzie. Neem II Petrus 1:1-15 als een vervanging. Mag onze hemelse Vader jou overvloedig alle zegeningen geven die in de eerste vier verzen worden opgesomd, en Hij neige je en stelle je in staat om alle uitnemende, praktische lessen in vers 5-10 te bestuderen en in de praktijk te brengen, zodat je uiteindelijk de belofte uit vers 11 zult ontvangen.


Duncan aan Maria (Edinburgh, 28 september 1861)

Ik ben verheugd nu ik uit de brief van monsieur Troyon heb begrepen dat je weg voldoende helder hebt bevonden en daardoor aangemoedigd aan de tafel des Heeren bent gegaan. Het meest ernstige moment in het leven van een mens is het moment waarop hij, op het punt verloren te gaan, de vrij aangeboden Redder van zondaren aanneemt.

Het volgende ernstige moment is het moment waarop hij zich volledig aansluit bij Christus’ zichtbare kerk, wanneer hij met ‘het hart gelooft ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt ter zaligheid’. Alle ervaring bewijst, zelfs als de bekering echt is en het hart oprecht, dat veel van de schoonheid, kracht, lieflijkheid en werkzaamheid van het leven erna afhangt van het vroegste model dat ‘de nieuw geboren baby’ ontvangt. Ik verlang niet alleen dat je een echt christen zult zijn, maar ook een gezonde en mooie christen.

Vader Duncan


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s