Het gezag en de uitleg van de Schrift (1)

Ontwikkelingen in visie op het Schriftgezag in Nederland

De puritein John Owen begint zijn werk The Causes, Ways, and Means of Under­standing the Mind of God as Revealed in His Word with Assurance Therein als volgt: ‘Ons geloof dat de Schriften het Woord van God zijn, of een godde­lijke openba­ring, en ons verstaan van de bedoeling en de wil van God daarin geopen­baard, zijn de twee bronnen van geheel ons aandeel in de christelijke reli­gie.’ In onze tijd worden in brede delen van de kerk vragen gesteld bij het gezag van de Schrift. Een andere visie op gezag van de Schrift en een andere visie op haar uitleg blijken dan nauw met elkaar verbonden te zijn.

Het argument is dat wij ons nooit rechtstreeks op de Schrift kunnen beroepen. Dat is de essentie van de nieuwe hermeneutiek. De Schrift ontstond namelijk in een andere context dan de onze. Vaak wil men nog wel stellen dat het getuigenis van de Schrift het primaat heeft boven andere getuigenissen. De Schrift is niet rechtstreeks het Woord van God maar de primaire vertolking van het Woord van God in de situatie waarin ze ontstond. De gedachtegang is dan dat wij luisterend naar de Schrift en ons geleid wetend door de Geest in onze eigen tijd en context het navolgen van Christus en het dienen van God gestalte dienen te geven.

Toen ik op de middelbare school zat, was duidelijk hoezeer dit gedachtegoed ingang kreeg in de Gereformeerde Kerken en in de confessionele richting van de Hervormde Kerk. In 1967, een jaar voordat ik naar de middelbare school ging, herriepen de Gereformeerde Kerken de besluiten van de synode van Assen van 1926. Besluiten die erop gericht waren vast te houden aan de historiciteit van het paradijs en het eerste mensenpaar. In 1968 stelde dit kerkverband alle ambten voor de vrouw open. De Hervormde kerk had dat besluit al in 1954 genomen, zij het met een heel kleine minderheid. In de loop van de jaren verdwenen ook in confessionele kring de bezwaren tegen de vrouw in het ambt.

Vanuit de kring van de Gereformeerde Bond, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de Christe-lijke Gereformeerde Kerken werd krachtig stelling genomen tegen deze ontwikkelingen. De oprichting van de EO staat ook niet los van deze ontwikkelingen. Evangelische christenen en christenen die zich gebonden wisten aan de gereformeerde belijdenis vonden elkaar in de erkenning van het volstrekte gezag van de Schrift. De ontwikkelingen hebben inmiddels niet stil gestaan. Dan kan er gewezen worden op de publicatie van de Christelijke dogmatiek van de hand van dr. G. van den Brink en dr. C. van der Kooi.

In de leer van de triniteit en in de christologie kan deze dogmatiek als orthodox worden getypeerd. Echter, als het gaat om het gezag van de Schrift gaat men niet in de lijn van Herman Bavinck of van Van Genderen en Velema met hun Beknopte gereformeerde dogmatiek maar van H. Berkhof met zijn Christelijk geloof. Evenals Berkhof menen Van den Brink en Van der Kooi dat de evolutieleer en het christelijke geloof zonder bezwaar met elkaar verbonden kunnen worden. Ook bij hen blijft er weinig over van het bijbels getuigenis van de realiteit van de eeuwige rampzaligheid. Beide auteurs hebben noch tegen de vrouw in het ambt noch tegen stabiele homoseksuele relaties bezwaren.

De Bijbel is voor hen dan ook een boek van God én mensen. Dan bedoelen zij met het laatste niet slechts dat God mensen heeft gebruikt om Zijn openbaring door geven en op Schrift te stellen. Bij hen heeft de menselijke factor een zelfstandige plaats. De Bijbel wordt dan ook door hen niet zonder reserve met het Woord van God gelijk gesteld. De Bijbel wordt gezien als de primaire reactie op Gods Woord. Latere generaties moeten zij daarop oriënteren om in een andere context dan die van de Bijbelschrijvers de woorden van God te horen. Het gezag van de Bijbel is niet objectief maar con-textueel en relationeel.

*

Een andere visie op het gezag van de Schrift staat nooit los van een andere visie op de boodschap van de Schrift

De Gereformeerde Kerken gaven in 1980 met het rapport God met ons een verantwoording van de nieuwe wijze waarop men met de Schrift omging. Kern van het rapport was dat de waarheid van God ons in de Bijbel geopenbaard niet als objectief maar als relationeel moet worden gezien. We kunnen nooit over de inhoud van Gods Woord spreken buiten de gelovige overtuiging dat God met ons is. Heel duidelijk horen we hierin ook de doorwerking van de theologie van Karl Barth. Duidelijk is wel dat een andere visie op het gezag van de Schrift nooit los staat van een andere visie op de boodschap van de Schrift.

Naast de theologie van Barth kunnen nog andere achtergronden worden genoemd. Ook een theoloog als dr. J. Vlaardingerbroek, die de jaren tachtig van de vorige eeuw binnen de Gereformeerde Kerken als behoudend bekend stond, had geen moeite zijn naam aan dit rapport te verbinden. Hij had geen principieel bezwaar tegen de historische historisch kritische wijze van het lezen van de Schrift en viel de grondlijn van het rapport dat de waarheid van de Schrift relationeel is bij.

Zonder dat ik wil stellen dat men de inhoud van het rapport God met ons integraal overneemt, heeft deze grondlijn inmiddels breed ingang gevonden in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, de Gereformeerde Bond en de Christelijke Gereformeerde Kerken. Vooral in de Gereformeerde Bond en de Christelijke Gereformeerde Kerken, waar deze ontwikkelingen grote spanningen geven, klinken tegenstemmen.

In zijn boekje Leesbril of toverstaf. Over het verstaan en vertolken van de Bijbel sprak dr. A. Noorde-graaf, een vooraanstaand vertegenwoordiger van de Gereformeerde Bond reeds in 1991 over een wissel­wer­king tussen tekst en situatie. Dit is ook de lijn van de in 2017 verschenen bundel Gere­formeerde her­me­­­neutiek van­daag met bijdragen van hoog­le­raren en wetenschappelijke medewerkers van de Theo­lo­gische Uni­ver­siteit Kampen. De gedachte dat wij de inhoud van de Schrift niet als objectief kunnen typeren, vinden we ook bij de christelijke gereformeerde hoogleraar dr. A. Huijgen in zijn boek Lezen en laten lezen. Dat maakt begrijpelijk dat hij kan stellen dat wij op basis van de Schrift geen uitspraken kunnen doen over zaken als de evolutieleer, de vrouw in het ambt en stabiele homoseksuele relaties.

Niet toevallig is de grote waardering van zowel Noordegraaf als Huijgen voor Barth en zijn Nederlandse geestverwanten. Waardering voor Barth zien we ook in de Gereformeerde kerken Vrij-gemaakt. Daarnaast moet de naam van de Engelse nieuwtestamenticus N.T. Wright worden genoemd. Wat Barth en Wright met elkaar verbindt, is dat de persoonlijke zaligheid naar de achtergrond verschuift. Verloren gaan lijkt niet veel meer te zijn dan een theoretische mogelijkheid. In deze theologieën is de kern van de Bijbelse boodschap dat God met ons is en hij ons met Zichzelf heeft verzoend. Heel de werkelijkheid moet van meet af aan in dit licht worden gezien.

Dat is een andere lijn dan die van de gereformeerde belijdenisgeschriften. De boodschap van Christus alleen staat daar in het kader van het feit dat de gevallen mens alleen door Christus en bekleed met Zijn gerechtigheid God kan ontmoeten. Het eerste wat wij moeten geloven is niet dat wij met God verzoend zijn maar een kind des toorns zijn en het koninkrijk van God niet kunnen binnen gaan tenzij wij opnieuw geboren zijn. Dat is iets wat waar is en waar blijft, ook als wij het niet geloven.

Wie trouwens stelt dat op basis van de Schrift geen uitspraken kunnen worden gedaan als zaken zoals de evolutieleer, de vrouw in het ambt en stabiele homoseksuele relaties, moet wel een verklaring geven voor het feit dat de kerk de eeuwen door op deze punten wel een heel bepaald geluid heeft gegeven. Pas in de twintigste eeuw gaan kerken die de Bijbel niet meer als het onfeilbare Woord van God aanvaarden, ertoe over de ambten voor de vrouw open te stellen. Op grond van duidelijke uitspraken in de Schrift had eeuwenlang niemand het erover dat de ambten alleen aan de man toekwamen. Dat sprak voor zich op grond van de duidelijkheid van de Schrift.

In de Heidelbergse Catechismus wordt er voetstoots van uitgegaan dat Adam en Eva het eerste mensenpaar zijn. Wie de evolutieleer en de Bijbel met elkaar wil verbinden, zal zich niet onvoor-waardelijk aan de gereformeerde belijdenis kunnen binden. Dat is ook het geval als men ruimte ziet voor homoseksuele relaties. In zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus is de heilige huwelijkse staat (en dat is het huwelijk tussen één man en één vrouw die elkaar tot de dood trouw blijven) het uitgangspunt. Alles wat daarmee strijdt – en dat geldt niet alleen daden, maar ook gebaren, woorden en gedachten – valt volgens de opstellers van de Heidelbergse Catechismus onder Gods oordeel. En als zij dit stellen, doen zij niets anders dan de Schrift naspreken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s