Het gezag en de uitleg van de Schrift (2)

Een verblijdende publicatie

In het licht van de ontwikkelingen geschetst in de vorige bijdrage vind ik het verblijdend dat vanuit de kring van de Gereformeerde Gemeenten in de serie Semper Reformanda twee delen zijn verschenen waarin vastgehouden wordt aan de klassieke visie op het gezag en de uitleg van de Schrift: Het onfeilbare Woord. Een theologische verkenning. Het eerste deel gaat over het gezag en de canon van de Schrift en het tweede deel over de uitleg. Beide delen zagen in 2020 het licht en er is alle reden om voor deze publicatie aandacht te vragen. Zelf schreef ik in de tijd dat ik de hervormde gemeente van Opheusden diende een boek met dezelfde titel, namelijk Het onfeilbare Woord.

Als mensen mij vroegen naar meer recente Nederlandse publicaties waarin rechtgedaan werd aan het zelfgetuigenis van de Schrift en zo over haar uitleg werd gesproken, kwam ik – afgezien van wat artikelen – eigenlijk niet verder dan de nog altijd zeer waardevolle publicatie van de gereformeerde vrijgemaakte hoogleraar J. van Bruggen Het kompas van het christendom. De beide delen uit de serie Semper Reformanda kunnen nu ook worden genoemd.

Het is niet mogelijk om aan alle bijdragen in beide delen aandacht te schenken. In het eerste deel wijdt drs. B. van Ojen een hoofdstuk zowel aan de canonvorming van het Oude als van het Nieuwe Testament. Terecht zegt hij dat de hoofdlijn van de vorming van de canon van het Oude Testament is die van goddelijke openbaring zoals die rechtstreeks en via gezaghebbende personen en instanties tot stand is gekomen.

Ten aanzien van de nieuwtestamentische canon wordt opgemerkt dat de contouren ervan al in de tweede eeuw na Chr. zichtbaar worden. In de literatuurlijst miste ik de heel instructieve publicaties van Michael J. Kruger over de vorming en betekenis van de nieuwtestamentische canon. Van groot belang is de opmerking van Van Ojen dat achter de canon de Zich openbarende God staat. De canon is geen kerkelijke beslissing. De kerk heeft slechts onderkend welke boeken goddelijk en daarmee canoniek waren.

In de openingsbijdrage van het eerste deel distantieert ds. W. Visscher zich van de gedachte dat de Bijbel slechts in indirecte zin openbaring is, omdat de inbreng van de Bijbelschrijvers als een zelfstandige factor wordt gezien. Een benadering die de Christelijke dogmatiek Van den Brink en Van der Kooi kenmerkt. Visscher gaat in de lijn van Herman Bavinck. Als oorkonde van de openbaring is de Schrift ook zelf openbaring. De Bijbel is ons gegeven om God in Christus te leren kennen. Zij is het externe beginsel voor deze kennis. Het interne beginsel is het geloof. In het hoofdstuk ‘De Schrift in het licht van de gereformeerde belijdenis’ wijst Visscher erop dat in de Christelijke dogmatiek de subjectiviteit van ons kennen uitgangspunt is van de dogmatische bezinning. Wie gelooft dat de Bijbel zondermeer de stem van God is, zal dit uitgangspunt niet kunnen bijvallen.

*

Allegorie en typologie

Het tweede deel van Het onfeilbare Woord. Een theologische verkenning opent met een bijdrage van ds. D. de Wit over hermeneutiek in historisch perspectief. Dit is een zeer grondige bijdrage. Ik denk met name aan de wijze waarop aandacht wordt geschonken aan allegorie. Men kan zich daar al te gemakkelijk van distantiëren zonder recht te doen aan het perspectief van waaruit het werd bedreven. Het was een middel om te laten zien dat de Schrift van Christus getuigde. Terecht zegt De Wit dat dit bezwaarlijk wordt als de letterlijk betekenis er niet meer toe lijkt te doen.

Vanaf de negentiende eeuw wordt allegorie en typologie nadrukkelijk onderscheiden. Het verschil is dan dat een typologische duiding in het verlengde ligt van de letterlijke betekenis en recht doet aan de heilsgeschiedenis, terwijl dit bij allegorie niet het geval is. Zo hanteert ook dr. J.M.D. de Heer deze onderscheiding in zijn bijdrage over de eenheid van het Oude en Nieuwe Testament. Ik meen dat het maken van dit verschil heel zinvol is, maar de bijdrage van De Wit kan ons leren dat heel lang deze twee benaderingen niet op deze wijze werden onderscheiden en ook wat wij nu typologie noemen als allegorie werd getypeerd.

Zowel De Wit als De Heer geven terecht aan dat het niet zo gemakkelijk is aan te geven wanneer je op dit terrein een grens overschrijdt. Ook als we typologie afgrenzen van allegorie blijft de vraag waar je in het Oude Testament typen van Christus ziet. De een ziet er dan toch meer in dan de ander. De lijn in de bijdragen van Het onfeilbare Woord. Een theologische verkenning is dat de letterlijke betekenis nooit mag verdampen.

*

Hermeneutiek en exegese

In zijn bijdrage ‘Van hermeneutiek naar exegese. Een exegetisch model met toelichting’ geeft Van Ojen een exegetisch model met veertien stappen. Hermeneutiek is voor hem dan niet, zoals nu veelal wordt opgevat, bezinning op verstaansprocessen, maar regels voor de exegese vanuit de wetenschap dat de Bijbel het Woord van God is. Daarmee is de eenheid van haar boodschap gegeven. De gerichtheid op de tekst en niet op de lezer bepaalt de structuur van de ontmoeting met God Van Ojen benadrukt dat in de exegese niet de lezer maar de tekst van de Bijbel zelf bepalend moet zijn. Het stappenplan laat zien aan welke aspecten allemaal aandacht moet worden geschonken om tot een goed verstaan van de tekst te komen.

Zelf benadruk ik explicieter dan Van Ojen doet dat er in de praktijk een heen en weer gaan is. Men kan soms weer een paar stappen terug moeten doen en anderzijds leidt de ene stap soms automatisch tot de andere. Zeker is dat de tekst van de Bijbel grondige aandacht en bestudering vraagt om tot juiste toepassingen te komen en vooral ook dat de omgang met de Schrift nooit vrijblijvend kan zijn.

In zijn bijdrage over hermeneutiek in historisch perspectief gaat De Wit ook in op de nieuwe her-meneutiek. Hij geeft aan dat kenmerkend daarvoor is dat de context van de lezer een zelfstandige plaats krijgt. Dat is ook zijn grote bezwaar tegen de publicatie Gereformeerde hermeneutiek vandaag. De interpreterende mens bepaalt mede de uitkomst van wat de tekst van hem vraagt. Verschillende interpretaties mogen dan naast elkaar staan. Terecht geeft De Wit aan dat hiermee het absolute gezag van de Schrift ter discussie wordt gesteld.

De Heer laat in een bijdrage zien dat acceptatie van de vrouw in het ambt en van stabiele homo-seksuele relaties gerelateerd is aan deze nieuwe hermeneutische inzichten en een andere wijze van omgaan met de Schrift. In de nieuwe hermeneutiek wordt de eenheid van de Schrift opgegeven. De Bijbel kan, zo meent men, tegenstrijdige opvattingen bevatten. Hij toont aan dat acceptatie van de vrouw in het ambt en een andere visie op huwelijk en seksualiteit nooit los staat van relativering van de openingshoofdstukken van de Bijbel. Met een beroep op de toekomst wordt de betekenis van de structuren die God met de schepping heeft gegeven, gerelativeerd.

*

Het onderzoek van het Oude en het Nieuwe Testament

Aan het wetenschappelijk onderzoek van het Oude en Nieuwe Testament zijn in Het onfeilbare Woord. Een theologische verkenning een tweetal bijdragen gewijd. In de bijdrage over het Nieuwe Testament gaat drs. J. van Mourik onder andere in op het onderzoek naar de persoon van Jezus, op de verhouding tussen Jezus en Paulus en de betekenis van het vierde evangelie. In zijn bijdrage over het Oude Testament geeft ds. J.B. Zippro ook een kort overzicht hoe theologen vanaf de negentiende eeuw over het gezag en de betrouwbaarheid van de Schrift hebben gesproken. Terecht wijst hij op de hoge opvatting die H.F. Kohlbrugge had van de inspiratie. Hij tekent Kohlbrugge als een aanhanger van organische inspiratie.

Nu is het onderscheid tussen organische en mechanische inspiratie pas van de negentiende eeuw en is die ook vanaf de negentiende eeuw lang niet door iedereen gehanteerd. Meerderen vonden het spreken over woordelijk en volledige inspiratie voldoende. Als je het onderscheid maakt, zie ik Kohlbrugge eerder als een vertegenwoordiger van de mechanische dan van de organische inspiratie. Aan de eigenheid van Bijbelschrijvers schenkt Kohlbrugge weinig aandacht. Ondanks het feit dat in de brief geen auteur wordt genoemd, ziet hij zonder enige aandacht voor alternatieve visies Paulus als de schrijver.

Jammer vind ik dat Zippro wel heel kort op The Chicago Statement on Biblical Inerrancy en The Chicago Statement on Biblical Hermeneutics ingaat. Voor een uitgebreidere en evenwichtigere waar-dering verwijs ik naar een bijdrage van ds. M.K. de Wilde in het juninummer van 2020 in Theologia Reformata onder de titel ‘De Schrift kan niet gebroken worden’. Een pleidooi voor inerrancy.’’ Met de Wilde ben ik van mening dat de eerste verklaring niet veel meer dan de benadering van de Schrift de eeuwen door met betrekking tot de historische betrouwbaarheid en het omgaan met schijnbare tegenstellingen op noemer zetten. In de lijn van de kerkvaders en de reformatoren neemt men aan dat er geen werkelijke tegenstellingen zijn. Zowel op historisch, leerstellig als ethisch terrein zoekt men naar harmoniserende verklaringen.

Als Mattheüs twee blinden en Markus en Lukas er maar één vermelden, neemt men aan dat het er twee waren waarbij de focus op een van hen is gericht. Eventueel kon Calvijn een overschrijffout in de handschriften aannemen. Als The Chicago Statement on Biblical Inerrancy de inspiratie in strikte zin tot de originele handschriften (autographa) beperkt, is dat dezelfde benadering. Ook Zippro noemt dat wij niet mogen vergeten dat wij de autographa niet meer hebben. Mannen als J.I. Packer en R.C. Sproul die aan beide verklaringen hebben meegewerkt, waren niet minder dan Calvijn ervan overtuigd dat wij uiteindelijk het Schriftgezag aanvaarden, omdat we bewogen zijn door het innerlijke getuigenis van Gods Geest.

*

Het innerlijke getuigenis van Gods Geest.

Aan het innerlijke getuigenis van Gods Geest is het laatste hoofdstuk van het tweede deel van Het onfeilbare Woord. Een theologische verkenning gewijd. De auteur is ds. J.J. van Eckeveld. Breed wordt aandacht geschonken aan Calvijn. Ook de vraag of wij nu een afgesloten canon hebben of nog nieuwe profetie kunnen verwachten, wordt aan de orde gesteld. Met Eckeveld meen ik dat in de persoonlijk omgang met God het kan gebeuren dat men zicht krijgt op wat in de toekomst zal gebeuren. Zij hebben persoonlijke betekenis en in afgeleide zin legt van Eckeveld een relatie met profetie. Echter, dat betekent niet dat profetieën een plaats mogen en kunnen krijgen in de samenkomsten van de gemeente en daarmee op dezelfde hoogte als de prediking van het Woord gesteld mogen worden.

*

Waardering en wensen

Wie Het onfeilbare Woord. Een theologische verkenning ter hand neemt, moet zich realiseren dat het geen stichtelijk boek is in de strikte zin van het woord. Wel zijn beide delen van deze studie erop gericht de lezer te brengen en te bewaren bij het geloof eenmaal aan de heiligen overgeleverd en dan wel toegespitst op de wetenschap dat de Schrift de stem is van de levende God. Daarom wil men waardering ervoor uitspreken. Dat is een zaak die waar ook ter wereld het bestaansrecht van de christelijke kerk raakt.

Als ik een aantal wensen mag uitspreken is dat in de toekomst nog eens nader wat ingegaan wordt op de vraag wat de eenheid van de Schrift betekent zowel voor haar leerstellige en ethische inhoud als voor de informatie die zij biedt op het terrein van geschiedenis en geografie. Duidelijk is dat de medewerkers van Het onfeilbare Woord. Een theologische verkenning  de nieuwe hermeneutiek afwijzen. De context van de lezer krijgt geen zelfstandige betekenis ten opzicht van het Schrift-getuigenis In het bijzonder de bijdrage van De Heer ‘Hermeneutiek als sleutel. Synode-rapporten over homoseksualiteit en vrouw en ambt in drie gereformeerde kerken’ maakt duidelijk hoe aanvaarding van nieuwe hermeneutische inzichten leidt tot relativering van de concrete inhoud van de Schrift.

Een nadere analyse achter de uitgangspunten en vooronderstellingen van de nieuwe hermeneutiek blijft gewenst. Klassiek is hermeneutiek regels voor uitleg van de Schrift, maar impliciet ligt ook achter de klassieke hermeneutiek een visie op verstaansprocessen en in het bijzonder op het verstaan van de Bijbel. Het is goed dat dit expliciet verduidelijkt wordt om mensen weerbaar te maken tegen stemmen die het gezag van de Schrift relativeren en om hen erbij te helpen het concrete getuigenis van de Schrift uit te dragen.

Zij die de Schrift als norm en bron voor onze levenswandel willen relativeren, komen nog al eens met de opmerking: ‘Maar jullie geven elkaar toch ook geen heilige kus?’ Dit wordt dan als argument gebruikt om te relativeren wat de Schrift zegt over de positie van de vrouw en dat volgens de Schrift seksualiteit uitsluitend een plaats mag hebben in het huwelijk. Hier biedt The Chicago Statement on Biblical Hermeneutics waardevolle inzichten om het verschil tussen universele normen en waarden en concretiseringen in een bepaalde context vanuit de Schrift zelf te onderbouwen.

De aanvechting of de Bijbel wel de stem is van de levende God en ook de aanvechting of God wel bestaat, blijft niet elke christen bespaard. Hoe hoger men is opgeleid hoe meer het voor de hand ligt dat gemeenteleden niet onbekend zijn met deze aanvechting. Als Brakel blijkens De redelijke godsdienst ervan uitgaat dat ook zij die de Heere werkelijk kennen, door deze twijfels overvallen kunnen worden moeten wij dat in onze tijd al helemaal doen. Van mij mag dan nog dieper en concreter het getuigenis van Gods Geest worden uitgewerkt als laatste aanleiding om te blijven buigen voor de Bijbel als de stem van de levende God om dan ook te onderstrepen dat de Heilige Geest ons overtuigt van een realiteit die buiten ons en ook los van ons geloof waar is.

Tenslotte wil ik graag opmerken dat werkelijk buigen voor de Schrift altijd gepaard gaat met het concreet lezen en bestuderen van de Schrift opdat die door de werking van Gods Geest ons leven meer en meer gaat stempelen. Ik weet dat de medewerkers van de besproken uitgave dit van ganser harte zullen beamen.

ds. G. Clements, ds. J.J. van Eckeveld en ds. P. Mulder (red.), Het onfeilbare Woord. Een theologische verkenning. Deel IIa (Apeldoorn: De Banier, 2020), hardcover 279 pp., €29,95 (ISBN 9789087181796) en Het onfeilbare Woord. Een theologische verkenning. Deel IIb (Apeldoorn: De Banier, 2020), hardcover 477 pp., €29,95 (ISBN 9789087183417)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s